Twee Nederlandse gezelschappen spelen Goethe's 'Faust'; Worstelen met verliefde engeltjes

In Duitsland bestaat een eerbiedwaardige Faust-traditie, maar in Nederland en Vlaanderen wordt Goethe's tragedie zelden opgevoerd. Bart Van den Eynde van Het Zuidelijk Toneel bewerkte nu Faust I, Martijn Nieuwerf maakt met 't Barre Land een Faust II. Beide voorstellingen gaan binnenkort in première.

'Faust I' gaat in deSingel in Antwerpen in première en de tournee loopt van 4 januari t/m 14 maart; inl (040) 233 36 26.

'Faust II' start in de Haarlemse Toneelschuur; tournee van 4 maart t/m 2 mei; inl 030-2316142

AMSTERDAM, 3 JAN. Voor het toneel lijkt Goethe's Faust op het eerste gezicht niet geschikt: het tweedelige opus, waaraan de auteur zestig jaar zwoegde, laat zich eerder lezen als een lang en brokkelig filosofisch gedicht. Hoe verder je komt in de Faust, des te grilliger wordt het verhaal, en de wezens die Faust op zijn reis ontmoet worden almaar onaardser.

Faust is op zoek naar de volmaakte kennis en meer nog naar het volmaakte moment. De duivel Mephistopheles wil hem daarbij best helpen, op voorwaarde dat Faust zijn ziel aan hem afstaat zodra dit ultieme ogenblik daar is. Is het misschien juist de spanning tussen die onvolmaakte vorm en de naar volmaaktheid strevende inhoud waardoor sommige theatermakers het toch niet kunnen laten de Faust in scène te zetten?

Hoe kleurrijk de queeste van Goethe's geesteskind op de bühne kan uitpakken bleek eerder uit opvoeringen van Peter Stein in Duitsland en, alweer twaalf jaar geleden, bij de Haagse Toneelgroep De Appel. Vormgever Tom Schenk en regisseur Hans Croiset brachten het publiek toen in verrukking met opwindende special effects, waarbij heksen op knetterende motorfietsen de piste binnenstoven en goden langs katrollen op de aarde neerdaalden. Dit jaar wagen twee andere Nederlandse gezelschappen zich aan een verbeelding van de Faust: Het Zuidelijk Toneel uit Eindhoven komt op 6 januari met de première van Faust I terwijl 't Barre Land uit Utrecht de Faust II doet; première op 6 maart. Gastregisseur bij beide gezelschappen is de Vlaming Guy Cassiers.

Cassiers bewerkte de Faust I samen met Bart Van den Eynde. In het Antwerpse theater waar de première plaats zal vinden zijn de acteurs al druk aan het repeteren. De jonge spelers van 't Barre Land hebben er nog geen flauw idee van wie van hen Faust en wie Mephisto zal spelen; het kan ook zijn dat ze die twee personages gaan samenvoegen... Ervaring hebben ze wel met Goethe: eerder maakten zij een frisse Götz von Berlichingen en een Torquato Tasso. Vijf acteurs van 't Barre Land zijn nu bezig met de bewerking van de Faust II en als die min of meer af is gaan ze elkaar eerst een poosje zelf regisseren voordat Cassiers erbij komt om hen van advies te voorzien.

Twee Fausten dus en, ondanks die ene regisseur, twee totaal verschillende manieren van werken, die tot verschillende keuzes leiden. “Wij”, zegt Van den Eynde in zijn Antwerpse woning, “maken gebruik van twee ouderwetse vertalingen, een Hollandse voor meneer Faust en een Vlaamse voor de overige figuren. Die archaïsche taaltjes klinken mooi en versterken de vreemdheid van het stuk.”

Hoe moet ik leven? Het is deze vraag, meent Van den Eynde, die Faust in beweging zet. “Jarenlang heeft hij zich in zijn studeerkamer opgesloten. Hij weet dat dat niet goed is en de zoektocht die Faust aan de hand van Mephisto onderneemt is een eerste poging om in contact te komen met de mensen. Maar hij doet dat halfslachtig, hij engageert zich te weinig, en daarom loopt het helemaal fout. Wat Greetje, die met rampzalige gevolgen door Faust wordt verleid, over Mephisto zegt gaat ook op voor de hoofdpersoon: 'Men ziet dat hij aan niets een aandeel neemt,/ Het staat op 't voorhoofd hem geschreven,/ Dat hij aan geene ziel zijn liefde konde geven'.”

