De promotiemachine; Socioloog Sonneveld ziet nieuw gildenstelsel aan universiteit

Vroeger promoveerde je in je eentje, nu vallen de aio's onder een streng pedagogisch regime. Socioloog Hans Sonneveld onderzocht de cultuurverandering op zijn eigen Amsterdamse School.

HOE DOE JE wetenschappelijk onderzoek naar een organisatie waar je zelf een zeer belangrijk deel van uitmaakt? Simpel, je vertelt gewoon niemand wat je doet. Zo heeft tenminste Hans Sonneveld het gedaan. Opgeleid als socioloog is hij sinds 1987 ambtelijk directeur van de Amsterdamse School voor Sociaal-wetenschappelijk Onderzoek. Een paar jaar na zijn aantreden begon hij een dagboek bij te houden, waarin hij alles schreef wat hem opviel. “Pas jaren later besloot ik er wat mee te doen, op advies van Bram de Swaan”, vertelt Sonneveld aan een tafeltje in café 'De Engelbewaarder'. Op het Sociologisch Instituut is tussen kerst en nieuwjaar de verwarming uit.

Het ging Sonneveld niet om de details van zijn eigen ambtelijke werk maar om de volstrekt nieuwe manier waarop sinds 1987 promotoren en promovendi met elkaar omgaan. In het toen ingevoerde aio-stelsel heerst een pedagogisch regime, met strenge regels en bureaucratische vormen. Voordien waren collegialiteit en vrijblijvendheid troef: de meeste alfa- en gamma-promoties werden geschreven naast een universitaire baan. Nu vormde dat voormalige levenswerk opeens een reguliere afsluiting van de universitaire opleiding, met speciale cursussen en tijdscontrole en binnen het nieuwe instituut van de onderzoeksschool. Hoe kon zo'n verandering van promotiecultuur zo snel worden ingevoerd? En hoe pakte het uit in de praktijk van alledag, in casu op de Amsterdamse School?

In 1994 nam Sonneveld acht maanden vrij om zijn promotie te schrijven. Pas toen kregen de promovendi en docenten daar te horen dat zij al die tijd óók studieobject waren geweest. Sonneveld: “Die langdurige zwijgzaamheid was uit lijfsbehoud, want 100 mensen zouden me anders voortdurend op de vingers kijken: kan hij het zelf ook wel?” Gelukkig had Sonneveld binnen die acht maanden 320 pagina's tekst af, met slechts twee keer overleg met de van buiten de school aangezochte promotor. “Je begrijpt dat daardoor mijn positie als tijd-frik enorm veel sterker is geworden.” Vorige maand verscheen het proefschrift in een handelseditie: 'Promotoren, promovendi en de academische selectie. De collectivisering van het Nederlandse promotiestelsel' (262 blz., Amsterdam University Press, ƒ 49,50). Sonneveld anonimiseerde alle - soms behoorlijk dramatische - persoonlijke details.

In de periode 1987-1993 werden 100 promovendi beoordeeld en begeleid onder het regime van de School, waarvan 28 (waarschijnlijk) niet hun proefschrift zullen voltooien. Vijf van hen werden direct in het eerste jaar verwijderd. Zeven gingen uit zichzelf weg, één werd ziek en één ging dood. Twaalf promovendi voldeden aan alle verplichtingen maar niettemin zal er van hen (waarschijnlijk) nooit een proefschrift verschijnen. Dergelijke mislukkingen ontstaan vrijwel altijd omdat de promovendus er niet in slaagt een leidende vraag te formuleren en die aan het materiaal op te leggen.

Van één zo'n tragedie doet Sonneveld uitgebreid verslag. De promotor bleef erin geloven, ook al was na twee jaar duidelijk dat de promovenda vooral materiaal verzamelde en theoretisch niet erg sterk was. “Laat haar na drie jaar maar een probleemstelling bepalen op grond van het materiaal dat ze dan heeft”, zei de promotor in het begin. In harde sturing geloofde hij niet, want “het is een stijfkop”. Maar vijfenhalf jaar na het begin van de promotie, als de aanstelling al lang afgelopen is, meldt de promotor: “Ze is een van de meest geleerde aio's. Zij heeft enorme compositieproblemen. Ze is radeloos en staat niet open voor suggesties. Van het begin af zijn de ambities te hoog geweest. Ik word er heel treurig van.”

Het nieuwe promotiestelsel ontstond dankzij een onverwachte coalitie van het ministerie van Onderwijs en een aantal hoogleraren. Het initiatief van hoogleraren om een promotieschool in te richten als tweede fase werd door het ministerie - in de persoon van topambtenaar R. in 't Veld - snel omarmd. Sonneveld: “Dat was erg knap gedaan, hij heeft zeer snel die kans gegrepen om zo de tweede fase in te richten. En door met de hoogleraren in zee te gaan brak het ministerie de macht van de universiteiten die zeiden: geef ons geld dan bedenken we wel wat. In 't Veld gaf het geld liever aan die pionierende hoogleraren. Mooie strategie, en een groot beleidssucces.”

