Sneller, sneller gaat de trein

Van langdurig lopen in regenwoud word je een beetje gek. Dat is niet onaangenaam. Zomaar uit het niets schiet door mijn doorweekte hoofd, in het Kayan Mentarang Nationaal Park in het binnenland van Borneo: 'Evenzogoed leg ik om half elf al te matten in de Ferdinand Bol, meneer Sonneberg', met die haarscherpe dictie van Wim Sonneveld.

Waarom die zin? Lang nadenken legt de verbinding. 'Dat doe je verkeerd' had ik bij mezelf gezegd op een dom gekozen plek om door een snel en diep stromende beek te waden. En daarop volgde: 'Dat moet je een ander laten doen' uit de Carmiggelt / Sonneveld-conference. En dus ook de rest.

Dat moet je een ander laten doen. Het wordt een terugkerende tekstflard, wanneer door termieten aangevreten boompjes naast steile modderpaden het onder de greep van een steun zoekende hand begeven. Of bloedzuigers werkelijk vervelende plekken gevonden hebben voor een picknick.

Ook anderen hebben die ervaring: regenwoud doet rare dingen met je hoofd. Zelfs een oerdegelijke National Geographic-journalist liet een stuk over zo'n bostocht verzanden in verward geraaskal. Eentonige veelvormigheid, lichamelijke inspanning zonder belonende momenten met het zien van dieren of verre uitzichten die je buiten jezelf trekken. Blijkbaar besluiten de denkhersenen, omdat de motorische collega's zo lekker bezig zijn, zichzelf te onderhouden. Met eigen verkenningstochtjes naar afgelegen, zelden bezochte plekken. Lopend in het spoor van een blootvoetse Dayak met gaten in de gerekte oorlellen waar een ei doorheen past, en luisterend naar het geluid van neushoornvogels, betrap ik mezelf er op dat ik zoveel mogelijk namen probeer te achterhalen van het onvolprezen KRO-orkest 'De Boertjes-van-Buut'n' - toch ook alweer uit de jaren zeventig. De stem van Ted de Braak die solisten roemt schalt door mijn hoofd, terwijl je daar toch liever nuttiger dingen aan zou treffen.

Redmond O'Hanlon beleefde op een tocht niet ver hier vandaan kinderlijk plezier aan het eindeloos herhalen van een zelfgemaakt rijmpje. Bij mij hechten zich nu weer twee regels van een liedje hardnekkig vast, als het tempo en de valpartijen toenemen: 'Sneller, sneller gaat de trein, van Wiezje naar Wozje'. Tot diepe inzichten leidt die hersenactiviteit niet, maar je vermaakt je wel.

Gaandeweg wordt het pad drukker. Een koningscobra glijdt angstig kijkend weg, een zwarte schorpioen verdwijnt als prooi in een alcoholpotje van een wetenschappelijke tochtgenoot. Hij zwaait vanachter het glas nog lang, als in een roes, met de scharen en steekstaart. Van twee gezochte soorten vinden we geen spoor, maar daar hadden we ook niet echt op gerekend. Het omringende, hooggelegen en sterk heuvelachtige woud was nooit eersteklas orang-oetangebied.

Niettemin worden die mensapen hier wel eens gezien. Ze worden soms door Dayak-jagers geschoten en gegeten, vertelt men in dorpen spontaan. Niet iedere natuurbeschermer vindt dat een groot probleem. Want waarschijnlijk gaat het niet om dieren die hier van oorsprong leefden, maar om milieuvluchtelingen uit aanpalend, kaalgekapt Maleisisch bosgebied. Kortom, een verzachtende omstandigheid. Ik hoop dat die orang-oetans dat ook begrijpen.

Diezelfde no-nonsensehouding vindt je soms tegenover een andere diersoort. Een enkele Sumatraanse neushoorn, lid van een soort die in handboeken al wat voorbarig voor Kalimantan uitgestorven genoemd wordt, komt hier nog rondtrekken, zich moeite troostend om menselijke drukte te ontlopen. De Indonesische regering heeft een bewonderenswaardig streng jachtverbod afgekondigd, en belangrijker: de bewoners daarvan ook per brief op de hoogte gesteld. Voor andere gerichte beschermingsmaatregelen loopt men niet al te warm - er is zoveel meer te doen en de tijd dringt ook voor andere zaken. Rekenende natuurbeschermers achten een populatie van twee, drie resterende dieren in een enorm gebied niet levensvatbaar. Terwijl toch ook zou kunnen gelden: the show is not over till the last rhino sings.

Ondanks het zuigen op Haagse Hopjes met cafeïne, plaatselijk in Aziatische imitatievorm te koop, wordt de geest blijvend troebel. Zo zie ik naast een grotendeels overwoekerd pad een hoogst Hollands voorwerp liggen. Er zal ongetwijfeld een vakterm voor bestaan, maar noem het een blokfluitontstopper. Een pluizige katoenen cilindervorm aan ijzerdraad die in het instrument kan worden gestoken ter verwijdering van etensresten. Snel gaan de zenuwbanen de mogelijkheden af: hoe komt dit nuttige onderdeel van het Nederlandse muziekleven in een Borneo-bos terecht. Net als de eerste antwoorden worden geconstrueerd (een in blokfluitspel bedreven zendeling wiens spullen na overlijden nog lang eerbiedig zijn bewaard door een godvruchtige stamoudste, maar nu als gevolg van de oprukkende islamisering alsnog in het bos zijn geworpen, waarna het woelen door een wild varken de blokfluitontstopper alsnog richting pad heeft doen rollen - een zwijn dat vermoedelijk zich vanaf dit pad in het bos begaf, want alle dieren waarderen de mensenpaden erg - wat zou je zonder mensen moeten beginnen?) begint de ontstopper te bewegen - het is een enorme rups van een al even buiten proportie uitvergrote vogelvlinder, met wijd uitstaande kleurige haren.