Lessen van de Aziatische crisis; China is gewaarschuwd

De Aziatische crisis komt niet voor elk land in de regio even hard aan, en daar zijn goede redenen voor te geven. En als het meezit zal de crisis China behoeden voor de Zuid-Koreaanse dwaalweg, die het land tot nu toe zo aantrekkelijk leek. Er zijn aanwijzingen dat het partij-establishment de les ter harte wil nemen.

Een van de meest opmerkelijke aspecten van de Aziatische financiële crisis is dat die de regio in tweeën gespleten heeft. Aan de ene kant is er de Chinese wereld - China, Taiwan, Hongkong en Singapore - die wel wat schade heeft opgelopen en nog een tijd met de repercussies zal kampen maar de vier zijn er relatief onbeschadigd uit gekomen. Dan is er de rest, Thailand, Maleisië, Indonesië, de Filipijnen, Zuid-Korea en nota bene Japan, die allen veel harder getroffen zijn en naar schatting twee, drie jaar nodig zullen hebben om er bovenop te komen. Er is nog een derde groep: Birma, Vietnam, Cambodja en Laos, maar daar is de moderne economische ontwikkeling heel laat begonnen en is vooralsnog van te weinig gewicht.

Vele waarnemers en commentatoren, met name in de Verenigde Staten hebben met triomf en leedvermaak gereageerd, Azië's moralistische superioriteitswaan, de zogenaamde Aziatische Waarden gedesavoueerd als volksverlakkerij en Amerikaans globalistisch, compleet vrije marktkapitalisme aangeprezen als de enige weg naar economische volwassenheid en duurzame welvaart. Het Oost-Aziatische Model van Economische Ontwikkeling is in diskrediet geraakt. De vraag is echter: welk Oost-Aziatische Model of welke variant ervan?

Een Wereldbankpublicatie van 1993 'The East Asian Miracle: Economic Growth and Public Policy' omschrijft het Oost-Aziatische model als een ontwikkelingsstrategie met sterk socialistische - maar niet sociaal-democratische - kenmerken: dominantie van machtige politiek vrijgestelde technocraten die een zeer interventionistisch beleid voeren. In wezen was het staatskapitalisme, gekenmerkt door landhervormingen, sociale woningbouw, actieve regulatie van inkomensverschillen, hoge investeringen gefinancierd door hoge gedwongen spaarquotes, vergaande veelal ondoorzichtige overheidsprotectie en dirigisme ook in de privésector en een afgeschermde thuismarkt.

De schrijvers van de Wereldbankstudie merkten op dat zij niet volledig ontdekt hadden waarom de Oost-Aziatische regeringen er beter dan regeringen elders in geslaagd zijn zich aan te passen. Nu, vier jaar later is het op spectaculaire wijze duidelijk geworden dat een aantal regeringen hun financiële instituties in elk geval níet aangepast hebben. Japan, de oorspronkelijke pionier van het model, de hoofdgans die aan het hoofd van de ganzenformatie vloog, kampt al sinds eind jaren tachtig met een bank- en beurscrisis als gevolg van het roekeloos lenen, met name aan onroerend goed-ontwikkelaars in heel Azië en Amerika.

Japan werd in betere tijden gevolgd door de vier kleinere ganzen, beter bekend als de 'tijgers': Zuid-Korea, Taiwan, Hongkong en Singapore. Daarvan is alleen de grootste, Zuid-Korea, in diepe crisis. Dat land heeft zich in zijn grenzeloze ambitie om alsmaar groter te worden letterlijk te pletter geleend - voornamelijk (26 miljard dollar) van Japanse banken - om de megalomane expansie van zijn conglomeraten, de chaebols te financieren.

Singapore en Hongkong is het ergste bespaard dankzij een goed financieel toezicht en gedisciplineerde, niet-corrupte regeringen. Ook Taiwan is in goede gezondheid gebleven ondanks wat oppervlakte-schrammen. In tegenstelling tot Zuid-Korea met zijn chaebols zijn kleine en middelgrote familiebedrijven de ruggegraat van de Taiwanese economie. Zij hebben hun eigen groei grotendeels uit besparingen gefinancierd.

