Westerse kijk op Bosnië deugt niet

Carlos Westendorp, de Hoge Vertegenwoordiger van de internationale gemeenschap in Bosnië, is blijkens zijn analyse in deze krant van 17 december jl. gematigd optimistisch over de mogelijkheden van die internationale gemeenschap van Bosnië een democratische staat te maken. Hij schrijft: “De laatste maanden hebben wij op alle fronten vooruitgang geboekt met onze moeilijke taak om de voornaamste obstakels weg te nemen die de democratisering van het land in de weg staan.”

Democratisering van het 'kunstmatig in etnisch gezuiverde gebieden verdeelde' land, implementatie van de uitslag van de lokale verkiezingen, terugkeer van vluchtelingen en ontheemden naar hun vroegere woongebieden plus herstel van de economie - dat zijn de door Westendorp geformuleerde kerndoelen. Over de prijs van dat alles (alleen al de VS zullen in 1998 ruim drie miljard dollar spenderen aan militaire en civiele activiteiten in Bosnië) rept hij niet.

Natuurlijk, als die doelen bereikt kunnen worden is geen prijs te hoog. Maar hoe bereikbaar zijn ze? En op welke termijn? Hoe democratiseer je een samenleving (in dit verband trouwens een ongelukkig begrip) waar slechts weinigen enige notie hebben van wat democratie is? Democratie heeft Bosnië immers nooit gekend: onder Tito niet, in het Koninkrijk Joegoslavië niet, onder Oostenrijks-Hongaars bestuur niet en al helemaal niet tijdens de 500 jaar Turkse overheersing.

“Er zal geen echt democratisch Bosnië kunnen bestaan wanneer geen vrije en eerlijke verkiezingen worden gehouden die het de ideologische partijen naar Europees voorbeeld mogelijk maken hun mening te uiten en het op te nemen tegen de overwegend mono-ethnische groeperingen”, schrijft Westendorp. Maar die 'vrije en eerlijke' verkiezingen zijn in 1990 al eens gehouden. Met als resultaat dat 85 procent van de drie bevolkingsgroepen, óók in het zogenaamd multi-nationale Sarajevo, op de eigen 'nationale' partij stemde. Slechts 15 procent stemde op een van de 'partijen naar Europees voorbeeld'.

Dat door de oorlog een klimaat van haat en vijandschap tussen Serviërs, Kroaten en moslims is ontstaan is dan ook een hardnekkig misverstand en niet alleen bij Carlos Westendorp. Dat klimaat is de afgelopen 600 jaar, ondanks de schijnbare verbetering ervan onder Tito, nooit beter geweest, lees Nobelprijswinnaar Ivo Andric er maar op na. En zeker op de Balkan is het collectieve geheugen van de bewoners nogal persistent. Kortom: de oorlog was een gevolg van dat slechte klimaat, niet omgekeerd. Dat door die oorlog het absolute nulpunt is bereikt, is heel wat anders.

Waarin verschillen die nationale partijen, de 'mono-etnische groeperingen', eigenlijk van 'ideologische partijen naar Europees voorbeeld'? Het onderscheid dat Westendorp maakt berust op een ander hardnekkig misverstand. Er bestaan geen etnische verschillen tussen Bosnische moslims, Serven en Kroaten, ze behoren allen tot hetzelfde etno: het volk van de Zuidslaven. (Een deel van) de ene bevolkingsgroep is praktiserend islamiet, de tweede orthodox en de derde rooms-katholiek. Maar zoals er in Nederland geen etnische verschillen worden gedefinieerd tussen bijvoorbeeld rooms-katholieken, hervormden en gereformeerden bestaan die ook in Bosnië niet. In elk geval, wat de Bosniërs elkaar ook hebben aangedaan, met 'etnische twisten' en 'etnische zuiveringen' had dat niets te maken.

