George Washington géén icoon meer

Moet Amerika zich schamen voor George Washington, de held van de onafhankelijkheidsstrijd en de eerste president van het land, omdat hij slaven hield? De aandacht voor de schaduwzijde van Washington groeit, zelfs op zijn landgoed Mount Vernon, dat nu een museum is.

MOUNT VERNON, 3 JAN. Nog maar een paar jaar geleden kon een bezoeker aan Mount Vernon, het landgoed van George Washington in het noorden van Virginia, gemakkelijk over het hoofd zien dat in dit idyllische oord ooit honderden slaven te werk gesteld waren. Maar tegenwoordig draaien de beheerders van het historische huis er niet langer om heen. De man die zich de eretitel Father of His Country verwierf was niet alleen veldheer, politicus, hereboer en een van de belangrijkste stichters van de natie, hij was ook een slavenhouder.

Jaarlijks bezoeken ongeveer een miljoen mensen het landgoed, dat zo'n twintig kilometer ten zuiden van de Amerikaanse hoofdstad op een heuvel aan de Potomac ligt. Wie voor twee dollar een cassetterecorder huurt voor een zogeheten audiotour, bemerkt dat de voormalige slaaf Tom Davis, een metselaar in de dagen van George Washington, twee eeuwen later dienst doet als historische gids.

Davis, of althans de hedendaagse acteur die hem tot leven brengt, voert de bezoeker meteen aan het begin van de rondleiding al langs het slavenverblijf, een sobere barak met houten stapelbedden langs de muren. Met een zuidelijke tongval en een “zwart” accent vertelt hij over het zware dagelijks leven van Washingtons slaven. “Hier wonen wij. De kinderen slapen op de grond”, zegt hij droogjes.

Op het bandje krijgt de hedendaagse bezoeker ook de stemmen van andere slaven te horen: een wasvrouw bijvoorbeeld, een plantagewerker en de schoenmaker Billy Lee, die ooit Washingtons lijfknecht was. Op een nuchtere, soms zelfs opgewekte toon proberen ze de geschiedenis gestalte te geven, niet vrij van naïveteit, maar zonder dramatiek of moralisme. De bezoeker mag zelf bedenken dat de man die aan de wieg stond van de Amerikaanse onafhankelijkheid, met haar idealen van individuele vrijheid en gelijkwaardigheid, als slavenhouder een levensgrote contradictie belichaamde.

George Washington is altijd een bron van nationale trots geweest en hij is dat nog steeds. Maar de laatste tijd groeit het besef dat zijn opstelling ten aanzien van de slavernij niet langer genegeerd kan worden. Met de vraag hoe dat netelige probleem aan de orde gesteld moet worden en wat het betekent voor het heden, zit Amerika in zijn maag.

Onlangs schrok het land op toen bekend werd dat de George Washington Elementary School in New Orleans had besloten om de naam van Washington van de gevel af te halen. Als slavenhouder zou hij geen inspirerend voorbeeld zijn voor de merendeels zwarte leerlingen. En bovendien had de stad al vijf jaar eerder besloten dat alle scholen die naar voormalige slavenhouders zijn genoemd omgedoopt moesten worden. Voortaan heet de school naar Charles Richard Drew, een zwarte arts die rassenscheiding bij bloeddonaties bestreed en die een methode ontwikkelde om bloedplasma houdbaar te maken.

Het besluit van de school leidde tot felle reacties. Werd Washington geen onrecht aangedaan door hem in de twintigste eeuw met terugwerkende kracht te veroordelen? Moest zijn hele historische betekenis nu teruggebracht worden tot dat ene aspect: het feit dat hij - zoals zoveel van zijn tijdgenoten - slaven hield? Moesten nu ook alle andere 450 George Washington-scholen in het land opeens een nieuwe naam krijgen? En wat te denken van de hoofdstad van het land, van de deelstaat Washington, de talloze wegen en bruggen die naar hem genoemd zijn, en het dollarbiljet en de munt met zijn beeltenis?

Zo'n vaart loopt het allemaal niet. George Washington dreigt niet opeens van zijn voetstuk te vallen. Maar het beeld dat Amerika van hem heeft wordt wel langzaamaan bijgesteld. “We kunnen niet het lijden vergeten of vergeven van de miljoenen Afro-Amerikanen die zwoegden onder het systeem van geïnstitutionaliseerde slavernij waar Washingtom aan deelnam en dat hij goedkeurde en actief bevorderde”, schrijft de historicus Fritz Hirschfeld in zijn onlangs verschenen boek George Washington and Slavery. In die evenwichtige studie laat Hirschfeld zien hoe Washington zich ontwikkelde van een conventionele slavenhouder tot een halfhartige abolitionist die de slavernij uiteindelijk de rug toekeerde: in zijn testament bepaalde hij dat zijn slaven na zijn dood vrijgelaten moesten worden.

Washington worstelde met een dilemma, laat Hirschfeld zien, en niet alleen omdat Mount Vernon met zijn plantages nu eenmaal draaide op slavenarbeid (samen met zijn vrouw had Washington bij zijn dood 316 slaven). Ook in Washingtons tijd was het duidelijk dat het ideaal van vrijheid waar de Amerikaanse Revolutie om draaide, hol was zolang blanke Amerikanen zwarte medemensen als bezit konden behandelen. Tussen de voorstanders van onmiddellijke afschaffing van de slavernij en de eigenaren van de plantages die hun slaven niet wilden opgeven, nam hij een middenpositie in. Toen hij na de onafhankelijkheidsoorlog terugkeerde op Mount Vernon, nam hij zich bijvoorbeeld voor om nooit meer slaven te kopen of verkopen. Maar tegelijk besefte hij dat slavernij alleen kan functioneren op basis van angst, en hij bestuurde zijn landgoed met harde hand. Hij behandelde zijn slaven zo goed als nodig was om ze in het gareel te houden en productief te laten zijn, maar verder bekommerde hij zich niet om hun welzijn.

Washington had meer voor de emancipatie van de slaven kunnen doen als hij zijn enorme gezag achter de abolitionistische beweging had gegooid, schrijft Hirschfeld, die zich niettemin als een bewonderaar van Washington beschouwt. Als actieve abolitionist had Washington de Burgeroorlog, ruim zestig jaar later, wellicht kunnen voorkomen. Maar zeker was dat niet: hij had er ook het uiteenvallen van de jonge Amerikaanse staat mee kunnen veroorzaken, aldus Hirschfeld, iets wat hij nu juist boven alles wilde voorkomen.

Dale Guy is een zwarte gids, die toeristen rondleidt op Mount Vernon. “Het verleden is er om van te leren”, zegt hij, als hij een groepje blanke bezoekers de keuken van het huis heeft getoond waar slaven dag in dag uit achter de warme vuren stonden. “Je moet proberen te begrijpen hoe het geweest is, niet proberen om het beter te weten.”

De naamsverandering van de school in New Orleans vindt hij “een beetje extreem”. “Ik krijg wel eens de vraag: hoe kun je nu werken op een plaats die een monument is voor een slavenhouder? Maar het interesseert me. Hoe je er ook tegen aankijkt, dit is een deel van onze geschiedenis.”