Van een Koreaans domino-effect binnen de 'Bende van Vier Tijgers' is dus geen sprake geweest en evenmin kan men zeggen dat het Oost-Aziatische Mirakel, althans de Chinese versie daarvan weggevaagd is. Het meest complex is het effect van de crisis op China, historisch de 'moeder van alle tijgers'. Als ontwikkelingsland dat tot de lagere inkomensgroep behoort heeft China meer gemeen met Thailand en andere Zuidoost-Aziatische landen dan met het ethnisch verwante, maar economische geavanceerde Hongkong en Taiwan. Net als in Thailand, Maleisië en Indonesië heeft China een gebrekkig financieel systeem waar de (staats-)kapitaalallocatie in belangrijke mate bepaald wordt door nepotisme en gevestigde politieke belangen. China is (na de VS) weliswaar de op een na grootste ontvanger van buitenlandse investeringen, maar dat zijn vrijwel uitsluitend directe investeringen voor doorgaans 30 jaar in joint ventures waar de beslissingen tevens genomen worden door de buitenlandse partner. Buitenlandse investeringen in heel Azië zullen teruglopen maar volgens alle prognoses zal China het leeuwendeel blijven ontvangen.

China's buitenlandse schuld is 116 miljard dollar waarvan slechts 10 procent kortlopend is en de snel stijgende deviezenreserves zijn 134 miljard. Het handelsoverschot gedurende de eerste elf maanden van dit jaar was maar liefst 40 miljard dollar. De Chinese munt, de renminbi is alleen convertibel op de lopende rekening maar niet op de kapitaalrekening, zodat zij onaantastbaar is voor valutahandelaren. China heeft - in tegenstelling tot Zuidoost-Azië - vrijwel gesloten kapitaalmarkten. Aan de beurzen van Shanghai en Shenzhen bestaan kleine markten voor B-shares voor buitenlanders maar de veel grotere A-share markten zijn gesloten. Vandaar dat er geen stuwmeren aan beleggingen van buitenlandse effectenhuizen in China bestonden, die toen het eenmaal mis bleek te zijn - zoals in Thailand - in één klap konden worden teruggetrokken.

Om deze redenen is China de dans ontsprongen. Maar dat betekent niet dat het crisisvrij blijft. Om de (semi-)ontwikkelde Aziatische landen in te halen moet China nog decennia lang hoge groeipercentages behalen en daarvoor zal het eveneens gigantische hoeveelheden buitenlandse beleggingen nodig hebben. Maar het heeft nog een lange weg af te leggen in termen van knowhow, wetgeving, regulatie en supervisie voordat het grootschalig beleggingskapitaal voor zijn ontwikkeling kan aanwenden. Het belangrijkste financieringsinstrument in China zijn bankleningen. Het merendeel van de staatsbedrijven draait op bankleningen, niet voor expansie, maar zelfs om lonen uit te betalen. Anders dan in Zuid-Korea lenen bedrijven en binnenlandse banken in China niet van buitenlandse banken. Chinese banken staan er met 20 procent van het BNP aan slechte leningen beroerder voor dan Japanse banken (acht procent). In het relatief open Japan was het niet meer te verhullen. In het gesloten Chinese labyrinth lukt dat nog wel even maar met toenemend risico voor een implosie. Maar zelfs als het in China tot een dramatische ontknoping komt, dan blijft het een binnenlandse crisis.

Chinese banken hebben 200 miljard dollar, 70 procent van alle binnenlandse kredieten aan niet terugvorderbare leningen uitstaan, hoofdzakelijk bij verlies lijdende staatsbedrijven en verder in half afgebouwde onroerend goed-projecten. Chinese banken zijn dan ook technisch gesproken failliet. Een bankcrisis ligt als een tijdbom onder de Chinese economie. Het belangrijkste vangnet is de hoge spaarquote van de gemiddelde Chinese burger die 40 procent van zijn lage inkomen spaart en dat bij de bank deponeert. Ontevredenheid als gevolg van bedrijfssluitingen, werkloosheid en gebrekkige sociale voorzieningen neemt toe. Als er een run op banken zou komen zoals in augustus 1988 en spaarders hun tegoeden massaal zouden terugtrekken, dan is de ellende niet te overzien.

