Wenen aan het begin van de eeuw; De kinderschoenen van de Führer

Brigitte Hamann: Hitlers Wien. Lehrjahre eines Diktators. Piper Verlag (1996), 652 blz. ƒ 76,-

Adolf Hitler is onbetwist de belangrijkste politieke figuur van de twintigste eeuw, betoogde Gordon Craig 20 november j.l. in The New York Review of Books in een recensie van de zoveelste biografie die over Hitler is verschenen (The Hitler of History van John Lukacs). Want het mag waar zijn, zoals Sebastian Haffner in zijn briljante essay Anmerkungen zu Hitler uit 1978 schreef dat drie wezenlijke maatschappelijke veranderingen in Duitsland al lang voor Hitler begonnen waren en zich ook in zijn Derde Rijk verder hebben ontwikkeld: de democratisering van de standenstaat, de liberalisering van de seksuele moraal en de emancipatie van de vrouw. Dat neemt niet weg dat we sinds de dertiger jaren 'in de wereld van Hitler leven'. Zonder hem geen Duitse en Europese deling, geen Israel, geen snelle neergang van Europa's dominerende rol in het wereldgebeuren, zoals Haffner trouwens ook toegaf. Maar vooral: zonder Hitler ook geen Holocaust, die als de diepste morele crisis van de westelijke cultuur kan worden gezien.

De laatste jaren zag het er naar uit dat de niet aflatende stroom van Hitler-boeken weinig nieuwe feiten over het leven van de Versucher uit Braunau am Inn meer zou kunnen brengen, maar alleen nieuwe visies, andere perspectieven, nog niet uitgediepte aspecten. De Weense historica Brigitte Hamann, bekend geworden met biografieën van Habsburgers als kroonprins Rudolf en keizerin Elisabeth en de pacifiste Bertha von Suttner, heeft met haar boek Hitlers Wien, Lehrjahre eines Diktators wat onmogelijk leek toch tot stand gebracht. Zij heeft door minutieus onderzoek in archieven en oude kranten, door het opsporen van nog onbekende connecties van de jonge Adolf Hitler en niet in de laatste plaats door het vakkundig schilderen van het sociale, intellectuele en artistieke klimaat in het Wenen van 1908 tot 1913 een heel aantal nieuwe feiten aan het licht gebracht.

Bovendien heeft zij allerlei mythes over de ontwikkeling van de grote dictator doorgeprikt. In eerste instantie de door hemzelf in de wereld geholpen fabels uit Mein Kampf, maar daarnaast ook meer dan een fabeltje dat tot het standaardrepertoire van Hitlerbiografieën is gaan behoren. En tenslotte heeft zij de onfrisse bronnen waaraan de jonge, straatarme, mislukte artiest, zwetser en luiwammes Hitler zich in Wenen laafde verhelderend en uitputtend beschreven. Kortom : Brigitte Hamann heeft aan de 'Hitler-Forschung' een boek bijgedragen dat elke historicus die zich met het fenomeen Hitler bezighoudt op zijn werkplank moet hebben staan en moet raadplegen.

Dol op zijn moeder

Hitler verbleef van februari 1908 tot eind mei 1913 in Wenen. In dat laatste jaar ging hij naar Duitsland om de Oostenrijkse diensplicht te ontlopen. In München nam hij wel dienst in het Duitse leger, waarin hij het tot korporaal bracht en twee onderscheidingen kreeg voor dapperheid aan het front. Toen Hitler in 1908 naar Wenen ging kwam hij uit Linz, waar hij vruchteloos een middelbare school had bezocht en waar zijn moeder kort tevoren was gestorven. Hij was toen 18 jaar oud en had daarvoor vooral Karl May boeken verslonden en Duits-nationale denkbeelden opgepikt. Op school was hij ongezeggelijk en lui, maar de joodse huisarts van de familie Hitler, dr. Bloch, beschreef hem later als welgemanierd in het dagelijkse verkeer, keurig en dol op zijn moeder. Als Rijkskanselier nam Hitler Bloch overigens in bescherming tegen de anti-joodse maatregelen na de Anschluss en maakte hij het Bloch en diens familie mogelijk nog in november 1940 naar Amerika te emigreren.

Brigitte Hamann rekent al vanaf het begin van haar boek met hardnekkige mythevorming af. Zij dook in de archieven en vond geen spoor van Hitlers vaak beweerde joodse afstamming. Zij toont afdoende aan dat Hitler als armoedzaaier met een klein spaarduitje naar Wenen ging en niet als welgestelde erfgenaam, zoals in meer dan een biografie beweerd is. Dat hij zijn doodzieke moeder zou hebben verwaarloosd blijkt al evenzeer uit de lucht gegrepen, evenals het verhaal dat Hitler antisemiet zou zijn geworden door de dure en slechte behandeling van zijn moeder door dr. Bloch. Ook van het verhaal dat Hitlers antisemitisme in Wenen zou zijn gevoed door slechte ervaringen met joden blijft niets over. Integendeel, Hitlers vrienden in het onder andere door Rothschild gefinancierde Weense tehuis voor mannen Brigittenau, waar hij na een periode van dakloosheid en misère onderdak vond, waren voor een groot deel joods, net zoals de handelaren die hem aan een klein inkomen hielpen door zijn stadsgezichtjes op briefkaartformaat te verkopen.