Het begin van Faust I, waarin de held breekt met zijn kamergeleerdenverleden, heet bij Van den Eynde 'het existentiële drama'. “En het tweede deel, vanaf de opkomst van Mephistopheles, noem ik 'de schalkenkomedie'. Het interessantst is daarin de interactie tussen Faust en Mephisto, het vertrouwen dat in wantrouwen omslaat en vice versa. Het derde deel ten slotte duid ik aan met 'de Gretchen-tragedie'.” Zo, door vlijtig te nummeren, probeert de bewerker greep op de materie te krijgen.

Ook Martijn Nieuwerf van 't Barre Land zoekt houvast bij een relatief simpel schema. “Faust II”, licht deze acteur en ex-theaterwetenschapper toe, “bestaat voor mij uit vijf orgieën. Een orgie is een soort explosie en zo zit het ook met Faust: hij streeft zóveel na, gaat zó ver dat-ie alles kapotmaakt. Het eerste bedrijf met al zijn wereldse hofscènes is voor mij een orgie van het geld, de economie en de lusten. Het tweede een orgie van kennis en wetenschap: er wordt een reageerbuismensje gemaakt, de homunculus, die op de zee kapotslaat. Waarna een tocht begint door de klassieke oudheid.

“Dat derde bedrijf noemen wij de orgie van het verhevene, de verbeelding, de poëzie. In zijn verbeelding kan Faust de schone Helena bereiken en uit hun liefde wordt Euphorion geboren, een kind dat hoger en hoger springt - tot het te pletter slaat. Nu heeft Faust zowel de platvloerse als de ideale wereld leren kennen en gaat hij op zoek naar een plek om die ideale wereld voor zichzelf te verwezenlijken. In het vierde bedrijf heb je daar nog eventjes een oorlog voor nodig, want Faust moet een stuk land zien te krijgen: dat deel is een orgie van geweld. En het laatste bedrijf is een orgie van werken, van doen, die twee onschuldige oudjes het leven kost.”

Bart Van den Eynde en Martijn Nieuwerf worstelen allebei met Goethe's happy end. “Goethe noemt zijn Faust I een tragedie. En inderdaad”, peinst Van den Eynde, “verliest Greetje door toedoen van Faust haar baby en haar familie. Maar op het laatste moment zorgt Goethe ervoor dat een hemelse stem het geruïneerde meisje redt. Is dat tragisch: nee toch?” En Nieuwerf: “Van die hele problematische Faust II kost het christelijke einde mij de meeste hoofdbrekens. Waarom stuurt Goethe zijn Faust zo gretig naar de hemel, nota bene begeleid door een engelenkoor? En zelfs Mephisto wordt door de hemelse liefde aangestoken, hij kijkt zo verliefd naar die engeltjes. Ik weet niet of wij dat erin houden, hoor.”

Waarschijnlijk zijn wij twintigste-eeuwers te cynisch voor zo'n braaf slot - maar de twee bewerkers protesteren krachtig tegen de suggestie dat dit einde de complete Faust een oubollige aura zou geven. “Alleen al aan Faust I”, memoreert Van den Eynde, “heeft Goethe meer dan een kwart eeuw gewerkt; hij begon met een duidelijke visie en kwam toen steeds meer struikelblokken tegen. De ene keer moet hij sympathie voor Faust hebben gevoeld, de andere keer grote weerzin, al naar gelang de veranderingen die zijn eigen opvattingen ondergingen. Juist die tegenstrijdigheden maken het stuk modern.”

“Faust gaat over de klassieke, de romantische en de moderne mens”, zegt Martijn Nieuwerf beslist. “Waarbij die moderne mens alles tegelijk is, want het klassieke schoonheidsideaal en het romantische verlangen naar absoluut geluk zijn nog springlevend. Wij zeggen: Faust is een extreem nieuwsgierige man en dat maakt hem jong; hij zoekt de hoogste kick, de kick waar je spontaan van doodgaat. Wij zeggen ook: Mephisto is een stem in jezelf. En dan bedoel ik niet alleen een destructieve stem maar ook een stem die je stimuleert om de strijd met je angsten aan te gaan. Wanneer je je voorstelt dat de duivel en de goden en geesten die Goethe erbij haalt diep in jezelf zitten, dan is het stuk ineens niet meer zo ouderwets.”