De grote ironie is dat China voor de oplossing van de crisis in de staatsbedrijven de vorming van mammoet-conglomeraten naar Zuid-Koreaans model nastreeft. De Chinese taal heeft er een nieuw woord jituanhua (conglomeratisering) voor geïntroduceerd. Uit vrees voor de sociale gevolgen van faillissementen moesten sterke en minder sterke bedrijven door 'huwelijk en adoptie' worden samengevoegd en conglomeraten vormen. Door de omvang van hun land en het visioen dat hun economie binnen enkele decennia de grootste van de wereld zal zijn, worden de Chinezen geobsedeerd door het idee dat 'mega-groot' ook goed en mooi is. Net als de Zuid-Koreaanse chaebols moesten de Chinese conglomeraten (jituan gongsi) met financiële injecties van de staat en spectaculaire emissies op de beurs van Hongkong op korte termijn uitgroeien tot een reeks Chinese multinationals die met Fortune 500 Companies zouden gaan concurreren. Dat was nog het idee op het partijcongres in september waar president en partijleider Jiang Zemin zei dat het niet meer uitmaakte hoeveel procent van de economie door de staat beheerst werd, zolang de staat de belangrijke strategische industrieën zoals mijnbouw, staal, olie, chemie en graan maar in handen houdt. Deze sectoren moeten door 500 monsterlijke conglomeraten gedomineerd worden, waarvan de bestuurders politiek invloedrijke families zullen zijn, onder andere de kinderen van China's topleiders, de zogenaamde 'rode prinsen'. Het idee was dat de communistische oligarchie zo haar belangen voor de komende generaties veilig zou kunnen stellen in een staat die steeds meer 'nationaal corporatisme' in plaats van communisme als ideologie heeft.

De hoop is nu dat het Koreaanse debacle de Chinese hervormers op andere ideeën zal brengen en hen zal inspireren alternatieven voor chaebolisering te vinden. Fred Hu, research-directeur bij Goldman Sachs in Hongkong schreef dezer dagen in de Asian Wall Street Journal dat China een beter model voor bedrijfsorganisatie bij de hand heeft: Taiwan. “De petrochemische en high-tech bedrijven op het eiland zijn minstens even succesvol als de Koreaanse chaebols maar anders dan deze lompe giganten zijn Taiwan's vele kleine en middelgrote bedrijven flexibel, duidelijk gefocused op disciplinerende winstgevendheid in plaats van op grootte. Telkenmale zijn zij veerkrachtig gebleken bij tegenslagen en uitermate lenig in aanpassing bij nieuwe omstandigheden. Terwijl Korea vele economische crises heeft ondergaan, die allen een hulpoperatie van het IMF vereisten, heeft Taiwan geen enkele crisis gekend. In plaats van het Koreaanse model te kopiëren dat gevaarlijk dicht bij de centrale planning ligt waar China vanaf wil, zou het een voorbeeld moeten nemen aan de Chinese broeders op Taiwan.”

Er zijn tekenen dat China zulke adviezen ter harte zal nemen. Het Volksdagblad waarschuwde vorige week in een commentaar om de fusie en acquisitie-manie in te tomen. “De Zuid-Koreaanse conglomeraten zijn inmiddels een precedent”, aldus het partij-orgaan. Als China het Zuid-Koreaanse model de rug toekeert zou dat wellicht de belangrijkste zegen van de crisis zijn. Het Taiwan-model zal echter alleen uitvoerbaar zijn als de Communistische Partij een veel verdergaande wijziging in de sociale en economische machtsverhoudingen zal toelaten dan waartoe zij zich tot dusver bereid heeft getoond. De Chinese staatssector bestrijkt nog 30 procent van de Chinese economie, de collectieve (gemengde) sector 40 procent, de sector met buitenlandse investeringen 17 procent en de privésector slechts 13 procent. Privé-zakenlieden zeggen nu openlijk op symposia en in hun semi-onafhankelijke kranten dat de staat moet ophouden geld in de bodemloze put van de staatsbedrijven te storten, en de dynamische privésector leningen moet geven. Maar er zijn andere lessen voor China, namelijk rigoureuze sanering van de banken niet, zoals in Japan gebeurd is, verder uitstellen. Dat vereist radicale ingrepen: een kredietstop, het opzetten van een Nationale Schuld Herstructurerings Maatschappij, de uitgifte van schuld-aandelen. Dat zal de hoge economische groei van voorgaande jaren met enkele procenten omlaag brengen tot minder dan 10 procent. China zal ook onwelkome lessen uit de crisis trekken en naar verwachting de volledige convertibiliteit van de renminbi en opening van de kapitaalmarkten voor buitenlandse beleggers op de lange baan schuiven om zich te beschermen tegen nieuwe valuta-turbulentie en andere globaliseringseffecten. Daryl Ho, regionaal econoom bij het effectenhuis Jardine Fleming in Hongkong zei dat Japan midden jaren zestig de yen convertibel maakte op de lopende rekening maar pas midden jaren tachtig op de kapitaalrekening. China maakte de renminbi partieel convertibel in 1994 en Ho verwacht dat complete convertibiliteit op de kapitaalrekening, dat wil zeggen complete kapitaalmobiliteit, aanvankelijk gepland voor begin volgende eeuw vanwege de crisis nog wel tien, vijftien jaar kan duren. Wat China boven alles nodig heeft is meer openheid, openbaar debat en een regering die verantwoording aflegt. Zonder vergaande hervorming van de huidige politieke structuur, een vrije pers bijvoorbeeld, is dat niet denkbaar en Chinese functionarissen geven in privé-conversaties grif toe dat daar voorlopig geen sprake van kan zijn. Politieke liberalisering vormt in China op dit moment een bedreiging van de stabiliteit, c.q. de privileges van de communistische oligarchie. Chinezen verwijzen graag naar Singapore om te adstrueren dat een ultramoderne, efficiënte vrije markteconomie kan samengaan met een autoritair politiek systeem. Singapore is na Hongkong de vrijste economie van de wereld maar het is ook een stadstaat met slechts drie miljoen inwoners, een kwart procent van de bevolking van continentaal China en het heeft decennia lang in de 'verlichte despoot' Lee Kuan Yew een leider van uitzonderlijk kaliber gehad.

