EERSTE LEGDAG VAN KOOLMEES EN EKSTER GEKOPPELD AAN KLIMAAT

De aanwijzingen dat er een directe samenhang bestaat tussen de huidige klimaatverandering en de vervroeging van het vogelbroedseizoen in Europa worden sterker. Opnieuw publiceert Nature (1 januari) onderzoek aan de verschuiving in het broedseizoen in Engeland. Eerder deed het blad dat al inaugustus.

In het recente artikel analyseren Noorse onderzoekers de waarnemingen van Britse ornithologen die op 7 augustus publiceerden. Toen werd vastgesteld dat bij 20 van de 65 onderzochte vogelsoorten tussen 1971 en 1995 in Engeland een vervroeging van het broedseizoen (de gemiddelde datum waarop per soort het eerste ei wordt gelegd) van gemiddeld 9 dagen optrad. De vervroeging varieerde van 4 tot 17 dagen. De vroeger leggende soorten omvatten alle taxonomische en ecologische groepen, dus zowel watervogels, overblijvende en trekkende insecteneters als zaadeters. Nederlandse ornithologen meldden al in 1996 de vervroeging van het nestelen van steltlopers. Omdat het actieve groeiseizoen van planten de laatste 11 jaar met 8 dagen is vervroegd is een verband met weer en klimaat aannemelijk.

In het recente Nature-artikel weten de Noorse onderzoekers de Britse resultaten overtuigend te koppelen aan de trend in de zogeheten North Atlantic Oscillation (NAO). De NAO is de Atlantische tegenhanger van de 'Southern Oscillation' boven de Stille Oceaan die in verband staat met de beruchte El Niño. Ook in het drukverschil tussen de hoge drukken bij Lissabon en de lage drukken bij IJsland doen zich periodieke schommelingen voor (met een periode van een paar jaar) die van invloed zijn op het weer rond het noorden van de Atlantische oceaan. Voor het drukverschil is de zogenoemde NAO-index ingevoerd die gewoonlijk varieert tussen plus en min drie. Hoge NAO-indices (groot drukverschil Portugal-IJsland) leiden 's winters tot een versterkte aanvoer van relatief warme lucht van de oceaan naar Europa en dus tot relatief warme winters. Sinds 1970 treedt in de NAO-index een opvallend trend op naar hoge waarden.

De Noren onderzochten het verband tussen de NAO-index en het eerste kuitschieten van padden, kikkers en salamanders en het het begin van het broedseizoen (eerste ei) van de grauwe gors, de tjiftjaf en de ekster en ze vonden een significante correlatie. Ook in die zin dat het vogelbroeden weer later begon als de NAO-index een paar jaar extra laag uitviel. Al eerder is een verband tussen de NAO-index en planktongroei in de Atlantische Oceaan en Noordzee aangetoond.

De directe reactie van de vogels op de temperatuur wordt ook in een ander bericht in Nature aangetoond. Onderzoekers van de universiteit van Oxford stellen vast dat ook de koolmees bij Oxford sinds 1970 zo'n 10 dagen eerder aan het eerste ei begint. De eerste legdag blijkt statistisch overtuigend gekoppeld aan de temperatuur van de maanden maart en april gezamenlijk. Sinds 1970 worden die twee maanden steeds warmer. Maar tussen 1945 en 1970 trad een omgekeerde trend op en verschoof het broedseizoen enigszins (maar veel minder overtuigend) naar latere datum. In de terugkeer van de gierzwaluw boven Nederland is iets soortgelijks waargenomen.