Het aantal promoties is sterk toegenomen. Inmiddels zijn er ruim 100 scholen op alle wetenschapsgebieden. En een universitair onderzoeker die niet verbonden is aan een onderzoeksschool telt niet echt meer mee.

Bent u door uw onderzoek een betere directeur geworden?

Sonneveld: “Psychologen hebben altijd moeite hun eigen kinderen op te voeden en sociologen kunnen moeilijk omgaan met sociale verschijnselen. Maar ik herken nu wel beter in welke fase mijn organisatie zit. De pioniersfase met sterke, ideologische leiders is voorbij. De overstap naar een collegialer bestuur levert vrij grote problemen op. Soms lukt het me om met die observaties de gemoederen te bedaren.”

Wat was voor u zelf de meest verrassende uitkomst van uw onderzoek?

“The persistence of the old regime vind ik opmerkelijk. De alleenheerschappij van de hoogleraren, die was beëindigd in 1969, werd gerestaureerd in de voor het meeste onderzoek enorm belangrijk geworden onderzoeksscholen. Het zou in de jaren zeventig toch volstrekt ondenkbaar zijn geweest dat het bestuur van zo'n school vrijwel alleen maar zou bestaan uit professoren, met een enkele gepromoveerde medewerker erbij. Om het machtsevenwicht tussen promovendus en promotor iets te verschuiven laten we op de Amsterdamse School pas in het tweede jaar de vaste promotor kiezen. De situatie zal onzekerder worden, maar de intellectuele bewegingsvrijheid wordt groter.”

De prijs voor de grotere macht is wel dat hoogleraren nu sterker dan voorheen moeten samenwerken. En de ambtelijke controle op de voortgang is groter.

“Die collegiale controle is er lang niet overal! In de meeste onderzoeksscholen kan de hoogleraar volstaan met een mededeling aan de ambtelijke staf dat het goed gaat. Ons Amsterdamse systeem om andere hoogleraren al vanaf het begin in een beoordelingscommissie mee te laten kijken en te praten over de voortgang, is uniek. Als er in de docentenvergadering kritiek is, zijn de poppen aan het dansen. De promotor wint dat meestal, overigens. Want hoe strenger de beoordeling, hoe meer sociale spanning er ontstaat. Er is in feite sprake van een egalitair, gepolitiseerd collectief. De patronage-verhoudingen zijn dan erg belangrijk: de promotor komt op voor zijn promovendus. Daarom gaat de promovendus ook zo behoedzaam met zijn promotor om. In feite vormen de onderzoeksscholen een soort 'academische staatsgilden'. De patronageverhoudingen remmen een rationeel selectief beleid.

“De promotiebureaucratie heeft wel een enorme greep op de formele gang van zaken. De bedrijfgeneeskundige dienst kan zich er mee gaan bemoeien, bijvoorbeeld. Of de dienst personeelszaken. En een promovendus die weinig resultaten boekt krijg je ook veel moeilijker weg. Vroeger liet een hoogleraar zo'n relatie gewoon uitdoven. Nu moet je een echt dossier hebben om een aio te kunnen ontslaan. We hebben een keer een promovenda gehad die het ambtenarengerecht erbij haalde. Ze deed het niet goed, en luisterde ook niet naar aanwijzingen. De promotor zei: stoppen. Maar er waren een paar andere hoogleraren die twijfelden. Er kwamen allemaal advocaten over de vloer, die niets van promoveren wisten maar wel vroegen: 'Hoe vaak heeft u gezegd dat het anders moest? Kunt u bewijzen dat u toen goede suggesties heeft gedaan?' Je weet werkelijk niet waarin je terechtkomt! Gelukkig hebben we het gewonnen, omdat er genoeg zwart op wit stond.”

Is er een groot verschil tussen de promovendi van 1987 en 1996?

“Nu het bursalen zijn, zonder wachtgeldrechten, willen ze veel eerder beginnen met het verzamelen van het materiaal, dat op onze school in het tweede jaar plaatsvindt. Ze moeten in vier jaar klaar zijn. Maar ze kiezen absoluut geen gemakkelijker onderwerpen. Ik ben werkelijk verbaasd hoe hard deze mensen al tijdens hun eerste fase gewerkt hebben: vaak twee studies gedaan, met een extra taal. Ik betwijfel of de verjonging heeft geleid tot minder diepgang. Ze bereiden zich nu vaak beter voor tijdens hun studie, en ze volgen veel meer cursussen in hun promotietijd.”

Is het nieuwe systeem een vooruitgang?

Sonneveld moet lang nadenken, en zegt dan: “Voor de bèta's maakt het niet zoveel uit, die werkten altijd al in zo'n geregeld systeem. Voor alfa en gamma geldt dat er nu veel meer interessante studies worden gedaan, het niveau is niet gedaald. Er zijn meer kansen gekomen.