Wat is dan het Oost-Aziatische Mirakel ? De MIT-econoom Paul Krugman heeft in zijn spraakmakende artikel 'The Myth of Asia's Miracle' in Foreign Affairs in 1994 de stelling verkondigd dat het nooit bestaan heeft. Goed, er is uitzonderlijk hoge groei geweest dankzij discipline, hard werk, grote opofferingen en sterke autoritaire regeringen. Maar het belangrijkste element was de voortdurende expansie van inputs in de vorm van kapitaal en een aanhoudende stroom van boeren die hun dorpen verlieten om abjecte armoede te ontsnappen en naar de nieuwe fabriekscentra togen. Daar is niets wonderbaarlijks aan. Nadat een bepaald scholings- en ontwikkelingsniveau was bereikt werd de productiviteit per individu niet verder verhoogd omdat creativiteit, inventiviteit en management daartoe ontbraken. Aziatische landen konden steeds groeien door de overname van nieuwe Westerse technologieën, maar als zij naarmate zij het westerse ontwikkelingsniveau benaderen zelf geen nieuwe technologieën ontwikkelen - hetgeen nog steeds niet gebeurd is - kunnen zij nooit het Westen inhalen of voorbijstreven. En aangezien het investeringsvolume niet kan blijven groeien - als percentage van een steeds groter wordende economie - en er een keer een eind aan de volksverhuizing van boeren komt, gaat vanzelf de groei omlaag.

Dat punt is de afgelopen jaren in de geavanceerde Aziatische economieën, met name in Japan bereikt. De Zuidoost-Aziatische landen en Zuid-Korea hebben dankzij de bergen geld die Westerse en Japanse banken en portefeuille-managers binnengedragen hebben de illusie gekoesterd dat het zoete leven eindeloos zou doorgaan. De abrupte miljarden-exodus van het buitenlandse geld heeft sommige leiders zo ontgoocheld dat zij de crisis reflexmatig aan 'neo-koloniale samenzweerders', en niet aan eigen falen toeschreven. De Maleisische premier Mahathir Mohamad is pas afgelopen week een toontje lager gaan zingen en laat het herstelwerk aan zijn capabele plaatsvervanger Anwar Ibrahim over. Na maandenlange aanvallen op de media zei Mahathir op gedempte toon: “Mij is verteld dat mijn onbezonnenheid al deze problemen veroorzaakt heeft. Daarom probeer ik nu aardig voor de pers te zijn, maar het lukt me niet zo best.” Geen enkele econoom van formaat ziet het debacle van het Aziatische mirakel als het einde van de hoge economische groei - zolang de regeringen maar bescheiden en realistisch zijn. Steven Radelet en Jeffrey Sachs schrijven in het laatste nummer van Foreign Affairs dat de huidige crisis slechts een kortstondige vertraging is in de wereldhistorische herrijzenis van Azië in de wereldeconomie. Azië zal naar verwachting omstreeks 2025 58 procent van de wereldeconomie vertegenwoordigen, hetzelfde percentage als in 1820 toen in het Westen de Industriële Revolutie begon die een periode van 130 jaar Aziatisch verval inluidde. Als de regeringen orde op zaken stellen, kwalijke economische, financiële en ook politieke praktijken corrigeren, dan zal de groei zich na enige jaren hervatten, minder hoog dan voorheen maar nog vele jaren hoger dan in de rest van de wereld.

Het groeipotentieel in China is het grootste. China's WTO-onderhandelaar Long Yongtu zei onlangs dat China nog wel 50 tot 60 jaar de grootste leverancier van goedkope arbeid in de wereld zal blijven voordat de energie van de boerenmassa's in China's diepe binnenland volledig zal zijn gemobiliseerd.