Geluidloos huilen

ZESTIEN KERSTDAGEN IN successie, dat moest wel leiden tot bespiegelingen en overpeinzingen rond drank en drankgebruik. Rond sulfiet, de nuchtere maag, het nut van voorafgaand of opvolgend eten en waterdrinken, het verschil tussen veel drank met weinig alcohol en weinig met veel, enzovoort.

Veel is nog slecht onderzocht. Heeft de drinker van alcoholvrij bier dezelfde mondgeur als de gebruiker van bier waarin het alcoholgehalte nog vanouds 5 procent of hoger is? Raakt men eerder aangeschoten bij drankgebruik in de warme kamer of de volle zon dan bij laaghangende bewolking en felle koude? Waarom drinken Russische alcoholici op straat bij voorkeur wodka en Nederlandse zonder uitzondering bier? Is het louter een kwestie van geld of weet de Rus dat bier makkelijk bevriest en dan, zoals Gerrit de Veer van Barentsz en Van Heemskerck al rapporteerde, 'alle kracht' verliest?

Nu de overgebleven flessen zo zoetjesaan weer naar achteren kunnen is de vraag actueel wat het lot is van de bodempjes sterke drank die voorlopig uit het zicht verdwijnen. Wat is op den duur de kwaliteit van het staartje jenever? Eigenaardig genoeg is de indruk dat staartjes zich heel aardig houden, terwijl toch alcohol zoveel vluchtiger is dan water. Het leek wel eens aardig om uit te rekenen hoe de kansen liggen.

De verzadigingsdampspanning van alcohol is, zegt het Handbook of Chemistry and Physics, 40 mm kwik bij 19 graden celsius, dat is zo'n 50 mm bij de tegenwoordig gangbare kamertemperatuur. Als we aannemen dat jenever uitsluitend bestaat uit water en alcohol en dat voor dit mengsel bij ruwe benadering de wet van Raoul (zie de naslagwerken) geldt, dan valt op de achterkant van een sigarendoosje uit te rekenen dat de partiële druk van de alcoholdamp in een gesloten jeneverfles boven een restje jenever (van 35 procent) nog maar 7 mm kwik bedraagt.

Op de voorkant van de doos wordt deze dampspanning eenvoudig omgerekend naar grammoleculen en grammen met hulp van het klassieke gegeven dat één grammolecuul gas bij 0 graden celsius en 760 mm kwik een volume van 22,4 liter inneemt. We vinden dat de vrijwel lege fles ongeveer 18 milligram alcohol als damp bevat. Dat is niets vergeleken met de alcohol die nog in het staartje zit. Stel dat dat nog net genoeg is voor precies één borrel van 35 ml dan is daarin nog als vloeistof aanwezig ongeveer 9,6 gram, dus 9600 milligram, alcohol. Daarmee is aannemelijk gemaakt dat het staartje niet eenvoudig door verdamping zijn wettelijk voorgeschreven hoeveelheid alcohol verliest.

Dat valt ook min of meer uit het ongerijmde te bewijzen. Als de verdamping wèl een zware, ongunstige invloed zou hebben zouden te kwader trouw opererende kasteleins zich natuurlijk geregeld achter dit effect verschuilen en naar hartelust water door de drank mengen. Maar het komt, zegt de Keuringsdienst van Waren in Rotterdam, zelden voor dat een te laag alcoholgehalte in jenever wordt gevonden.

Dat is maar goed ook, want de willekeurige verbruiker heeft maar weinig middelen om het alcoholgehalte van zijn borrel te bepalen. De keuringsdienst gebruikt destillatie als methode en voor grotere hoeveelheden zijn er in principe de 'areometers', dat zijn een soort geijkte dobbers verwant aan de klassieke accuzuurwegers. Conform de wet van Archimedes zakken ze dieper in de drank naarmate daar meer alcohol in zit. Maar de caféhouder ziet zijn klanten er niet graag mee in de weer, zoals de ijscoman niet graag heeft dat de temperatuur van zijn ijsjes wordt onderzocht.

Opeens was er de vraag of misschien het zogenoemde 'huilen' van allerlei dranksoorten uitsluitsel zou kunnen geven over het alcoholgehalte daarvan. Het bedoelde huilen is het best te zien bij dranken met een flink alcoholpercentage die niettemin in enigszins wijde, dunne glazen (zoals de gewone gildeglazen) worden geschonken. Te denken valt aan port en sherry. Wijn van 12 procent of meer doet het ook redelijk, vooropgesteld dat het glas duchtig vetvrij is gemaakt met Dreft. Van belang is dat men het glas na het inschenken even rondzwenkt om de binnenzijde goed te bevochtigen. In de gevormde vloeistoffilm treden fascinerende vloeistofstromingen op. Voortdurend vormen zich aan de bovenzijde dikke druppels die langzaam naar beneden zakken en - vaak op het laatst even terugdeinzend - zachtjes in de vloeistof glijden. Velen verslijten het voor een proces van condensatie: hoog bij de rand van het glas zou de alcohol condenseren die dieper in het glas uit de vloeistof was verdampt. In werkelijkheid is juist verdamping vanuit de film de motor achter het verschijnsel. Omdat de oppervlaktespanningen van zuiver water en zuivere alcohol sterk verschillen (respectievelijk 72 en 22 dynes/cm) neemt de oppervlaktespanning van de vloeistoffilm lokaal snel toe als daaruit alcohol verdampt. Daardoor wordt nieuwe vloeistof uit het glas omhooggezogen. Zo althans wordt het beschreven in Scientific American van mei 1983. Dat verdamping een grote rol speelt valt eenvoudig aan te tonen: dekt men het glas af met een bierviltje dan stopt het huilen binnen de kortste keren.

Bier huilt nooit, schrijft Scientific American. Maar de kans is natuurlijk groot dat dat niet komt door een gebrek aan alcohol maar een teveel aan schuim en eiwitten. Daarom is deze week eens geprobeerd met hulp van zuivere alcohol en een verdunningsreeks (en brandschone glazen) de laagste alcoholconcentratie te bepalen waarbij nog huilen optreedt. 't Werd niets: het ellendige drogistenvolkje verkoopt zelfs voor zuiver goud geen niet-gedenatureerde alcohol. Altijd zit er een rare olie door die niet met water mengt: Pernod-effect. Maar met aceton, dat ook goed met water mengt en dezelfde lage oppervlaktespanning heeft als alcohol, doen ze dat gelukig niet. Een 5 procents oplossing van aceton in water huilt - geluidloos - urenlang. Bij nadere beschouwing blijkt trouwens ook een glas jenever meer dan een etmaal te kunnen huilen. Het huilen kent dus geen praktische toepassing.