Het verkiezingsjaar

Waarover spreken zij? We weten het intussen: dat het financieringstekort in het jaar 2002 nul, één of anderhalf procent van de economie moet bedragen en dat Nederland nog aanvullende eisen moet stellen voordat Italië mee mag doen met de gemeenschappelijke munt.

Twee voorbeelden van thema's waarmee PvdA en VVD bij hun eigen aanhang warme gevoelens van herkenning kunnen opwekken zonder tegelijkertijd andere kiezers af te stoten. Een VVD'er die het financieringstekort naar nul wil terugbrengen en een PvdA'er die tevreden is met één of anderhalf: het is een rituele paardans, een abstract ballet dat verder nergens over gaat. Er is geen bewijs dat binnen deze bandbreedte de feitelijke uitkomst van belang is voor de economie, en dat wordt zeker niet anders na de start van de gemeenschappelijke munt, wanneer immers onze rente voor altijd in Frankfurt wordt bepaald.

Al even symbolisch is de recente suggestie van VVD-leider Bolkestein om Italië niet te gemakkelijk toe te laten tot de ene munt. Hijzelf stemde in 1992 vóór het Verdrag van Maastricht waarin de spelregels zó zijn vastgelegd dat Italië nu zeker mag meedoen. Zijn gebrom over Italië is dan ook alleen bedoeld om het beeld te versterken van een degelijke VVD die ook in het buitenland zonder emotie het Nederlands eigenbelang nastreeft.

Iedereen weet wat bovenaan de lijst zou moeten staan: werkloosheid, criminaliteit en de files. Maar wie daarover duidelijke taal spreekt, is meteen controversieel, haalt aan bakboord kiezers aan boord, maar ziet anderen over stuurboord van het schip springen. Verkopers in het zakenleven mikken op loyaliteit van de bestaande klanten en proberen daarna de klantenkring systematisch uit te breiden; politieke verkopers moeten veel nadrukkelijker rekening houden met het gevaar dat ze potentiële kiezers afstoten naar de concurrent en dat straks een ander met de verkiezingswinst gaat strijken. In dat perspectief is Kok een sterkere politicus dan Den Uyl: de concrete visioenen van Den Uyl waren voor de discipelen inspirerender dan de voorzichtige nuchterheid van Wim Kok, maar Den Uyl stootte tegelijkertijd veel méér kiezers dan Kok onherstelbaar af.

Concrete inzichten verwacht ik ook niet van de doorrekening van de verkiezingsprogramma's door het Centraal Planbureau. Bij de vorige verkiezingen voor de Tweede Kamer voorspelde het Planbureau dat bij het VVD-programma de werkgelegenheid zou stijgen met 288.000 personen, bij het CDA-program met 281.000 en bij de programma's van PvdA en D66 met respectievelijk 262.000 en 246.000 personen. De feitelijke uitkomst lijkt hoger dan 460.000 te worden.

Wat de lonen betreft dachten de verschillende partijen dat die in totaal over de periode 1995-'98 zouden stijgen met 4 procent (VVD en CDA) of met 7-8 procent (PvdA en D66). De uitkomst wordt ongeveer 10 procent. Meer voorbeelden zijn niet nodig: het zogenaamd doorrekenen van de verkiezingsprogramma's heeft alleen enige bescheiden waarde omdat partijen met extreme economische programma's zichtbaar uit de boot vallen. In 1994 had het Planbureau ook berekeningen verricht ten behoeve van GroenLinks en die lieten nog eens duidelijk zien hoe ver die partij buiten de consensus valt van de Grote Vier. Voor wat betreft VVD, CDA, PvdA en D66 zie ik niet hoe de doorberekeningen op enigerlei wijze bijdragen aan het debat, want de cijfers staan in geen enkele systematische toetsbare relatie tot de economische werkelijkheid. Dat geldt dit jaar zo mogelijk nog meer omdat oplossingen voor werkloosheid, criminaliteit en de files vooral afhangen van organisatorische creativiteit. Maar de toenmalige Planbureau-directeur Zalm schreef in 1994 al dat wijzigingen in regelgeving niet passen in de rekenmodellen van het Planbureau en - zo voegde Zalm daar terecht aan toe - wanneer politieke partijen al wetten of regels willen veranderen zijn ze daar vaak met opzet heel vaag over. Ik verwacht daarom dat de doorberekeningen van het Planbureau ook dit jaar maar één inzicht zullen opleveren, namelijk dat GroenLinks opnieuw met haar programma kiest voor principiële oppositie. Kiezers die aarzelen tussen de vier grote partijen leren er niets van. Ook een vage campagne kan nog een goed kabinet opleveren; dat hoopt Groot-Brittannië van premier Blair, en wij wellicht van Kok-II. Gewone burgers kunnen helpen door te pas en te onpas zo duidelijk mogelijk aandacht te vragen voor de organisatorische fouten die nu nog in de weg staan van actie tegen werkloosheid, misdaad en files, net zo lang totdat onze politici zich generen wanneer ze niet ook duidelijker taal spreken.

Voor wat betreft de werkloosheid is moed nodig om de één-loket-gedachte met duidelijke bevoegdheden te bekleden, en om gemeenten een veel groter financieel belang te geven in het succes van hun sociale dienst. Nu betaalt het rijk toch de rekening en gebeurt er dus veel te weinig. Ook zou Nederland zich er voor moeten schamen dat andere landen zoveel meer doen aan kinderopvang en naschoolse opvang dan wij. Kinderopvang is een bron van werk en helpt ouders om wég te komen uit de uitkering. Ook bij de criminaliteit gaat het niet om geld maar om organisatie. Een college van 24 burgemeesters kan onmogelijk de regionale politie effectief sturen. Ik hoop dat alle kandidaten voor de functie van minister van Binnenlandse Zaken de eis stellen dat de directeur-generaal voor de politie evenveel te vertellen krijgt als bijvoorbeeld de d.g. voor de belastingen, en liefst nog meer, zodat een afruil kan plaatsvinden waarbij de machtige politiebonden een paar stappen terug doen in ruil voor een eenmalige salarisverhoging.

En wat de files betreft is het tijd voor besluiten. Nederland geeft per jaar 2,5 miljard uit aan het wegennet en dus is het volkomen overbodig dat zelfs tussen de vier grote steden op allerlei plaatsen de weg maar twee rijstroken breed is. Voor 2,5 miljard kan meer dan 50 kilometer weg worden aangelegd met tweemaal drie rijstroken. Hoe we ook denken over rekeningrijden, duurder parkeren, of beter openbaar vervoer, bredere snelwegen in de Randstad zijn een logisch onderdeel van elke complete oplossing. Zelfs het huidige budget is voldoende om in één kabinetsperiode alle hoofdwegen tussen de grote steden veel breder te maken. Als Rijkswaterstaat nu vier jaar zich concentreert op de hoofdwegen voldoen die tenminste aan de minimumeis van overal twee keer drie of vier rijstroken. Niemand zal toch in 1998 minister van Verkeer willen worden zonder ten minste zo'n belofte te doen. Als eerst de hoofdwegen breder worden, weten we straks tenminste waarvoor we elektronisch tol moeten betalen.

De verkiezing van 1998 wordt niet-ideologisch, heeft niets meer met links of rechts te maken, hoeft niet te gaan over macro-economie, maar zou moeten ingaan op de organisatorische patstellingen bij het bestrijden van werkloosheid, criminaliteit en files. Wie daar het eerlijkst over spreekt krijgt straks mijn stem.