Oliestad Daqing wil 'luie' Chinezen een les leren

Daqing, ooit door Mao als modeleenheid van China aangewezen, wil opnieuw een voorbeeldfunctie vervullen in de noodlijdende provincie Heilongjiang waar de economie in een diepe crisis verkeert.

DAQING, 5 JAN. In de winkel ligt het boek over 'het beste van de oliestad Daqing' naast dat van de Indiaase Sanyassin-leider Osho, beter bekend als Baghwan. Die plek lijkt niet toevallig gekozen: de 'geestelijke beschaving van Daqing' is voor zijn hardwerkende en toegewijde inwoners net zoiets als wat voor anderen het christendom, de islam, of, volgens de schappenvullers van de boekenwinkel in Daqing, de leer van Baghwan is.

De kracht die uitgaat van wat op de winderige en steenkoude vlakte in de provincie Heilongjiang wordt gepresteerd, is onuitputtelijk. En volgens Ma Fucai, de directeur van het Daqing-bureau voor aardolie, is dat een les die “in een periode van onvoorstelbare problemen en obstakels” goed van pas komt. “We moeten de bezieling van Daqing eeuwig blijven uitdragen”, schrijft Ma in één van China's nationale kranten.

De eerste 38 jaar zitten er al op, en die leverden, als het handboek en andere propaganda geloofd mogen worden, de ene na de andere overwinning op. Heel China kent Daqing als de plek waar duizenden onbaatzuchtige, vaderlandslievende en hardwerkende mannen in 1959 op China's eerste en grootste voorraad aardolie stuitten. De ontginning van die voorraad was belangrijk want het maakte Peking, dat in die tijd gebrouilleerd was geraakt met Moskou, economisch onafhankelijk. De arbeiders van Daqing werden tot helden verklaard en Mao Zedong wees Daqing aan als de industriële modeleenheid waar heel China van zou moeten leren.

Vele overwinningen later produceert Daqing nog altijd 47 procent van 's lands nationale olievoorraad, afgelopen jaar goed voor 57 miljoen ton olie. En minstens zo belangrijk is dat Daqing sinds het olieveld operationeel is geworden, ruim veertig miljard gulden winst heeft afgedragen aan de staat. Export naar het buitenland zou Peking daarenboven nog eens 88 miljard gulden aan buitenlandse reserves hebben opgeleverd.

Al die verdiensten zijn ook de reden waarom de oliestad haar campagne voor de promotie van de 'geestelijke beschaving van Daqing', een overblijfsel uit de jaren zestig, nieuw leven heeft ingeblazen. Want in een periode waarin het ene noodlijdende staatsbedrijf na het andere ten ondergaat, mag Daqing als 'de parel van Heilongjiang' worden beschouwd. Immers, het Noord-Oosten van China, het oude centrum van de door de staat geleide industrie, verkeert in crisis en veel verlieslijdende staatsbedrijven hebben hun poorten gesloten. Daarom kampt Heilongjiang met de hoogste werkloosheidcijfers van heel China. In oktober maakte de vice-gouverneur van de provincie bekend dat ruim twintig procent van het werkzame bevolkingsdeel in Heilongjiang al geruime tijd geen loon meer krijgt. En volgens anderen zou inmiddels meer dan de helft van het aantal staatsbedrijven in de provincie zijn stilgelegd.

In die zin staat Daqing, een stad van 2,3 miljoen inwoners en 20.000 olie-'ja-knikkers' die de olie naar boven pompen, er heel gunstig voor. Maar dat is, naar het zich laat aanzien, dan ook vooral het gevolg van het feit dat zich diep in de grond onder Daqing olie bevindt. Volgens Liu Zhengyin, de vice-directeur van het propagandabureau van Daqing, is dat echter een te eenvoudige conclusie. “Zonder de bezieling van Daqing was dit alles niet gelukt”, zegt Liu. “De bevolking van Daqing is toegewijd, praktisch en innoverend. Met die eigenschappen kan veel bereikt worden.”

De vele bedrijven die in een crisis verkeren, zouden van Daqing kunnen leren. Liu: “In iedere samenleving bestaan problemen die met behulp van richtlijnen en voorbeelden opgelost kunnen worden. Ik ben ervan overtuigd dat de inspiratie die van Daqing uitgaat, in heel China benut kan worden.”

Maar wat kunnen keuterboeren op de droge grond in het uiterste westen van China, of werkloze vijftigers in 's lands overbevolkte steden, leren van Daqing? “Alles”, zegt Gao Guibin, die zichzelf een “olie-arbeider van de eerste generatie” noemt, en Daqing heeft zien veranderen van “een moerassig tentenkamp tot een moderne stad.” Gao heeft de jaren van harde lichamelijk arbeid allang achter de rug, maar hij is naar eigen zeggen “niet te stoppen.” “Wij hebben altijd hard gewerkt, lieten ons niet van onze doelen afbrengen en hebben alles in het belang van de staat gedaan. Daarom zijn we ook laat getrouwd en hebben we laat kinderen gekregen. We hebben aan één stuk door gewerkt.”

