GEEN OPGEPRIKTE VLINDERS MEER

AMMO JURJENS (54) is schoolhoofd in het Drentse dorp Stuifzand. Nu het dorp bij Hoogeveen komt, vreest hij dat zijn school zal worden opgeheven. Jurjens begon in 1965 op een school in Veendam. De afstand tussen leerkracht en leerling was toen veel groter dan nu.

Jurjens: “Wie zich heel vroeger niet aanpaste aan de dorpsgemeenschap in Hoogeveen, werd naar Stuifzand verbannen. Het was een ballingsoord. Er is hier nog een buurtje, twee straten, dat 'Nieuw-Moskou' heet. Dat zegt genoeg. Vijfhonderd inwoners heeft het dorp. En een school: de Zandloper. Het is een kleine school met vijfentachtig leerlingen. Ik heb kleine scholen altijd prettiger gevonden. Het is er vriendelijker, gemoedelijker, alles gaat vanzelfsprekender. Bij grote scholen krijg ik altijd het idee van een leerfabriek met managers aan het hoofd, waar het meer gaat om efficiency en kostenbeheersing dan om onderwijs. Onderwijs gaat primair om de omgang met kinderen. Het onderwijs zit in de klas en het is ook je eerste verantwoordelijkheid dat zo te houden. Ik begin 's morgens om zeven uur om de papierberg weg te werken. Dat is een nadeel als je directeur bent van een kleine school: alles gaat dubbelop. Maar ik ben blij dat ik ook voor de klas sta, dan sta je tenminste met beide benen in de praktijk. Ik geef les aan groep zeven en acht.

“Mijn vader was schoenmaker. Hij had een klein bedrijfje in het Oost-Groningse Finsterwolde, waar ik ook mijn jeugd heb doorgebracht. Een bedrijfje kon je het niet eens noemen. Het was een stukje schuur in huis. Daar kwamen 's zomers de herenboeren met hun grote zichtkleden - gescheurd door het gemaaide koren - die moesten worden gerepareerd. Toen het maaien werd geautomatiseerd, was dat werk ook voorbij. Het was in die streek bittere armoede en de rijke herenboeren behandelden de arbeiders als lijfeigenenen. Het woord 'boer' heeft daar nog steeds een beladen betekenis.

“Toen ik in 1965 van de kweekschool in Winschoten kwam, was ik volledig bevoegd, met hoofdakte. Mijn vader liep naast zijn schoenen van trots. Zo van 'ik heb een zoon en die is onderwijzer'. Tegenwoordig is het niets bijzonders als een kind naar de PABO gaat, maar toen gaf dat uitzicht op een hogere tree op de maatschappelijke ladder. Ik wilde ook dat de mensen het beter zouden krijgen dan ze het hadden: veel mensen waren laag tot zeer laag geschoold. Mijn vader wilde natuurlijk dat ik leerkracht werd op de lagere school in Finsterwolde. Ik heb daar ook wel over nagedacht, maar de wereld is toch groter dan je eigen geboortedorp.

“In 1965 begon ik op een negenmansschool in Veendam, voor die tijd een redelijk grote school. Ik stond voor de vierde klas. Het onderwijzerscorps was toen vrij oud en ik werd dan ook vreemd aangekeken toen ik handvaardigheid ging geven voor alle leerlingen. Creatief bezig zijn met papier of hout, leuke dingen maken. Ik begon met het aanbrengen van verschillende niveaus bij het lezen, dat was men niet gewend. Toen was het nog zeer revolutionair om leerlingen individueel te benaderen. De discipline bleef natuurlijk streng: alleen iets zeggen wanneer je iets werd gevraagd en handen over elkaar. In een rij van negen leerkrachten liep je 's morgens heen en weer over het schoolplein te patrouilleren. Niet rennen, niet hollen, je mond dicht in de gang, jas recht aan de kapstok. Dat is tegenwoordig gelukkig anders: het onderwijs is veel kindvriendelijker geworden. Een kind kan zich nu ook uiten. Vroeger zat je als een opgeprikte vlinder op een stoeltje, dat is gelukkig voorbij. Kinderen gaan nu gewoon achter een computer zitten. Ze zijn veel meer zelf verantwoordelijk, moeten veel meer zelf doen. De afstand tussen leerkracht en leerling is vervaagd. Het kind staat centraal, terwijl vroeger de leerstof centraal stond. Dat vind ik een goede ontwikkeling.

