ALTIJD MAAR DIE RARE VERZUILINGN; ieuw boek biedt inzicht in de Nederlandse paradox

Hokjesgeest, machtsconcentratie en hang naar duidelijke waarden en normen: de verzuiling van het onderwijs zal niet snel verdwijnen.

Anne Bert Dijkstra, Jaap Dronkers en Roelande Hofman (red.): Verzuiling in het onderwijs. ISBN: 90 01 25840 9 ƒ 59,-

NEDERLAND is ontkerkt. Slechts een klein percentage van de bevolking gaat regelmatig naar de kerk, minder dan de helft voelt zich verbonden met een geloof. Toch bezoekt ruim 60 procent van de leerlingen een school met een religieuze grondslag: katholiek, protestants, en tegenwoordig ook joods en islamitisch: de zuilen. Er is nòg een merkwaardige contrast. In 1870 ging maar liefst 75 procent van de leerlingen naar het openbaar onderwijs, nu is dat slechts 30 procent. Hoe komt het dat de verzuiling nog steeds bestaat en zelfs een nieuwe bloeiperiode doormaakt? In hun heldere en leerzame boek Verzuiling in het onderwijs geven Anne Bert Dijkstra, Jaap Dronkers, Roelande Hofman en diverse andere auteurs een gedegen antwoord op die vraag. De 'paradox van de verzuiling' heeft volgens hen meer dan één verklaring.

Wat buitenlandse bezoekers direct opvalt aan het Nederlandse schoolsysteem, en in bredere zin aan de Nederlandse samenleving, is de behoefte mensen keurig in hokjes te plaatsen. De verzuiling is daar een geïnstitutionaliseerde neerslag van. De Amerikaanse cultureel antropologe Ruth Benedict beschreef in de jaren veertig niet alleen de verzuiling, ze constateerde in haar uitvoerige onderzoek van de Nederlandse samenleving ook een neiging tot sociale segmentatie. Deze had niet - zoals in Frankrijk en Engeland - geresulteerd in een 'klassenmaatschappij', maar wel in een gedifferentieerd stelsel van sociale hokje met onder het sausje van 'gelijkwaardigheid' een duidelijke hiërarchische geleding.

TWEE VERZUILINGEN

Deze behoefte aan sociale differentiatie is eveneens in het schoolsysteem neergeslagen, en wel in wat het 'categoriale stelsel' van schooltypen wordt genoemd. We kennen in Nederland dus eigenlijk twee verzuilingen, waarbij de ene officieel bedoeld is om de vrijheid van levensbeschouwelijke grondslag te regelen en de ander officieel leerlingen categoriseert naar aanleg en belangstelling. Beide verzuilingen hebben ook gevolgen die elkaar soms versterken. Tegenwoordig manifesteren zich bijvoorbeeld duidelijk niet-bedoelde effecten van de Nederlandse categoriseringsdrang in het fenomeen 'zwarte' en 'witte' scholen. Hier botsen twee in de Grondwet vastgelegde beginselen: de 'vrijheid van onderwijs' en 'gelijke kansen voor iedereen'. Een internationale groep OESO-rapporteurs stelde in 1990 vast dat men in Nederland “er duidelijk voor koos ernstige bezinning op deze tegenstrijdigheid te vermijden met de eenvoudige constatering dat 'gegeven de Grondwet hier niets aan kan worden gedaan'.” Er is met andere woorden een sterke, geïnstitutionaliseerde, behoefte aan categorisering in Nederland. De behoefte is zo sterk dat we ongewenste gevolgen liever verdringen.

De kracht van 'De verzuiling in het onderwijs' is dat het op genuanceerde wijze inzicht geeft in de evolutie van de precieze kenmerken van de verzuiling (deel I), en tegelijk een interessante en empirisch gefundeerde analyse biedt van het paradoxale voortbestaan ervan (deel II en III). Hoewel ook deel I zeer lezenswaardig is, gaat het hier verder om de verklaringen die de auteurs aandragen voor de paradox van de verzuiling.

De eerste verklaring betreft een herziene consolidering van machtsverhoudingen in het politieke middenveld. Wat nieuw is, en het voortbestaan van de verzuiling ondanks voortschrijdende ontkerkelijking verklaart, is dat zich een concentratie van schoolbesturen, en dus van verzuilde macht, heeft voorgedaan. Deze besturenfusies zijn weer het gevolg van de 'schaalvergroting' die vooral om financiële redenen noodzakelijk werd geacht. Het in één dorp handhaven van vijf kleine schooltjes van verschillende signatuur zou immers met een teruglopend aantal leerlingen onbetaalbaar zijn geworden.