“Maar het is wel zo dat promoties met externe subsidie, van NWO bijvoorbeeld, bijna altijd onderdeel van gezamenlijke projecten moeten zijn. Door het geldgebrek van de faculteiten worden die externe subsidies steeds belangrijker. Als je dus niet uitkijkt, kan een promovendus nergens meer zijn eigen ideeën uitwerken. Dan houd je alleen uitvoerders over van plannen die promotoren hebben bedacht. Dat is bedreigend voor de intellectuele vrijheid en de wetenschappelijke vernieuwing. Wij hebben jaarlijks acht nieuwe promotieplaatsen waar mensen hun eigen idee kunnen uitvoeren, betaald door de faculteit, los van projecten. Maar dat kost veel moeite, en is echt heel bijzonder voor een onderzoekschool.”

U beschouwt de invoering van de onderzoeksschool en het aio-stelsel als de overwinning voor een selectiever systeem, met meer concurrentie - ongekend voor de Nederlandse academische verhoudingen. Is het systeem ook werkelijk meritocratischer geworden, met meer beoordeling naar prestatie?

“De beoordeling van de kwaliteit van de onderzoeksschool is marginaal. De KNAW kijkt wel naar de lijstjes van publicaties, maar nooit wordt eens gevraagd: laat ons eens jullie beste proefschriften zien, met de recensies in de vakbladen. Stel dat bij Philips alleen de verkoop werd bekeken, en nooit de gloeilampen zelf! In de toelating van wetenschappers tot de staf van de onderzoeksschool worden schoorvoetend de prestaties meegewogen. Maar bij het gros van de toelatingen spelen ook sterke strategische overwegingen mee. Anders gaat die persoon misschien naar een andere school, hij heeft al veel eigen promovendi, of de faculteit wil die persoon erg graag ergens onder dak hebben. De meritocratie erodeert in de praktijk. De werving van promovendi is wel veel openlijker geworden en de beoordeling veel explicieter. Voorheen ging dat veel stiller, in het onderlinge verkeer met de uitverkoren promotor.”

U schrijft dat er bij de sollicitatie van aio's vaak al onmiddellijk duidelijk is wie goed is. Speelt daarbij niet ook een sociale factor mee, naast intellectuele capaciteiten?

“Centraal staat dat iemand weet waar hij het over heeft. Dat hij bijvoorbeeld weet hoe Indonesië eruitziet als zijn onderzoek daarover gaat. En dat hij een uitvoerbaar idee heeft, zodat een grote zaak toch in een overzichtelijk onderwerp tot uiting kan komen. De meesten nemen een megaproject en zien dan wel. Een goede aanwijzing voor kwaliteit is dat tijdens het gesprek de sollicatiecommissie onderling begint te praten en op drift raakt, terwijl de sollicitant dat met de armen over elkaar zit te bekijken. In die commissie zit rauw volk, hoor. Dan vraagt een hoogleraar van 62 aan een meisje van 22: Waarom zou ik dit onderwerp van u interessant moeten vinden?”

In hoeverre wordt de wetenschap bepaald door het voortdurende sociale spel tussen de wetenschappers?

“Het is nooit zo dat iemand wetenschappelijk goed wordt gevonden omdat hij sociaal zo handig is. Inhoudelijk gaat zo iemand onherroepelijk voor de bijl. Het omgekeerde komt wel voor: dat iemand wetenschappelijk heel sterk is maar het toch niet haalt omdat hij sociaal zo onhandig is. Wat dat betreft is de promotie een goede leerschool voor de juiste academische habitus. Wie in een bepaalde fase gaat zeuren dat het allemaal zo moeilijk is, wekt meestal ergernis bij zijn promotor. Dan geldt echt de regel van de stiff upperlip. Ik merkte aan den lijve hoe onzeker je daarover kan zijn. Als mijn promotor een beetje lang deed over het lezen van mijn stukken, zat ik eindeloos te dubben of ik dat nu tegen hem kon zeggen of niet. Je moet als promovendus ook niet te vroeg arrogant worden. Dan gaat een promotor klagen: “Hij luistert niet, en hij heeft mijn werk nog niet eens gelezen!” Dat loopt vaak slecht af.

“Als ik de Engelse editie van mijn boek af heb, wil ik onderzoek gaan doen naar de academische machtsnetwerken op nationaal niveau. Ik heb het gevoel dat bij NWO systematisch moeilijk wordt gedaan over het sociaal-wetenschappelijk onderzoek dat in Amsterdam gedaan wordt, met een historische inslag en niet op grond van grote kwantitatieve databestanden. We krijgen bij aanvragen altijd te horen dat we zo goed onderzoek doen, dat de omgeving van de School zo goed is, creatief en vernieuwend, en vervolgens wordt de aanvraag afgewezen op technische methodologische bezwaren. Dat zou wel eens kunnen samenhangen met persoonlijke posities van mensen in de beoordelingscommissies. Ja inderdaad, de naam van professor Ultee uit Nijmegen wordt dan wel eens genoemd. In Zweden is uit na veel moeite losgekregen notulen van een beslissingscommissie vastgesteld dat vrouwen een groot nadeel hebben bij subsidietoekenning, bij gelijke kwaliteit. Zoiets wil ik voor Nederland ook gaan doen. Is het zo dat in Nederland een bepaalde kwantitatieve wetenschapsopvatting systematisch wordt bevoordeeld? Nu heb je de grootste moeite om de feiten daarover boven tafel te krijgen.”