Gao, die nu aan het hoofd staat van een gloednieuwe fabriek in auto-onderdelen, spuwt vuur wanneer hij wordt gevraagd naar de verschillen tussen de huidige generatie jonge Chinezen en die van dertig jaar geleden. “Zij zijn in niets met onze generatie te vergelijken!”, buldert hij. “Ze zijn verwend, lui, ongehoorzaam, veeleisend en ze kijken op ons neer omdat wij zo hard hebben gewerkt. Dat doet China geen goed.” Gao zegt overtuigd te zijn dat de Chinese jeugd het spoor bijster is en dat het hard nodig is hen de weg te wijzen aan de hand van “inspirerende voorbeelden.”

Eén van die voorbeelden is Wang Jinxi, 'de IJzeren Man van de eerste generatie', een eind jaren zeventig gestorven modelarbeider uit Daqing die, getuige de permanente tentoonstelling die ter zijner nagedachtenis is gemaakt, alleen tevreden was met de zwaarste, moeilijkste en smerigste klussen. Gao, die zegt Wang persoonlijk te hebben gekend, raakt in vervoering wanneer hij over zijn “oude vriend” praat. “Wat Wang voor elkaar kreeg is ongelofelijk”, zegt hij. “Hij kon samen met zes andere arbeiders een vrachtwagen binnen 48 seconden volscheppen met zand. En er waren onder zijn leiding maar acht mensen nodig om 1.700 bakstenen binnen drie minuten in te laden. Wang kon pas 'bitter eten',” zegt Gao. “We hebben Daqing met onze blote handen opgebouwd. Zonder een kik te geven. En wat doet de jeugd van tegenwoordig? Niets. Ze vermaken zichzelf en dragen niet bij tot de ontwikkeling van de samenleving.”

Ook propagandachef Liu Zhengyin gelooft in de educatieve kracht van modelarbeiders, maar hij geeft toe dat Wang Jinxi jonge Chinezen minder zal aanspreken. Vandaar dat zijn bureau een 'IJzeren Man van de tweede generatie' heeft aangewezen: de ingenieur Wang Qimin. De autoriteiten van Daqing doen er alles aan de nieuwe modelarbeider een vergelijkbare reputatie te verschaffen als de oude arbeider Wang Jinxi. “Wang inspireert mensen. Hij heeft dezelfde rol als prinses Diana bij jullie heeft gehad. Wang heeft alles over voor zijn land”, zegt Liu. En hij is daarmee zo druk, dat een ontmoeting met de modelarbeider uitgesloten is. Maar volgens een olie-arbeider uit Daqing is de nieuwe Wang niet half zo indrukwekkend als de oude. “Wat moeten we nou leren van Wang Qimin? Die heeft toch niets meegemaakt. Wat weet hij nou van 'bitter eten'? Hij zit alleen maar achter een bureau.”

Ondanks alle al dan niet inspirerende voorbeelden, de rijke stroom zwart goud die uit de grond blijft spuiten en de nimmer tanende bezieling van Daqing, kampt ook het centrum van China's olie-industrie met problemen. “De olie raakt natuurlijk wel een keertje op, en wat doen we dan?”, zegt Lu Shousheng, de voorlichter van de nieuwe industriële zone van Daqing. Volgens Lu produceert Daqing nog tot 2010 jaarlijks zo'n vijftig miljoen ton olie. Daarna raakt het olieveld langzaam uitgeput. “We willen voorkomen dat we tegen die tijd in crisis geraken, daarom moeten we ons gaan concentreren op nieuwe vormen van industrie.”

Het bedrijf van Gao Guibin, dat schokdempers voor auto's maakt, is een gevolg van het nieuwe beleid. Maar omdat het ijzer ver buiten Daqing vandaan gehaald moet worden en de afnemers ook al niet in de buurt verkeren, wordt de fabriek, evenals andere bedrijven in de industriële zone van Daqing flink gesubsidieerd door de overheid. “Daqing is geen gunstige plek voor investeringen buiten de olie-industrie. Het is hier koud en de ligging is slecht”, zegt directeur Gao.

En daar kan het geestelijk gedachtengoed van Daqing ook niet tegenop. Het groepje werkloze olie-arbeiders buiten het station van Daqing heeft er zelfs nog nooit van gehoord. “Hoe kun je hard werken als je geen baan hebt”, zegt één van hen. Ze hebben hun sjaals om hun hoofden geknoopt, tegen de kou en wachten op aannemers uit de bouwindustrie die op zoek zijn naar goedkope arbeiders. Maar zelfs dat wil niet lukken. “Alle baantjes worden ingepikt door migrantenboeren uit de zuidelijke provincie Jiangsu”, zegt een ander. “Die werken voor nog minder geld dan ik vraag. Wat kan ik daar tegen doen? Moet ik verhongeren? Daar helpt toch zelfs de bezieling van Daqing niet tegen?”