Grillen van de consument

En als je nu niet gelooft dat meer economische groei ook als vanzelf tot een beter milieu zal leiden, zoals sommigen bij hoog en bij laag volhouden, maar juist integendeel denkt dat meer Schiphol meer lawaai en meer luchtvervuiling zal opleveren, en dat meer verbindingswegen, meer handel en meer industrie niet direct ten goede zullen komen aan het Nederlandse landschap, tot hoeveel economische krimp of stilstand zou je dan eigenlijk bereid zijn te gaan? Er moet natuurlijk wel geld overblijven voor allerlei andere dingen, voor medische zorg, voor onderwijs, voor kunst, voor politie, voor de opvang van vluchtelingen enz.

En het geld komt niet uit de lucht vallen. En als Schiphol niet mag groeien kunnen we niet ook allemaal nog eens op supervoordelige reisjes naar warme badplaatsen, en als je zo tegen groei bent is het ook gek om wel televisies, computers, nieuwe meubels het huis binnen te slepen. Hoe moet je leven in overeenstemming met wat je vindt?

Van de zomer wijdde het tv-programma Lopende zaken een aflevering aan economische groei. Er waren, onder meer, twee vrouwen in te zien die elkaars volkomen tegendeel waren. De ene had besloten radicaal niet mee te doen aan de economie. Ze leefde zo eenvoudig als maar kon, verbruikte zo min mogelijk, kocht het weinige dat ze nodig had tweedehands - en dat was, de camera's keken geïnteresseerd en nieuwsgierig in haar huis rond, inderdaad heel weinig, zeg maar gerust bijna niets - en in ruil voor de uitkering die ze ontving deed ze vrijwilligerswerk. Ze speelde ook piano. Ze maakte een heel rustige, kalme, bijna ascetische indruk.

“Het heeft wel wat, maar zou je het kunnen?”, vroegen programmamakers Frans Bromet en Peter van Ingen elkaar en zichzelf. Ze aarzelden. Vroegen zich af of het niet ook, tot op zeker hoogte, een enigszins parasitaire houding was. De vrouw gaf toe dat ze in bepaalde opzichten natuurlijk wel degelijk profiteerde van de economie en de vooruitgang, ze had immers een huis, ze had een uitkering, ze maakte gebruik van het openbaar vervoer en de medische voorzieningen. De aantrekkingskracht van haar manier van leven zat hem misschien vooral in de suggestie dat je met veel minder, met een veel eenvoudiger leven, ook gelukkig, ja misschien zelfs wel gelukkiger zou kunnen zijn.

“'t Eenvoudig leven Gods is diep en klaar”, schreef Nijhoff en dat lijkt soms helemaal waar. Ontdaan van alle franje zou je bij de essentie terechtkomen, als vanzelf zou deze simpelheid ook vrede en rust in jezelf veroorzaken. Wat maar de vraag is - en nog meer de vraag als die eenvoud niet zelf gekozen zou zijn maar opgelegd of noodzaak.

De andere vrouw die in het programma aan het woord kwam, was in alles het tegendeel van de eenvoudige. Zij verkocht 'mooie dingen' en ze had ook haar eigen huis vol spullen: kandelaars, beelden, servies, een moderne keuken op sfeer gebracht met antiek. Ze sprak over de begeerte die ze had leren herkennen, de hebberigheid die zich soms bij het zien van een kastje, een ornament, een grote spiegel van mensen meester maakte en die ze zo wist te richten dat aanschaf meestal volgde. Ook zelf kende ze die kooplust, dat onweerstaanbare verlangen naar iets moois. Ze leefde van deze kennis. Natuurlijk was ze veel rijker dan de eenvoudige vrouw, ze was overduidelijk zeer well to do in haar Gooise villa en daardoor, zo gaat dat nu eenmaal, minder sympathiek dan zij met de zelfgemaakte zomerjurk en de heldere blauwe ogen.

Toch was ook deze vrouw niet onbegrijpelijk, en was haar hang om zich te omringen met wat ze mooi vond allerminst afstotelijk. Het enige waar voor te vrezen viel in haar geval was dat ze over een jaar of vijf allerlei andere dingen mooi zou vinden, dat haar huis een nieuwe stijl en sfeer zou moeten gaan ademen omdat deze passé zouden zijn geraakt - sommige mensen laten voortdurend hun interieur achter zich. Je vraagt je altijd af wat ze doen met de vorige spullen, en hoe ze het over hun hart kunnen verkijgen om alles waar ze eens aan hechtten nu aan vreemden of zelfs aan de vuilnis af te staan. De liefde houdt op, dat moet het wel zijn. De begerenswaardige krullerige kandelaar verandert in gedateerde kitsch, de kast met de rolluikdeur is van prettig strak, koud en kil geworden.

Ergens tussen die twee vrouwen in zal de juiste weg wel weer liggen. Iets dichter bij de eenvoudige toch. De koningin had het in haar kersttoespraak over zorg voor de dingen, over hoe slecht het is om consumptieproducten erdoor te jagen, om goederen aan te schaffen die binnen de kortste keren weer weg moeten. “Die kennelijke waardeloosheid van dingen roept onverschilligheid op”, zei ze. De dichters hebben het haar al jaren in allerlei toonaarden voorgezegd, door ze te benoemen en te bekijken, hoe weerloos de dingen zijn en hoe ze onze aandacht nodig hebben. Een glas bij voorbeeld: “Zo zichtbaar, en toch,/ geen spoor van herinnering, zo/ blijft het achter.” (Rutger Kopland: Dankzij de dingen).

Iedereen ziet wel eens hoe dingen ontwaarden, hoe bijvoorbeeld een computer van de ene dag op de andere verandert van een nuttige machine in vuilnis waar niemand meer enige belangstelling voor heeft, waardeloos geworden, de moeite van reparatie niet waard. Stuitend is dat, daar had de koningin helemaal gelijk in. En ook had ze gelijk in haar aanbeveling om zorgvuldig te zijn, met dingen, met mensen, met de omgeving.

Eigenlijk is het niet zo moeilijk: vele van ons hoeven niet te groeien, kunnen zelfs gemakkelijk een beetje krimpen ten gerieve van datgene (zorg, kunst, onderwijs) wat aandacht nodig heeft en van diegenen die juist wel moeten groeien. En dat we dan maar met zijn allen wat bewaarderiger worden, zuinig op onze spullen, zuinig op de sloten, de dijken, de kronkelige rivieren, het ooit zo bezongen wijde land, de ruime lucht. Zou de koningin ook zin hebben in de actiegroep 'Zuinig en zorgvuldig'?