Wijsheid als voorgerecht

Hester IJsseling: Over voorwoorden. Hegel, Kierkegaard, Nietzsche. Boom, 247 blz. ƒ 39,50

'Een boek over voorwoorden schrijven en dan, als het af is, bij dat boek een voorwoord schrijven. Dit laatste is de wonderlijke taak die mij nu rest.' Zo begint Hester IJsseling haar in handelseditie verschenen proefschrift. Ze geeft daarmee meteen al iets raars aan van voorwoorden, namelijk dat ze meestal na afloop worden geschreven met de bedoeling vooraf door de lezer te worden gelezen.

Voorwoorden illustreren zo iets van boeken en teksten in het algemeen, namelijk dat 'tijd' in een tekst gecompliceerder is dan op het eerste gezicht lijkt. Want al leest de lezer van kaft tot kaft, dan nog is de loop van het betoog voor de lezer nooit geheel lineair. Er zijn dwarsverbanden, herinneringen, zijpaden, leespauzes. Dat zegt iets over de manier waarop wij denken. Net zoals voorwoorden in de filosofie volgens IJsseling iets zeggen over wat filosofie is.

Er zijn nogal wat filosofen die zich over het voorwoord hebben uitgelaten, van Hegel tot Derrida. Hegel meende dat het voorwoord in de filosofie eigenlijk niet mogelijk was. Iets is =f filosofie, en hoort dan tot het systeem, of niet, en dan doet het in wezen niet ter zake, schrijft hij uitgerekend in het voorwoord van de Phaenomenologie des Geistes (1807).

Waar Hegel voorwoord en filosofie, dus: de marge en de algehele systematische waarheid, strikt onderscheidde, daar beweert IJsseling (zoals eerder al Kierkegaard en Nietzsche) dat dit niet meer kan. Elke filosofie, zo besluit ze haar boek, is uiteindelijk een voorwoord.

Over voorwoorden gaat niet in de eerste plaats over voorwoorden, maar over wat filosofie is, en dat is jammer. In plaats dat het boek over concrete filosofische voorwoorden gaat, stevent het af op de inmiddels door elke filosoof gedeelde opvatting dat er geen waarheid meer is, laat staan een metafysische waarheid, dat we het moeten doen met een veelheid aan perspectieven en dat we niet zonder de belofte kunnen dat de waarheid gevonden wordt, terwijl we wel beter weten.

In het tweede hoofdstuk wordt wel een interessant verband gelegd tussen de klassieke retorica en het filosofisch voorwoord. Schrijvers als Cicero en Quintillianus gingen ervan uit dat het publiek eerst welwillend, oplettend en ontvankelijk gemaakt moest worden. Alleen gaat dat niet altijd op. Soms, als je bijvoorbeeld een zaak moet verdedigen waarbij het publiek al van het tegendeel overtuigd is, moet je je van andere middelen bedienen. Je moet het publiek niet oplettend maken, je moet het langs een omweg veroveren. Vooral in de filosofie speelt dat. Wanneer Kant, Adorno of Heidegger zich verontschuldigen voor hun ontoegankelijkheid, is dat niet alleen een beroep op de welwillendheid van de lezer, maar tegelijk vaak een bijna arrogante verdediging van hun stijl.

Je kunt zelfs spreken van een zekere onwelwillendheid. Nietzsche is daar een extreem voorbeeld van: hij verstopt zich voortdurend, hij verdraait zijn standpunten, tergt de lezer, belooft en lost niet in. Hij schrijft net als Kierkegaard voorwoorden zonder boek, hoont de waarheid uit wier naam hij schrijft en lacht om de metafysica waarnaar hij verlangt. Nietzsche is in het bewustzijn van zijn volle verstand (wat bij hem niet alles zegt) een esoterisch denker. Hij wil niet begrepen worden, omdat dat niet kan.

In die zin is een debat uit 1981 tussen Gadamer en Derrida van belang. Gadamer vond het onvoorstelbaar dat iemand schreef zonder begrepen te willen worden, terwijl Derrida meende dat je het abnormale of het onzegbare uitsloot, wanneer steeds maar wederzijds begrip werd verlangd. In die laatste opvatting staat filosofie dicht bij literatuur. Romans of gedichten hoeven ook niet volstrekt helder te zijn. Juist in hun indirectheid en dubbelzinnigheid kunnen ze iets zeggen dat in een wetenschappelijk betoog buiten bereik blijft.

Die omhelzing van filosofie en literatuur is niet nieuw, maar bloeit de laatste tien jaar als nooit tevoren. In het voetspoor van Nietzsche, Heidegger en Derrida is een weinig vruchtbare traditie ontstaan die het onzegbare wil verwoorden door 'artistiek denken', dat het kennelijk gemis aan metafysica moet vervangen. In dit denken valt op dat waar het belang van de taal, terecht, voortdurend wordt beklemtoond, het wantrouwen in diezelfde taal zo ver gaat. Dat is zwak, en het is romantisch.

Het is zwak, omdat het al uitgaat van het verlies: je wilt iets beweren en omdat je weet dat je het niet kúnt, beweer je iets anders, waarvan de lezer dan moet geloven dat er staat wat er niet staat. Ik wantrouw echter niet alleen de waarheid, maar ook de pretentie die de suggestie hoger stelt dan de welomschreven bewering. Het is romantisch, omdat dit wantrouwen in de taal de clichés reproduceert die we al tweehonderd jaar kennen: dat de rede tekortschiet, dat het fragment rijker is dan het afgeronde betoog, dat de paradox diepten opent die het argument nooit kan bereiken, dat de taal statisch is en van de mythe kan leren, enzovoorts.

Gelukkig is IJsseling zo inconsequent een lijn in haar betoog aan te brengen. In zekere zin schrijft ze zelfs, voor iemand die zo'n benadering bepleit, opvallend helder. Het is daarom teleurstellend dat ze Derrida niet alleen als vertrekpunt neemt, maar ook als een veilige haven, die ze zelden verlaat. Eigenlijk onderzoekt dit boek te weinig het filosofische voorwoord en wil het nog eens een illustratie zijn van wat we in de laatste eeuw filosofie te weten zijn gekomen: dat waarheid een illusie is en dat we onszelf met universele aanspraken voor de gek houden. Daarop is inmiddels veel gevarieerd door denkers als Derrida, die hierin, leunend op Nietzsche en Heidegger, een al te langdurig afscheid van de metafysica uitspinnen.

waar met een geweer.