De verwarring hierover is ontstaan doordat onder Tito de islamitische-, orthodoxe- en rooms-katholieke Zuidslaven tot 'natie' zijn verheven: tot moslims, Serven en Kroaten. Maar naties, politiek-staatkundig gedefinieerd, zijn niet automatisch ook volken in antropologische zin. Hun 'nationale' partijen zijn in wezen niet meer of minder dan confessionele partijen waarvan er in Europa zo veel zijn. Het probleem ligt dan ook meer bij het unieke feit dat er in die ene Bosnische staat maar liefst drie naties bestaan, mèt de daarbij horende en in de grondwet beschreven nationale rechten, waardoor politieke conflicten al snel nationale conflicten worden. En de geschiedenis leert dat nationale conflicten naar oorlog tenderen.

Als de buitenwereld ècht iets voor Bosnië wil doen moet men ook beginnen met het (ondanks alles sporadisch nog aanwezige) gevoel te versterken dat er in Bosnië Bosniërs wonen in plaats van moslims (tegenwoordig Bosnjaken genoemd), Serven en Kroaten. Maar daar is, naast veel goede wil, een heel lange adem voor nodig. De vraag is of de adem van de internationale gemeenschap ondanks de goede wil van Westendorp c.s. lang genoeg zal zijn. In elk geval, zolang dat gevoel niet bij de meerderheid van de bevolking aanwezig is zal de Republiek Bosnië en Herçegovina, Westendorp constateert het misprijzend, een staat zijn 'waarbinnen een strikte verdeelsleutel geldt voor de vertegenwoordiging van de drie gemeenschappen'. Dat is overigens niet een toestand die bestond aan het eind van de oorlog en die een gunstige voedingsbodem vormt voor de inter-etnische conflictsituatie die door de oorlog is ontstaan. Integendeel, die verdeelsleutel is bijna 50 jaar lang pijnlijk nauwkeurig gehanteerd, juist om conflicten tussen de Bosnische naties te voorkomen.

“SFOR helpt met het bieden van bescherming bij de terugkeer van vluchtelingen en is er op voorbereid de veiligheid te garanderen wanneer de uitslag van de lokale verkiezingen wordt uitgevoerd”, schrijft Westendorp verder. Maar sinds het sluiten van de akkoorden van Dayton, twee jaar geleden, zijn er bitter weinig mensen naar hun vooroorlogse woonstede teruggekeerd. Binnen de moslim-Kroatische entiteit (waar 'terugkeer' zelfs geproclameerd officieel beleid is) zijn de meeste pogingen gestrand op onwil van zowel moslims als Kroaten om hun vroegere buren toe te laten. In de Servische entiteit is het nog nauwelijks een thema.

SFOR-troepen kunnen hervestiging van mensen in hun oude dorpen en steden eventueel afdwingen, als daar tenminste nog een steen op de andere staat. Maar dan moeten ze wel eerst de huidige bewoners (op hun beurt van huis en haard verdreven) verwijderen, zodat er automatisch een nieuw probleem ontstaat. Vervolgens zullen ze ter bescherming van iedereen permanent aanwezig moeten blijven. Minstens nog zo'n 20-30 jaar schat ik, net als op Cyprus.

Het was overigens een uitgesproken slecht idee om gemeenteraadsverkiezingen te houden met deelname van partijen waarvan zowel kiezers als gekozenen tijdens de oorlog gevlucht zijn en nu elders wonen. 'Implementatie van de verkiezingsuitslagen' is een soort bezweringsformule waarmee men een massale terugkeer van vluchtelingen hoopt te bereiken en dat heeft voor de internationale organisaties de hoogste prioriteit. Maar onvermijdelijk zullen overal in het land hilarische situaties ontstaan: gemeenteraadsleden die, met een bus of in konvooi, onder SFOR-begeleiding naar het gemeentehuis worden gebracht en weer terug. Afgezien van het feit dat dit niet lang is vol te houden, zal het een lachwekkend beeld zijn dat de geloofwaardigheid van de internationale gemeenschap ernstig aantast. De zo gewenste terugkeer van vluchtelingen komt er geen stap mee dichterbij, integendeel.