Ondanks 'Schengen' worden grenzen versterkt

Het Akkoord van Schengen (1985) regelt de afschaffing van de onderlinge grens- controles tussen een aantal Europese landen. Maar met de huidige stroom van Koerdische vluchtelingen worden de grenzen juist weer opgetrokken.

BRUSSEL, 5 JAN. Op een boot in de Moezel bij het Luxemburgse grensdorp Schengen werd op 14 juni 1985 het gelijknamige akkoord ondertekend door de Benelux-landen, Duitsland en Frankrijk. Doel was de persoonscontrole aan de onderlinge grenzen af te schaffen en verscherpt toezicht te houden op de buitengrenzen. Met dit akkoord wilden de deelnemende landen vooruitlopen op de afschaffing van de persoonscontrole in de Europese Unie, die er wegens verzet van vooral Groot-Brittannië maar niet kwam. Behalve het slechten van de onderlinge grenscontroles regelt het Akkoord van Schengen ook de samenwerking tussen politie en justitie van de deelnemende landen en de harmonisatie van het asielbeleid.

In de jaren negentig sloten Italië, Griekenland, Portugal, Spanje, Oostenrijk, Denemarken, Zweden, Finland, IJsland en Noorwegen zich aan bij het Schengen-Akkoord, ook al behoorden de laatste twee landen niet tot de Europese Unie. In maart 1995 werd 'Schengen' in werking gesteld, dat wil zeggen dat de onderlinge grenscontroles daadwerkelijk moesten verdwijnen tussen de Benelux-landen, Frankrijk, Duitsland, Spanje en Portugal. Frankrijk weigerde echter de grenscontroles met Luxemburg en België af te schaffen zo lang er drugs uit Nederland komen. Parijs beriep zich op een artikel in het Schengen-Akkoord dat bepaalt dat landen de controles weer kunnen invoeren als de binnenlandse veiligheid in gevaar is.

Voor Italië trad het Akkoord van Schengen in oktober vorig jaar in werking, voor Oostenrijk in december: de controles op de luchthavens werden er opgeheven en de Schengen-regelgeving op het gebied van visumbeleid en de samenwerking op gebied van politie en justitie traden in werking. Voor beide landen geldt een overgangsperiode tot eind maart dit jaar voor het opheffen van de controles aan de landgrenzen met andere Schengen-landen. Aanvankelijk zouden Italië, Oostenrijk en ook Griekenland al eerder de grenscontroles afschaffen, maar de overige Schengen-landen vonden de controles aan de buitengrenzen nog onvoldoende. Zo constateerde een commissie die begin vorig jaar de Italiaanse grenzen controleerde, dat aanvullende maatregelen nodig waren om illegale immigratie tegen te gaan. Duitsland drong ook aan op betere controles aan de Oostenrijkse buitengrenzen.

Afgesproken is nu dat de landgrenzen van Italië en Oostenrijk met andere Schengen-landen in onderling overleg worden opgeheven. Maar het tegendeel gebeurt: Oostenrijk, dat de landgrenscontroles met de Schengen-landen al had afgeschaft, heeft ze aan de Italiaanse grens weer ingevoerd in verband met de duizenden Koerdische vluchtelingen die via Italië binnenkomen. Oostenrijk beroept zich op hetzelfde artikel over de interne veiligheid dat Frankrijk aanhaalt in verband met drugs. Ook Duitsland en Frankrijk proberen via extra controles de verwachte toeloop van Koerdische vluchtelingen te beperken. Duitsland heeft Italië opgeroepen buitengrenscontroles te verscherpen.

De Schengen-landen voeren zoveel mogelijk een gemeenschappelijk asielbeleid. Zo geldt de afspraak dat een asielzoeker slechts in één van de landen een aanvraag voor asiel kan indienen. Als de aanvraag wordt afgewezen, hoeft een ander land deze niet opnieuw in behandeling te nemen. Op die manier hopen de lidstaten 'asiel-shopping' tegen te gaan. De Schengen-landen handhaven wel hun eigen criteria voor de behandeling van asielverzoeken. Asielzoekers zullen dan ook proberen naar het land te gaan waar ze de meeste kans denken te hebben. Voor de Koerden zijn dat vooral Duitsland, dat een grote Koerdische gemeenschap heeft, en Nederland.