Borodin Kwartet is half oud, half nieuw

Concert: Borodin Kwartet, m.m.v. Ludmilla Berlinskaya (piano). Gehoord: 4/1 Concertgebouw Amsterdam. Volgende concerten 8, 10/1.

In zijn 52-jarige bestaan veranderde het fameuze Borodin Kwartet, opgericht door Rostislav Dubinsky, verschillende malen van samenstelling. Alleen cellist Valentin Berlinsky maakt sinds de oprichting deel uit van het kwartet. Tweede violist Andrei Abramenkov doet al twintig jaar mee, primarius Ruben Aharonian en altviolist Igor Naidin pas sinds 1996.

Half oud, half nieuw blijkt het Borodin Kwartet toch niet meer over die unieke kwaliteiten te beschikken, die het ooit zo'n bijzonder ensemble maakten. Ook al zijn Aharonian en Naidin zondermeer uitstekende instrumentalisten, ze kennen niet het alchemistische geheim van die magische samenklank, die als een onverwoestbare zuil oprees zodra het kwartet begon te spelen. Die klank is er nog wel bij Berlinsky en Abramenkov, een klank zonder technische ruis of muzikale twijfel, een gouden klank, warm en intens maar ook volkomen vanzelfsprekend.

De veranderingen werden, in een programma met uitsluitend werken van Sjostakowitsj, vooral duidelijk tijdens de diffuse vertolking van het Pianokwintet in g (1940). Over de interpretatie had Sjostakowitsj strenge opvattingen, zoals blijkt uit de memoires van Mogilevsky, de cellist van het Glazunow Kwartet: “Wij, strijkers, wilden zingen, en met meer emotie spelen. Maar Sjostakowitsj benadrukte juist het constructieve, de motorische elementen, en imponeerde door de helderheid en de beweging van de muziek. Hij vroeg van ons een minimum aan vibrato. Bovendien, de snelle tempi maakten iedere vorm van overdrijving en een 'open' cantilene bij voorbaat onmogelijk.”

Pianiste Ludmilla Berlinskaya, dochter van de cellist, imponeerde met haar kernachtige en vitale interpretatie van het Pianokwintet, maar de strijkers deden soms denken aan een viervoetig dier op twee poten. Bij Berlinsky en Abramenkov was er die onverbloemde directheid, dat markante, en in lyrische passages dat schijnbaar onbewogene. Maar bij Aharonian en Naidin was er niet zoveel meer dan een gepolijste vertolking van noten. Aharonians Sjostakowitsj klonk onzeker, in plaats van melancholiek, bijtend en vol ironie. Naidin legde meer muzikaal gewicht in de schaal, maar ook hij durfde zich niet ongeremd uit te leveren aan de muziek. Berlinskaya leek nog het meest de kern te raken, vooral in het Scherzo waar ze met een hamerend toucher die xylofoon-achtige klanken produceerde waar Sjostakowitsj als pianist zo verliefd op was.

Altviolist Naidin is desondanks een belofte voor de toekomst, zo bleek uit zijn verfijnde en gedreven lezing van het Dertiende strijkkwartet. Kreeg de altviool in dit desolate kwartet een voorname rol toebedeeld, in het meer romantische Veertiende stijkkwartet overheerst de cello. Al is zijn intonatie niet meer helemaal perfect, de intensiteit waarmee Berlinsky zich op de partituur stortte was indrukwekkend en ontroerend.