Januari-effect op het Damrak is een fabeltje

AMSTERDAM, 3 JAN. Januari, zo wil de mores onder beleggers, is een bijzondere maand. Aandelenkoersen doen het altijd beter in de eerste maand van het jaar, en de koersontwikkeling in januari heeft een voorspellende waarde voor de rest van het beursjaar. Gaan de koersen in deze maand omhoog, dan volgt een gunstige periode voor beleggers in de rest van het jaar. Dalen de koersen, dan is ook het vervolg op de beurs negatief.

Om met het eerste te beginnen: januari blijkt een prima beleggingsmaand. De afgelopen vijftien jaar ging de AEX-index maandelijks gemiddeld met 1,234 procent omhoog. In de vijftien januari's sinds begin 1983 bedroeg de gemiddelde koersstijging 2,817 procent. Slechts vier maal daalden de koersen in januari, elf maal gingen ze omhoog. Als alle maanden sinds 1983 net zo waren geweest als de doorsnee-januarimaand, stond de AEX- index op zo'n veertienduizend punten, in plaats van de 913 punten waarmee 1997 werd afgesloten.

Er circuleren tal van verklaringen voor dit effect. Particuliere beleggers hebben hun dertiende maand net binnen. Professionele beleggers krijgen extra liquiditeiten binnen, naast de liquide positie die zij vaak aan het einde van een jaar innemen. Al dat geld gaat in januari weer naar effecten.

Beter controleerbaar is dat Wall Street en de dollar, de twee externe factoren die allesbepalend zijn voor de koersen op het Damrak, sterke januari-effecten hebben. Het Amerikaanse Dow Jones-gemiddelde steeg de laatste vijftien jaar met gemiddelde 3,18 procent in januari, tegen een gemiddelde maandelijkse stijging van maar 1,13 procent. En de koers van de dollar, die de afgelopen vijftien jaar per saldo met 23 procent daalde, steeg tijdens januarimaanden met gemiddeld 1,68 procent. Met zulke sterke externe factoren verbaast het eerder dat het Damrak in januari niet uitbundiger is.

Interessanter is of januari ook iets zegt over de rest van het beursjaar. Op het eerste gezicht is dat het geval. Vier maal sinds de start van de AEX vielen de koersen in januari. Dat was in 1986, 1987, 1990 en 1995. In de eerste drie van deze jaren sloot de beurs het jaar op verlies af. Elf maal gingen de koersen in januari omhoog, en alle elf de keren werd het ook een gunstig beursjaar. Alleen 1995, dat begon met een koersverlies van 1,53 procent, eindigde toch gunstig, met een totale koerswinst van 18,9 procent. Dat is de enige maal dat januari het verkeerde signaal gaf.

Dat geeft voedsel aan de overtuiging dat januari toch wel wat zegt over het beursjaar. De correlatie, een berekening van de samenhang, tussen percentuele koersveranderingen in januari's en hun bijbehorende kalenderjaar komt uit op 0,51 op een schaal die loopt van -1 (volledige negatieve samenhang) en 1 (volledige positieve samenhang). Vrij vertaald houdt dat in de variantie van de aandelenkoersen in een kalenderjaar voor een kwart kan worden verklaard uit de variantie in januari. Zo'n correlatie is niet krachtig, maar zeker niet verwaarloosbaar.

Is januari dus een leidraad voor de beurs? Die uitspraak noodzaakt een verfijning. Omdat januari zelf deel uitmaakt van het kalenderjaar, moet de maand eigenlijk van de rest van het jaar worden losgemaakt. In dat geval blijkt de voorspellende waarde van januari voor de volgende elf maanden sterk aan erosie onderhevig. Niet eenmaal, maar viermaal zat januari er de afgelopen vijftien jaar naast: In 1984, 1992 en 1994 stegen de koersen om de volgende elf maanden te dalen. 1995 kende een slecht begin, maar de volgende elf maanden stegen de koersen flink.

De samenhang tussen de koersveranderingen in januari en de volgende elf maanden komt op een correlatiecoëfficiënt van 0,33. Daarmee wordt nog maar tien procent van de koersbeweging in de rest van het jaar verklaard, in plaats van 25 procent. Zo'n geringe samenhang wordt niet meer als significant gezien. Zo blijft januari een gunstige beursmaand, maar zonder magische voorspelkracht. De eerste maand van het jaar zegt, zo blijkt, vooral veel over zichzelf.