Student moet leren leven van een krappe kas

Wie meer wil weten over de kosten van studeren kan Elseviers Belasting Almanak, ISBN 90 6882 274 8, of de Geldgids voor scholieren en studenten, 97/98 ISBN 90 200 1945 7 raadplegen.

De schoolonderzoeken zijn weer volop aan de gang. Over minder dan een half jaar kan het felbegeerde eindexamen behaald worden. Voor veel jongeren breekt een nieuwe uitdagende periode aan, waarbij er heel wat gaat veranderen. Verhuizen naar een andere stad, nieuwe vrienden maken, wennen aan zelfstandig studeren, boodschappen doen, koken en zelf de kas beheren.

Studeren kost veel geld, de meeste studenten moeten rondkomen van een bescheiden budget. Het is vaak een hele kunst goed met het beschikbare geld om te gaan.

Voor de meeste opleidingen valt de student in principe onder het beurzenstelsel van de Wet op de Studiefinanciering (WSF 18+). De beurzen zijn een gift, de lening moet terugbetaald worden. Dit geldt voor het hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs. Voor het middelbaar beroepsonderwijs geldt de regeling als de student 18 jaar wordt. Om in aanmerking te komen voor studiefinanciering moet de student aan drie voorwaarden voldoen: leeftijd, nationaliteit en het soort onderwijs. Met ingang van het studiejaar 1996/1997 hoeft de student voor het Hoger Beroepsonderwijs (HBO) en het Wetenschappelijk Onderwijs (WO) de leeftijd van 18 jaar nog niet bereikt te hebben om in aanmerking te komen. Wel krijgt de student van 18 jaar en ouder meteen bij de aanvang van de studie recht op studiefinanciering en de student die nog geen 18 jaar oud is vanaf het eerste volle kwartaal. Als de studie in dat geval per 1 september wordt aangevangen, ontstaat het recht op studiefinanciering op 1 oktober.

Met ingang van de maand na de 27ste verjaardag van de studerende vervalt het recht op studiefinanciering. De lopende studiefinanciering kan dan in bepaalde gevallen nog als lening voortgezet worden. De WSF dateert uit 1986 en is daarna veelvuldig op onderdelen gewijzigd. De wijzigingen houden vooral versoberingen in. Deze zijn ingegeven om de studiefinanciering betaalbaar te houden.

Tot augustus 1997 studeerden mensen aan universiteit of hogeschool onder drie verschillende regelingen. Wie zijn studie was begonnen voor 1 augustus 1991 had recht op maximaal zes jaar studiefinanciering. Wie is begonnen na 1 augustus 1991 heeft recht op maximaal vijf jaar studiefinanciering en mag daarna nog twee jaar lenen.

De twee bovengenoemde regelingen zijn de zogenaamde tempobeurzen, waarbij jaarlijks 21 studiepunten behaald moeten worden. Dit is de helft van het normale aantal studiepunten in het betreffende studiejaar. Als het niet zo mee zit met het studieresultaat, wordt de beurs omgezet in een lening. Maar als er in het zwakke jaar ten minste 10 studiepunten zijn behaald, kan de lening (mits het resultaat in volgende jaren ingehaald wordt) weer worden omgezet in een beurs.

Vanaf 1 augustus 1996 hebben nieuwe studenten te maken met de prestatiebeurs. Hierbij wordt primair een lening verstrekt. Als er in het eerste jaar minimaal 21 punten zijn behaald, wordt de lening omgezet in een beurs. Als er in het eerste jaar ten minste 10 punten behaald zijn, wordt de lening alsnog in een beurs omgezet als de studie in vier jaar wordt afgerond. Als de studie binnen zes jaar wordt afgerond, worden het tweede, derde en vierde jaar in een beurs omgezet. De laatste twee van de zes jaar kan vervolgens geleend worden.

Het bedrag dat een student nodig heeft volgens de overheid is gebaseerd op het zogenaamde studiebudget. Er wordt rekening gehouden met het collegegeld (voor 1998/1999 2750 gulden), de uitgaven van boeken en leermiddelen, een ziektekostenverzekering en de kosten van leven en wonen. Uitwonende studenten hebben recht op een hogere beurs dan thuiswonende studenten.

In 1997 werd een buitenshuiswonende HBO- of WO-student geacht rond te kunnen komen van maximaal 1198 gulden per maand. Inclusief collegegeld, boeken, kamerhuur en ziektekostenverzekering is dit niet bepaald een vetpot. Studenten mogen 15.000 gulden netto per jaar bijverdienen zonder dat hun basisbeurs in gevaar komt. Als studenten bijverdienen, moeten zij belasting betalen. De basisbeurs is vrijgesteld van belastingheffing. Dit geldt niet voor de van het inkomen van de ouders afhankelijke aanvullende beurs: hiervan moet 45 procent bij het inkomen van de student geteld worden.

De studiefinanciering is opgebouwd uit drie componenten. Dit zijn de basisbeurs, die 425 gulden voor een uitwonende student bedraagt, de aanvullende beurs als het inkomen van de ouders daartoe aanleiding geeft en het bedrag dat bijgeleend kan worden. Bij elkaar is dit bedrag nooit hoger dan het budgetbedrag van 1198 gulden.

De student kan onafhankelijk van het inkomen van de ouders lenen. Dit geldt voor de gehele aanvullende financiering bovenop de basisbeurs. Deze lening moet later met rente terugbetaald worden in maximaal 15 jaar. Het rentebedrag is fiscaal aftrekbaar. Als de afgestudeerde geen baan vindt of een zeer laag inkomen houdt kan hij gebruik maken van de 'draagkrachtregeling'. Daarbij vermindert het af te lossen bedrag of wordt de lening kwijtgescholden.

Veel mensen zijn bang om zich met een studielening in de schulden te steken. Het is de vraag of dat terecht is: studeren is investeren in de toekomst. De dienstenmaatschappij heeft steeds meer behoefte aan goed opgeleide mensen. Ook opleidingen waarbij het maatschappelijk nut bij de aanvang van de studie niet groot lijkt, blijken later in een behoefte te voorzien.