Amerikaanse mini-zenders

Het bereik van hun kleine zenders is soms niet groter dan een paar stratenblokken. Maar de strijd die Amerikaanse radiorebellen in grote en kleine steden voeren tegen de autoriteiten, wordt in het hele land gevolgd. Micro-radio, zoals het verschijnsel van de lokale zendpiraten wordt genoemd, heeft een landelijk debat losgemaakt over de vraag of de regels voor het verstrekken van zendmachtigingen de vrijheid van meningsuiting niet te veel aan banden leggen.

De voorhoede van de groeiende beweging van illegale mini-zenders bevindt zich in het Californische Berkeley, de universiteitsstad die sinds de studentenprotesten van de jaren zestig nog altijd een traditie van opstandigheid probeert hoog te houden. Daar tart Stephen Dunifer, een veteraan van acties tégen de Golf-oorlog en vóór behoud van de Redwood-bossen, al vier jaar lang de overheid met zijn Free Radio Berkeley.

Het illegale station zendt een mengeling uit van nieuws, muziek, politiek commentaar in een handvol talen en een communistische talkshow. Dunifer heeft voor elkaar gekregen dat hij in de lucht mag blijven zolang een federale rechter onderzoekt of de landelijke commissie die zendmachtingen toewijst, Free Radio Berkeley het zwijgen mag opleggen.In Amerika moet een radiozender minimaal 100 Watt sterk zijn om voor een machtiging in aanmerking te komen. Volgens Dunifer werpt die regel een financiële barrière op die kleine, lokale initiatieven en arme groepen mensen buiten de ether houdt. Hierdoor zou hun grondwettelijk gegarandeerde recht op vrije meningsuiting op een ontoelaatbare manier worden ingeperkt. “Alleen mensen met geld kunnen zo hun stem laten horen.”

Dunifer voorziet in zijn levensonderhoud door in binnen- en buitenland bouwpaketten te verkopen, waarmee ook anderen zich toegang tot de ether kunnen verschaffen. Zo'n pakket, dat in een rugzak past, bevat een zender van 25 Watt en kost iets meer dan 1.000 dollar (ongeveer 2.000 gulden).

Naar schatting zijn er in de Verenigde Staten zo'n duizend illegale radio-zenders in de lucht, waaronder stations voor politieke en religieuze groeperingen, voor etnische minderheden in verpauperde binnensteden en voor liefhebbers van alledaagse nieuwtjes uit de buurt. Regelmatig grijpt de overheid in. Zo doekte de politie in het plaatsje Decatur, in Illinois, vorig jaar Black Liberation Radio op, een station voor Afro-Amerikanen dat volgens eigenaar Napoleon Williams aandacht besteedde aan armoede en wangedrag van de politie, omdat de zes commerciële stations in Decatur daar geen zendtijd voor inruimden. De afgelopen weken zijn ook stations in Boston en Tampa (Florida) uit de lucht gehaald.

Volgens Dunifer is het de lobby van grote commerciële zenders die de overheid aanspoort om de kleine stations het zwijgen op te leggen. Maar in de praktijk blijken ook de publieke, niet op winst gerichte zenders bezwaar te maken tegen de opkomst van micro-radio. Ze zien met lede ogen aan hoe hun signaal op steeds meer plaatsen gestoord wordt door kleine zenders op een naburige frequentie.

Als de Federal Communications Commission (FCC) meer stations toelaat op de FM-band, zo luidt hun argument, dan wordt de consument gedwongen om gevoeliger (en duurdere) apparatuur aan te schaffen, wil hij nog een heldere ontvangst krijgen. “Er is in deze wereld wel een plaats voor meneer Dunifer”, zei een geïrriteerde technicus van een publieke zender eens, “alleen is hij daar nog niet toe veroordeeld”.

Maar Dunifer, die in 1993 een boete van 20.000 dollar opgelegd kreeg die hij overigens nooit betaald heeft, beroept zich voor zijn burgerlijke ongehoorzaamheid op het eerste amendement bij de grondwet, dat vrijheid van meningsuiting garandeert. De belangenorganisatie van radio-en televisiestations brengt daar tegen in dat een grondwettelijk recht om uit te zenden nergens is vastgelegd.