Eters

Zaterdagavond, acht uur. De kinderen naar bed, de tafel gedekt, vuur in de open haard. Er komen eters en wij zullen ons tiptop presenteren. De afspraak werd drie maanden geleden gemaakt tijdens een reünie van de middelbare school. “Moeten we niet wat afspreken?” “Ja natuurlijk, bij jullie of bij ons?” “Doe maar bij ons, dan kunnen jullie meteen de nieuwe keuken zien.” Na wat geblader in agenda's komt er een datum: de dertiende.

De dertiende staat dus in het teken van recepten, boodschappen doen en koken. Nadat ook het voorgerecht klaar is, vallen wij met een zucht op de bank, moe van het gehaast maar voldaan dat het weer gelukt is. “Alvast een glaasje?” “Ja, lekker” en misschien nog even, voordat ze komen, pijlsnel een stukje krant. “Zeg, hoe heet zíEÉj ook alweer?”

Dan nemen de zaken in het volgende halfuur hun noodlottige wending, nadat zich om kwart over acht een eerste gevoel van ongerustheid meester maakt. “Ze zullen het toch niet....?” “Welnee, ik zie ons die afspraak nog zo maken, bevestigen was niet nodig”, roep ik monter. “Bovendien moeten ook hun kinderen eerst naar bed en komen ze helemaal uit Rotterdam.”

Half negen: het vuur in de open haard is al niet meer zo mooi als het was, toch maar eens bellen. Als versteend hoor ik onze gast - mijn oude examenvriend - doodgemoedereerd de telefoon opnemen. Dus toch vergeten! Gegeneerd met de situatie, die zowel voor hen als voor ons pijnlijk is, gooi ik laf, zonder wat te zeggen, de hoorn op de haak. Maar vooral knaagt schuldbesef jegens mijn vrouw, die ik uit een verwerpelijke pronkzucht met onze nieuwe keuken heb opgezadeld met deze zeperd.

“Weet je wat”, roep ik quasi enthousiast, “we gaan lekker met zijn tweetjes uit eten, dan hebben we toch wat aan onze avond.” Maar er is - het is inmiddels negen uur - natuurlijk geen oppas meer te vinden.

En dan treedt een merkwaardig proces in werking, waarin wij na aanvaarding het stadium van berusting passeren en ten slotte de voordelen van de nieuwe situatie gaan inzien. De borden en glazen kunnen weer schoon de kast in.

En op zondagochtend, als wij door onze kinderen gewoontegetrouw om zeven uur worden gestraft voor ons liederlijke gedrag, verzuchten wij fit en opgewekt: “Wat heerlijk dat ze niet zijn komen opdagen!”