Gras eten langs de vorstgrens

Ganzen - Grazers op trek langs de vorstgrens.

Fotografie Hans Dekkers, tekst Bart Ebbinge. Uitg. Schuyt & Co, 1997. 156 pag., geïll. Prijs ƒ 75.- Vanaf 1998 ƒ 85.- ISBN 90-6097-446-8.

WINTER OP Ameland. Waar je ook keek zag je enorme zwermen rotganzen voorbij zwiepen met duizenden, misschien wel tienduizenden tegelijk. Klik, zei mijn camera, klik-klik-klik, het was zo'n indrukwekkend schouwspel. Op de foto's, een week later, stonden alleen maar grauwe luchten met vage zwarte stipjes.

Nee, dan Hans Dekkers. Als natuurfotograaf heeft hij zich twintig jaar lang gespecialiseerd in wilde ganzen. Het resultaat is een schitterend bladerboek. Pagina na pagina vliegen de ganzen zo ontwapenend recht op de lens af dat het haast lijkt alsof deze fotograaf zelf ook kan vliegen. Je ziet de rotganzen gezellig samen pootje baden op het wad, waarbij ze zo nu en dan een slokje water nemen, of op de kwelders rondscharrelen tussen de zoutplanten. Half april beginnen ze op te vetten voor hun reis naar het hoge noorden, wel 5.000 kilometer vliegen.

Dekkers volgde de ganzen naar hun broedgebieden op de noordelijke toendra's, van IJsland tot in Siberië. Daar wachtte hij, ongetwijfeld kleumend en klappertandend in zijn schuilhut en met halfbevroren vingers, hun komst af. Hij laat prachtig zien hoe de kuikens van de Kleine rietgans, pas uit het ei, als zachtgele donzige pluizebolletjes hun eerste stapjes rond het nest zetten en hun eerste hapjes poolgras proeven. Om warm te blijven snoezelen ze dicht tegen elkaar aan, waarbij je de donsveertjes op hun kop zowat kunt tellen. Zodra de jongen vliegvlug zijn en de ouders de slagpennen in hun verenkleed hebben geruid, bereidt het ganzengezin zich alweer voor op de herfsttrek naar Nederland. Als de kou in de lucht zit zie je ze aankomen, vlucht na vlucht, in karakteristieke V-formatie. Zoals het Wilde Westen vroeger zijn kuddes trekkende bizons had, zo heeft Nederland zijn ganzentrek en op stille ochtenden kun je daar zelfs midden in de stad getuige van zijn.

Ganzen trekken steeds met de vorstgrens mee. Zowel in hun overwinteringsgebied als in de poolzomer vertoeven ze het liefst bij een temperatuur van enkele graden boven nul. Daar waar de grasgroei net op gang komt, is het jonge gras nog mals en voedzaam. Dat is van belang omdat ganzen, anders dan bijvoorbeeld koeien, uit het oogpunt van lichtgewicht geen vier magen bezitten om het gras nog eens op hun gemak te herkauwen, maar het met één maag moeten doen. Licht verteerbaar gras is dan een eerste vereiste. Ook op de toendra grazen de ganzen bij voorkeur vlak langs de zich terugtrekkende sneeuwranden. Overigens gunnen vrouwtjeskolganzen zich bij aankomst in het hoge noorden zelfs helemaal geen tijd om te grazen, maar beginnen na die lange reis onmiddellijk met broeden. Daarbij teren ze flink in op hun uit Nederland meegebrachte vetreserves en komen alleen van het nest af om af en toe iets te drinken. Een goede voorjaarsconditie is dus niet alleen van doorslaggevend belang om de reis naar het noorden te kunnen volbrengen, maar ook voor het broedsucces.

Auteur Bart Ebbinge weet veel van ganzen en een flink deel van de hier gepresenteerde informatie heeft hij zelf ontdekt. Als bioloog bij het Instituut voor Bos- en Natuurbeheer maakte Ebbinge zes expedities naar het schiereiland Taimyr in het uiterste noorden van Siberië. Hij verstopte bijvoorbeeld vernuftige, op afstand afleesbare elektronische weegschalen in het mos onder de ganzennesten, zodat hij de nietsvermoedende broedvogels dagelijks stiekem kon wegen. Over die expedities en over de samenwerking met de Russische collega's verneemt de lezer hier overigens weinig of niets. Daar staat tegenover dat iedere Nederlandse collega zijn naam wel even in de tekst vermeld ziet, doorgaans zonder nadere toelichting. Dat leidt tot mededelingen als “In 1991 ving Bernard Spaans op Terschelling een vrouwtjeskolgans die een jaar eerder door Trinus Haitjema in Friesland was geringd”. Nou, dat weten we dan ook weer.

Het verhaal lijkt uit de losse pols geschreven. “Vier van de zes vaak in Nederland voorkomende ganzensoorten zijn grauwbruin”, zo meldt de auteur op de eerste pagina. “Voor de details zult u wellicht een goede vogelgids moeten raadplegen.” Blijkbaar moet dit vooral een sfeerboek zijn, getuige ook het feit dat de meeste fotobijschriften niet bij de foto's staan, maar achterin. Daar zit ook een soort dossier, merkwaardigerwijs ineens in het Engels, met nog enkele kaartjes en grafiekjes van de populatiebiologie van de verschillende ganzensoorten.

Jammer is ook dat de schrijver in zijn inleiding allerlei interessante, actuele vragen aanstipt, die hij verderop niet uitwerkt. Hoe kijken onderzoekers bijvoorbeeld aan tegen de vraag of Nederland 'vol' is voor ganzen? Moeten wij - gezien onze internationale verantwoordelijkheid voor deze soorten - een gedoogbeleid voeren? Of moet er met het geweer worden ingegrepen tegen verdere aantalsgroei? Hoe erg is die veelbeweende landbouwschade nu precies en welke alternatieven zijn er tegenwoordig om de ganzenvraat in goede banen te leiden zonder bloedvergieten? In zijn inleiding stelt Ebbinge dat het een taak van het wetenschappelijk onderzoek is om daar antwoord op te geven, maar daar laat hij het bij.

Ook zou je als lezer graag willen weten hoe het huidige Nederlandse ganzenbeleid zich verhoudt tot dat van de buurlanden en waarom dat zo is. Ebbinge citeert Zweeds onderzoek dat laat zien dat één op de vier rietganzen rondvliegt met hagelkorrels in het spierweefsel. Je vraagt je af waar ze die hagelkorrels opdoen. Aan de Denen kan het niet liggen, want die hebben de ganzenjacht al in 1972 verboden. In de Duitse deelstaat Nordrhein-Westphalen, grenzend aan het Nederlandse rivierengebied, is de jacht eveneens gesloten, sinds 1975. Maar waarom mag een in Duitsland beschermde gans, die bij Nijmegen de grens oversteekt, hier alsnog worden neergeknald? Zijn daar wetenschappelijke argumenten voor of is het onze nationale folklore? Die vraag blijft onbeantwoord. Het Engelstalige slothoofdstuk maakt terloops nog melding van “verhitte discussies”, “conflicterende belangen” en “zeer verschillende strategieën binnen de Europese landen”, maar zonder nadere toelichting. “Laten we hopen dat we een oplossing zullen kunnen vinden voor de conflicterende belangen”, zo besluit de schrijver vroom, nog steeds in het Engels. Daar zal hij zich als ambtenaar van het betrokken ministerie van landbouw en natuurbeheer geen buil aan vallen.