Verborgen vooroordelen

Journal of Experimental Social Psychology. Volume 33, Nummer 5, September 1997. Special Issue on Unconscious Processes in Stereotyping and Prejudice. Guest Edited by Mahzarin R. Banaji. ISSN 0022-1031 Frequentie: tweemaandelijks. Gepubliceerd door Academic Press 6277 Sea Harbor Drive, Orlando, FL 32887-4900 Prijs: $295 VS en Canada; $335 alle andere landen. Ter inzage in veel universiteitsbibliotheken.

Onlangs werd nabij Toronto een bijeenkomst gehouden van de Person Memory Interest Group. Deze sociaal-psychologen onderzoeken niet alleen hoe mensen informatie over anderen onthouden, maar in het algemeen hoe mensen zich een indruk van elkaar vormen.

Voorafgaand aan haar lezing aldaar liet Mahzarin Banaji van Yale University een rij onder elkaar afgedrukte woorden zien, waarvan de helft een positieve en de helft een negatieve connotatie had: vrede, bom, depressie, feest, ziekte, enzovoorts. De psychologen in de zaal moesten, dit rijtje langsgaand, bij een positief woord de linkerknie aanraken en bij een negatief woord de rechterknie. Daarna toonde Banaji een lijst vrouwennamen; bij namen van zwarte vrouwen (bijvoorbeeld Kavita, Sunita) moest de linkerknie worden aangetikt, en bij namen van witte vrouwen (Margaret, Jenny) de rechterknie. Vervolgens werden woorden en namen door elkaar gehusseld, en moest bij een positief woord of een zwarte naam de linkerknie worden aangeraakt, en bij een negatief woord of een witte naam de rechterknie. Deze taak leverde een hoop gezucht en gesteun op; mensen maakten fouten en deden er lang over om de lijst af te werken.

Toen Banaji de spelregels veranderde, zodat bij een positief woord of een witte naam de linkerknie moest worden aangeraakt, en bij een negatief woord of een zwarte naam de rechterknie, bleek de taak - tot algemene ontzetting - weer verrassend eenvoudig. Onbewust, zo is de boodschap, is iedereen bevooroordeeld. Ondanks de goede bedoelingen die mensen menen te hebben, associëren ze witte mensen toch met positieve zaken en zwarte mensen met negatieve. Desgevraagd vertelde Banaji overigens dat, in één van haar studies, ook zwarte mensen onderhevig bleken te zijn aan dit verschijnsel.

Deze zelfde Banaji schreef, als deskundige op dit gebied, de inleiding in een themanummer van Journal of Experimental Social Psychology over onbewuste vormen van stereotypering en vooroordelen (september 1997). Dat JESP een themanummer wijdt aan dit onderwerp is niet verwonderlijk. Het tijdschrift staat erom bekend artikelen te publiceren met uitvoerige methode-secties, waarin alle details uit de doeken worden gedaan van zeer zorgvuldig opgezette onderzoeksdesigns. En omdat het per definitie onmogelijk is om rechtstreeks aan mensen te vragen wat ze er voor onbewuste vooroordelen op na houden, vraagt dit onderzoeksterrein om ingenieuze methodes om toch tot dit onbewuste te kunnen doordringen.

Hoe interessant het ook is om te constateren dat mensen bevooroordeeld kunnen zijn zonder dit te weten, belangrijker is het nog om je af te vragen in hoeverre impliciete, onbewuste vooroordelen zich kunnen uiten in feitelijk gedrag tegenover leden van een gestereotypeerde groep. Moeten we ons zorgen maken over onze onbewuste vooroordelen? Gelukkig komt ook deze kwestie in het themanummer aan de orde, het meest direct in een artikel van John Dovidio, Kerry Kawakami, Craig Johnson, Brenda Johnson en Adaiah Howard. Zij onderzochten de relatie tussen impliciete en expliciete stereotypering, en impliciet en expliciet bevooroordeeld gedrag. Ze begonnen hun experimenten met het bepalen van de mate waarin de deelnemers onbewust bevooroordeeld waren. Op een computerscherm werden subliminaal (gedurende maximaal 30 milliseconden) foto's getoond van gezichten van zwarte of witte mensen. Na elke foto werd - zichtbaar - een woord getoond, waarvan de (witte) deelnemers moesten zeggen of het een mens kon beschrijven. De helft van deze woorden bestond uit persoonseigenschappen ('aardig', 'onbetrouwbaar'). De maat voor impliciete stereotypering was de mate waarin deelnemers sneller reageerden op negatieve eigenschappen na subliminale aanbieding van een zwart gezicht dan een wit, gecombineerd met de mate waarin deelnemers sneller reageerden op positieve eigenschappen na subliminale aanbieding van een wit gezicht dan een zwart.

Na deze taak lieten de onderzoekers de deelnemers van uitspraken als 'Zwarten en blanken zouden eigenlijk niet met elkaar moeten trouwen' en 'Zwarten worden te veeleisend in hun strijd om gelijke rechten' aangeven in hoeverre ze het ermee eens waren. De score op deze racisme-vragenlijst levert een maat voor expliciete vooroordelen op. Vervolgens, in wat zogenaamd een ander onderzoek was, lieten de deelnemers zich interviewen door een zwart en door een wit meisje. De gesprekken werden op video opgenomen. Aan het eind van dit onderzoek beoordeelden de deelnemers hoe aardig en oprecht ze beide interviewers vonden.

Het bleek - weinig verrassend - dat de deelnemers de zwarte interviewer negatiever beoordeelden in verhouding tot de witte, naarmate ze blijkens de racisme-vragenlijst meer bevooroordeeld waren. De onbewuste, impliciete vooroordelen hielden geen verband met de oordelen over de interviewer. Wel was er een relatie tussen de onbewuste vooroordelen van de deelnemers en hun non-verbale gedrag: deelnemers die onbewust meer bevooroordeeld waren keken de zwarte interviewer minder vaak recht aan dan de witte en knipperden tegenover de zwarte interviewer vaker met hun ogen tijdens het interview.

De onderzoekers concluderen dat onbewuste vooroordelen wel degelijk tot uiting komen, maar slechts in gedrag dat niet onder bewuste controle staat. Juist via non-verbaal gedrag wordt echter vaak overgebracht of we iemand aardig vinden of niet. Daarom zouden onze onbewuste vooroordelen ons wel degelijk zorgen moeten baren. Gelukkig melden de auteurs dat er ook onderzoek op gang begint te komen naar manieren om mensen zich van deze associaties bewust te maken, zodat ze kunnen proberen ze in hun gedrag te onderdrukken.