Collectieve smetvrees

Armada, Tijdschrift voor wereldliteratuur. Nummer 9. Verschijnt 4 keer per jaar. Uitg. Wereldbibliotheek. Prijs ƒ 19,50.

Armada, tijdschrift voor wereldliteratuur, heeft het winternummer gewijd aan 'De andere negentiende eeuw', maar noch de inhoudsopgave, noch zorgvuldige lezing van de artikelen maakt duidelijk wat er met dat 'andere' wordt bedoeld. Wie een special verwacht over homoseksuele, feministische, zwarte of anderszins afwijkende negentiende-eeuwse literatuur komt in elk geval bedrogen uit. In het openingsartikel over Henry Longfellow, dat min of meer als inleiding dienst doet, schrijft Armada-redacteur en literatuurwetenschapper Hans Bertens: 'Bij een thema als 'De andere negentiende eeuw' vraag je je onwillekeurig af of dat wat we vergeten zijn niet terecht naar de kelders van de cultuur is afgevoerd om daar in depot op de jongste dag te wachten.'

Een nummer dus over vergeten negentiende-eeuwse literaire meesterwerken? Nee, ook dat niet. De medewerkers aan deze Armada stoffen volgens Bertens de plank met negentiende eeuwse literatuur niet alleen af om te laten zien dat er indertijd te gehaast of uit gemakzucht te negatief is geoordeeld, maar ook om de confrontatie te zoeken met het onbekende of niet meer bekende.

Iets confronterends of totaal onbekends kwam ik in de boeiende en meestal goed geschreven artikelen over onder anderen Friedrich Schlegel, Clemens Brentano, Nikolaj Gogol, George Eliot, Jules Vernes en Cécile Goekoop-de Jong van Beek en Donk niet tegen. Wel vormen de stukken samen een fraai palet van negentiende-eeuwse stromingen en wordt al lezend weer eens duidelijk hoezeer in de vorige eeuw grote maatschappelijke ontwikkelingen (zowel politieke als wetenschappelijke) de literatuur beïnvloedden.

Zo beschrijft Solange Leibovici welk immens belang negentiende-eeuwse utopisten als Jules Vernes en Camille Flammarion toekenden aan de reinheid van mensen en hun omgeving. In de jaren 1880-'85 werd de bacterie ontdekt en voltrok zich de Pasteuriaanse revolutie. Achter de reinheid van de utopisten school een mystiek verlangen naar zuiverheid, waarin de bacterie een symbolische voorstelling werd van het kwaad, ook in morele zin. Leibovici laat zien dat de bacterie een rol gaat spelen in de antisemitische metaforiek, bijvoorbeeld bij Edouard Drumont, die met zijn pamflet La fin du monde (1886) als één van de vaders van het moderne antisemitisme kan worden beschouwd. Het einde van de negentiende eeuw werd beheerst door een vorm van collectieve smetvrees, die nog lang heeft voortgewoekerd. In Mein Kampf bijvoorbeeld noemde Hitler 'de jood' niet voor niets 'een typische parasiet, die ten koste van zijn gastheer leeft, die zich als een schadelijk bacil over een groter terrein uitbreidt (...)'. Ook Céline is vanaf het begin van zijn carrière gefascineerd geweest door de strijd tegen bacillen, wat behalve uit zijn proefschrift ook blijkt uit zijn antisemitische pamfletten van de jaren dertig. Daaruit sprak de hygiënische preoccupatie om het onzichtbare kwaad aan te tonen en te vernietigen. Bagatelles pour un massacre (1937) steunt, aldus Leibovici, volledig op het obsessionele verlangen naar zuiverheid van de schrijver, die roept om 'schoonmaak', 'ontsmetting', 'desinfectie', 'perfecte sterilisatie à la Pasteur'. Ten slotte toont de auteur met citaten van Le Pens rechterhand en beoogd opvolger Bruno Mégret aan dat 'de bacterie' als racistische metafoor nog altijd niet is uitgeroeid.

Het meest curieuze artikel in Armada is van de hand van historica Mineke Bosch en handelt over de in 1897 verschenen tendens-roman Hilda van Suylenburg, geschreven door de feministe Cécile Goekoop-de Jong van Beek en Donk. Bosch wringt zich in vreemde bochten om dit uit historisch oogpunt interessante, maar literair nauwelijks te verteren boek dat vol staat met traktaatjes, op 'de ereplank van de Nederlandse literatuur te zetten'. De verdediging van Hilda van Suylenburg als literair meesterwerk gaat gepaard met een a-historische aanval op de Tachtigers ('een schreeuwerige groep jonge literatoren rond De Nieuwe Gids') aan wie de tendens-roman zijn negatieve waardering te danken zou hebben. Verder moet het naturalisme het ontgelden en de arme Louis Couperus die wegens zijn roman Langs lijnen van geleidelijkheid (1900) als bestrijder van het feminisme wordt neergezet. Cécile Goekoop-de Jong van Beek en Donk die haar puissant rijke Haagse echtgenoot verliet, heeft model gestaan voor Cornélie de Retz van Loo, hoofdpersoon van Langs lijnen van geleidelijkheid, vandaar.

Op zich is de parallel tussen Cécile en Cornélie een mooi en interessant literair-historisch verhaal. Merkwaardig is dat Mineke Bosch het en détail navertelt zonder bronvermelding. Haar bron is Tessel Pollmann, die in 1977 en in 1984 artikelen wijdde aan de relatie Goekoop-de Jong van Beek en Donk en Couperus' Langs lijnen van geleidelijkheid. Beide stukken zijn opgenomen als inleiding bij de door Bosch wel genoemde heruitgave van Hilda van Suylenburg in de historische reeks van Feministische Uitgeverij Sara uit 1984. Pollman kwam tot een andere conclusie dan Bosch. Zij vond Couperus' roman niet anti-feministisch, maar 'verlicht, liberaal en baanbrekend'.