SOEHARTO-FANCLUB (3)

Volgens de heer Tindemans, blijkens zijn ingezonden brief in W&O van 20 december, zou de enige reden van niet deelname van de Groninger universiteit aan het op te richten Islam-centrum zijn geweest dat zij “geen geld wil investeren in een andere plaats dan Groningen”.

Andere deelnemers aan de vergadering van 3 oktober, waaronder ikzelf, herinneren zich dat Dr. M.A. Kooijman als reden voor het afhaken van de RUG noemde dat het hem uit het toen voorliggende constituerende document (N.B.: in het Engels!) en uit de besprekingen duidelijk was geworden dat er niet gestreefd werd naar echte institutionele en inhoudelijke samenwerking met de in Nederland aanwezige wetenschappers en wetenschappelijke verbanden op het terrein van de islamologie. En dat dus Groningen daaraan niet mee zou doen. Als de universiteit van Groningen zo benepen was als de heer Tindemans suggereert, dan zou zij natuurlijk niet eens aan de gesprekken over het Islam-centrum hebben willen deel nemen. Evenals vele andere Nederlandse wetenschappers op het terrein van de islamologie heb ik vanaf het begin erop vertrouwd dat er constructief zou kunnen worden samengewerkt met het op te richten Islamcentrum. Dat vertrouwen is door wat er tot nu toe is gebeurd behoorlijk aangetast; het dédain waarmee telkens weer over de Nederlandse islamologie, die ondanks de onderfinanciering van de laatste vijftien jaar toch een behoorlijke internationale reputatie geniet, werd gesproken en geschreven doet het ergste vrezen. Niettemin blijf ik nog steeds het beste hopen. Gelukkig heeft de heer Tindemans bij mij alvast één bang vermoeden weggenomen. Het vermoeden namelijk dat er achter de grote nadruk op Zuid-Oost Azië en vooral Indonesië iets anders dan alleen maar wetenschappelijke belangstelling voor de islam daar zou steken. Als gewoon arabist-islamoloog zou je eigenlijk verwacht hebben dat zo'n Nederlands Islamcentrum zich vooral op de islam in Europa en de aangrenzende gebieden, rondom de Middellandse Zee, zou richten. Een terrein waarop de huidige Nederlandse islamologie een zeer behoorlijke, en door vakgenoten buiten ons land ook erkende expertise, kan laten zien. Sinds de dekolonisatie is Zuid-Oost Azie wat minder in het centrum van de Nederlandse wetenschappelijke belangstelling voor de islam gekomen. Gelukkig is mijn bange vermoeden “totaal onzinnig” geweest, maar ik kan de heer Tindemans verzekeren dat een dergelijk vermoeden bepaald niet alleen bij mij heeft geleefd. Dat een groot deel van het artikel van Dirk van Delft in het teken van dat vermoeden (en niet 'beschuldiging') zou staan geeft mij te veel eer; de vele kritische opmerkingen van anderen die in het artikel worden aangehaald heeft de heer Tindemans kennelijk nog steeds niet tot zich laten doordringen.