In het kader van de schaalvergroting bestaat nu ook de tendens een zekere privatisering van het bestuur van openbare scholen (dit zijn de gemeentelijke overheden) toe te laten. Dat betekent dat de oude schoolstrijd steeds meer een machtsspel op gemeentelijk niveau wordt, waarin de spelers bestaan uit een beperkt aantal, meestal betrekkelijk machtige, schoolbesturen. Het gaat dan veel minder om levensbeschouwing dan om via zuilen georganiseerde macht. De landelijke overheid heeft zich zo kunnen ontdoen van een aantal verantwoordelijkheden met ingewikkelde gevolgen, zoals de wachtgeldersproblematiek of de etnische segregatie in het onderwijs. Een gevolg van de schaalvergroting is dat ouders aan invloed hebben ingeboet en een nieuwe groep managers en bestuurders zich steeds 'professioneler bewegen in het nieuwe, maar nog steeds verzuilde, krachtenveld. Wat hen betreft hoeft de verzuiling dus niet te verdwijnen.

De tweede verklaring is dat er meer concurrentie is tussen scholen. Dat komt doordat het aantal leerlingen is teruggelopen en ouders zich meer als kritische consumenten gedragen. Maar die concurrentie voltrekt zich niet geheel volgens verwachting. Het bijzonder onderwijs is niet altijd effectiever en dus aantrekkelijker voor ouders. Soms is het openbaar onderwijs beter. Het beeld is wisselend. Echter, wanneer we de redenering omkeren kunnen we een en ander beter voorspellen. Een school blijkt effectiever te zijn als zij een concurrentiepositie heeft in de regio; wanneer er dus voor ouders reële alternatieven zijn. De auteurs noemen dit een functionalistische verklaring. Diversiteit en concurrentie zorgen voor kwaliteit. En waarom zouden we de verzuiling dan afschaffen?

De derde verklaring tempert het liberale optimisme van de vorige verklaring. Hier zien we dat besturen van bijzondere scholen meer mogelijkheden hebben effectief onderwijs voort te brengen dan die van openbare scholen. Die laatste hebben last van 'logge' bureaucratie, van ondoelmatig en vaak weinig aandachtig beheer. Ze hebben daarnaast jarenlang nadeel ondervonden van de financiële gelijkstelling die vooral gunstig uitpakte voor het bijzonder onderwijs. Bovendien kunnen bijzondere scholen schoolgeld heffen, leerlingen weigeren (wie herinnert zich nog de Turkse vader die zich vastklonk voor de christelijke school waar hij vergeefs zijn kind had aangemeld) en hun eigen personeel selecteren.

In deze verklaring gaat het uiteindelijk weer om macht: het belang van het bijzonder onderwijs (70 procent) tegenover het openbaar onderwijs (30 procent). Daar speelt nog doorheen dat ouders kiezen voor populaties die stroken met hun sociale ambities. Dus liever geen brede scholengemeenschap (vaak door gemeentelijk beleid afgedwongen bij openbare scholen), maar een Havo-VWO-school. Dat samenspel van negatieve gevolgen van de twee verzuilingen kan voor openbare scholengemeenschappen in grote steden in verschillende opzichten ongunstig uitpakken. Er zijn uit deze verklaring bezien inderdaad goede redenen om te kiezen voor meer zelfstandige vormen van bestuur van het openbaar onderwijs

De vierde verklaring ligt in de mogelijkheden tot sociale netwerken en gemeenschapsvorming die de verzuiling biedt. De behoefte daaraan groeit. Als de overheid of de kerk minder bijdraagt aan sociale cohesie, dan gaan ouders die zelf zoeken in en rond de school, net als vroeger. In een tijd die lijdt aan 'normvervaging' ziet men de school, vooral de van oorsprong religieuze, weer als waardengemeenschap. Ook openbare en bijzonder neutrale scholen doen hun best een veilig en sociaal klimaat te bieden, maar de christelijke scholen hebben nog een voorsprong op grond van hun traditie. En mogelijk gaan rustige kinderen - een soort zelfselectie - ook naar rustiger scholen.

BRANDENDE KWESTIES

Het boek maakt duidelijk dat de verzuiling ons nog steeds wat te bieden heeft: een aardiger vorm van concurrentie dan alleen een keiharde sociale, de mogelijkheid van sociale netwerkvorming en een bestuursvorm die wat gemakkelijker effectiever onderwijs bevordert. Maar de keerzijden zijn er ook en het verder verdringen daarvan lijkt niet erg gezond.

Hoe zit het nu met de consequenties van al die veranderingen in ons verzuilde bestel? Brandende kwesties vragen om een antwoord. Wie controleert de macht van de, soms megalomane, nieuwe schoolbestuurders? Wat doen we tegen de etnische segregatie in het onderwijs? Hoe eerlijk is concurrentie tussen scholen als de sociale compositie nooit gelijk kan worden door de andere, hiërarchische 'verzuiling' naar schooltypen? Hebben de ouders werkelijk vrijheid van keuze? En tenslotte: Wie is eigenlijk de hoeder van het algemeen belang als het om belangrijke inhoudelijke keuzen gaat of om neveneffecten van het verzuilde schoolsysteem?