Ook in kunst en cultuur was er in Wenen nog niet veel van Hitlers latere rabiate antisemitisme te merken. Hij bewonderde Heine, stond als trouw operabezoeker (op een staanplaats) pal aan de kant van Gustav Mahler toen die werd weggewerkt als dirigent en hij toonde zich vol bewondering voor de gecultiveerde liberale joodse 'grosssbürgerliche' levensstijl van de familie Jahoda, die hij door een jeugdvriend had leren kennen en die zich enigzins over de arme 'kunstenaar' ontfermde. In het mannentehuis liet hij meer dan eens blijken gefascineerd te zijn door de overlevingskracht van het joodse volk en bestudeerde hij het boek uit de bijbel Joshua.

Ongare brouwsels

Toch deed Hitler zijn ideologische antisemitisme zonder twijfel in Wenen op. Dat was ook niet moeilijk in een stad waar de meest ongare brouwsels van 'arische' rassenwaan, mystiek, astrologie en joodse zelfhaat op het vuur stonden die vaak opgedist werden in de vorm van haat tegen de joden, primair tegen de bij tienduizenden naar Wenen gestroomde gelovige 'Ostjuden', maar later steeds meer ook tegen de inheemse geassimileerde joodse minderheid. Brigitte Hamann beschrijft een aantal van de wonderlijke profeten en 'denkers' uit die tijd maar zij gaat vooral in detail in op de politici die op Hitler indruk maakten en uiteindelijk grote invloed hadden op zijn eigen politieke optreden. Dat waren Georg Ritter von Schönerer, diens aanvankelijke medestanders Franz Stein en Karl Hermann Wolf en de beroemde burgemeester van Wenen in die dagen : Karl Lueger, 'der schoene Karl' in de volksmond en tot op de dag van vandaag een met straatnamen en standbeelden geëerde figuur in de hoofdstad van Oostenrijk.

Alle vier waren geheide antisemieten. Schönerer, een grootheidswaanzinnige edelman die zich 'Führer' liet noemen en wiens volgelingen 'Heil' brulden, gooide als eerste de jodenhaat over een racistische boeg. In haten was hij trouwens goed. De katholieke kerk verafschuwde hij ook en hij wilde een nieuw Duitsland bouwen zonder joden en zonder Rome. Schönerer bracht het overigens niet ver. Uiteindelijk raakte hij zijn zetel in het parlement kwijt. Zijn adellijke titel was hem al eerder afgenomen. Hoewel Hitler Schönerer eigenlijk in zijn nadagen meemaakte nam hij toch van alles uit zijn politieke boedel over. Van Franz Stein, leider van de Duits nationale vleugel van de arbeidersbeweging, leerde Hitler weer iets anders : hoe krasse antisemitische propaganda arbeiders kon losweken van de internationaal georiënteerde marxistische socialistische leiders, die voor een groot deel joods waren.

Karl Hermann Wolf was een meeslepende redenaar, die van een door de Duitse minderheid geleid Groot-Oostenrijk droomde en nog meer anti-Tsjechisch dan anti-joods was. Hij introduceerde het rauwe schelden in de politieke arena, hij duelleerde met minister-president Graaf Badeni en zweepte de nauw met hem verbonden studentencorpora op tot straatterreur. Hij leefde nog toen Hitler aan de macht kwam en hij werd dan ook door de Führer officieel geëerd als een grote Duits-nationale figuur. Na 1938 kreeg Wolf van Hitler een pensioen. Bij zijn dood in 1941 een pompeuze staatsbegrafenis. Hitler kon hem ook dankbaar zijn. Van Wolf pikte hij op hoe een minderheid met verbaal extremisme en terreur op straat een staat kan destabiliseren en politieke doelen kan verwezenlijken.

Burgemeester Lueger

De meest dominerende figuur in Hitlers Wenen was burgemeester Lueger. Een demagoog van belang, die zichzelf zag als een volkstribuun, als vertegenwoordiger van de 'kleine luiden' en ingetogen en sober leefde (zijn maîtresse kwam pas na zijn dood uit de coulissen). Op kleine schaal deed hij wat zijn leerling Hitler met massaregie perfectionneerde: hij trad op voor het volk met trompetgeschal en militair vertoon. De boodschap die hij hardhandig, vaak in dialect en doorspekt met platte grappen bracht was er een van sociaal katholicisme, waarbij de joden, 'het volk dat God vermoordde', als de grote vijand werden afgeschilderd. (In kleine kring zei Lueger overigens dat hij antisemiet was uit opportunisme en dat hij niets tegen joden had.) Lueger werd met deze aanpak enorm populair. De minderheidsgroepering der 'Christlichsozialen' maakte hij ermee tot een meerderheidspartij. Daarna, als burgemeester van Wenen, trok hij moeiteloos alle macht naar het stadsbestuur, dat weldra zijn tentakels had in elk aspect van het economische, politieke en sociale leven van de stad.

Hamann laat in haar boek overtuigend zien hoe belangrijk voor Hitlers politieke vorming de Weense jaren waren. Hitler schreef dat trouwens zelf in Mein Kampf. In dat boek schrijft hij weliswaar ook een hoop onzin over zijn achtergrond en 'Werdegang', maar juist lijkt zijn bewering dat hij afgeronde politieke denkbeelden had toen hij in 1913 naar Duitsland emigreerde. Dat deze zich in Wenen hadden uitgekristalliseerd onder invloed van bovengenoemde politieke figuren maakt Hamann meer dan geloofwaardig. Voor Oostenrijk, dat na 1945 zich als 'eerste slachtoffer van de nazi's' aan de wereld presenteerde, mag het moeilijk verteerbaar zijn maar niemand kan er meer aan twijfelen dat Hitler een product was van de giftige dampen die in die jaren, overigens tegelijkertijd en naast de invloeden waaruit het modernisme van Loos, Kokoschka, Schönberg en Musil ontstond, uit de veelvolkerenstaat opborrelden.