“Het is niet goed om veertig jaar op een en dezelfde school te werken. Toen een tweemansschool in Ballum - op Ameland- - een hoofd nodig had, was ik dan ook meteen enthousiast. Het was een hele stap: vijfentwintig kinderen op de hele school. Allemaal uit Ballum. De school was er bijna heilig. Alle Ballumers, ook protestanten en katholieken, gingen naar die school, het was hùn school. De school was het centrum van het dorp. In Ballum waren de kinderen heel anders dan in Oost-Groningen. De zee en het strand spelen een belangrijke rol in hun belevingswereld. Er spoelde eens een container met rollades aan. Die werden toen door de veearts voor consumptie goedgekeurd. Dat is dan het gesprek van de dag in zo'n klas. Eens viel het me op dat alle kinderen in dezelfde blauwe broek liepen. Later bleek dat die ook afkomstig waren uit een aangespoelde container en al gauw had mijn eigen kind ook zo'n broek aan. De hoofdmeester van Ballum was traditiegetrouw secretaris van de Vereniging Dorpsbelangen en daarnaast regisseur van de toneelvereniging. Dat was de consequentie van kiezen voor Ballum.

“Op de ouderavonden kwamen zonder uitzondering alle ouders, ook de vaders. Tijdens de eerste ouderavond kwam de noordwestenwind opzetten. Na de pauze waren alleen de moeders nog over: de vaders waren naar het strand vertrokken en de rest van de avond hoorde je hun tractors door het dorp rijden. De zomervakantie duurde op Ameland altijd een week korter dan aan de wal, wat werd gecompenseerd door een langere herfstvakantie. Die begon al half september, direct na het toeristenseizoen waarin veel kinderen hun ouders moesten helpen en dus niet op vakantie konden. Dat was goedgekeurd door de inspectie. Als de inspecteur op bezoek kwam belde hij naar het gemeentehuis om te vragen 'hoe laat de boot vertrekt'. Direct daarna kreeg ik een telefoontje: 'denk erom, de inspecteur komt kijken'. Dat was natuurlijk een voordeel ten opzichte van een schoolhoofd aan de wal.

“Hier in Stuifzand willen we blijven. Daarom zijn we niet in de onderwijzerswoning getrokken. Daar hadden we dan uit gemoeten als ik stop met werken. De leerlingen van 'de Zandloper' zijn verdeeld over tien groepen en we voldoen dus nu al aan de eis van de staatssecretaris van één computer per tien à twaalf leerlingen. Gelukkig ben ik hier niet meer de oude dorpsschoolmeester die op een voetstuk staat: de kinderen noemen me 'meester Tammo'. In Ballum was dat heel anders. Daar werd ik niet alleen 'meester Jurjens' genoemd, maar stapte de overbuurman zelfs van de fiets om de vrouw van de meester goedemorgen te wensen. Dat is in Stuifzand ondenkbaar. Stuifzanders hebben een reële kijk op het leven.

“Mijn verleden brengt met zich mee dat je lid behoort te zijn van een vakorganisatie, maar ik heb gebroken met de ABOP en ben ook nooit lid geworden van zijn opvolger, de AOb. Het beleid van de ABOP had al veel van zijn karakter verloren. Hij was veranderd van een strijdlustige in een berustende bond. Een begripvolle onderwijsbond, dat is de AOb. Zaken waarvan de minister zegt 'om budgettaire redenen kunnen we het niet doen', worden door de AOb goed begrepen. De AbvaKabo doet dat veel minder en daarom ben ik daar nu lid van.

“Nu op 1 januari de gemeentelijke herindeling van kracht is geworden en er in Drenthe nog maar twaalf gemeentes zijn, wordt de bestaanszekerheid van deze school kleiner. Ik verwacht dat de school over twee jaar een nevenvestiging is van een Hoogeveense school. Zoiets is vaak de eerste stap naar opheffing. En een dorp zonder school, dat is toch een gehucht?”