Visies op Awater

Henk Abma (samenstelling) en Theo de Boer: Nooit zag ik Awater zo van nabij. Acht kunstenaars over Awater van Martinus Nijhoff. 152 blz. ƒ 25,-

Henk Abma, dominee te Kortenhoef en organisator van tentoonstellingen van hedendaagse kunst in zijn kerk, nodigde acht beeldende kunstenaars uit om te reageren op het gedicht Awater (1934) van Martinus Nijhoff. Behalve een tentoonstelling leverde dit ook een mooi boek op. Het bevat, naast dit op zichzelf al zeer beeldende gedicht, een essay van Abma over de bijdragen van de acht kunstenaars, illustraties van hun werk, en een interpretatie van Awater door Theo de Boer.

Het boek laat zich lezen als een oefening in veelzijdigheid en gelaagdheid. Terwijl Theo de Boer diverse interpretaties van letterkundigen aandraagt, komen de beeldende kunstenaars met eigen invalshoeken. Marieke Bolhuis bijvoorbeeld concentreerde zich op de geluiden in het gedicht - het trommelen van vingers op het tafelblad - en op de diepe stilte die Nijhoff oproept. Robine Clignett schilderde de bezonken kleuren van Awater: de avond blauwt, avondrood, wit porselein, een boekje van maroccogroen, een sneeuwvlok dwarrelt tussen droppen bloed. Klaus Baumgärtner nam de taal als uitgangspunt. Ik vat zijn bijdrage op als een poging een schakel te leggen tussen het begin van het Oude Testament, waar de eerste regels van Awater naar verwijzen: 'Wees hier aanwezig, allereerste geest,/ die over wateren van aanvang zweeft' en het begin van het evangelie van Johannes: 'In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God'. Baumgärtner isoleerde alle substantieven uit Awater en voegde ze samen tot fraaie typografische woordbeelden. Er spreekt een groot ontzag uit voor de scheppende kracht van het woord.

Vier bijdragen, van Marcel van Eeden, Reinoud Oudshoorn, Eli Content en Michel Hoogervorst, gaan, op heel verschillende manieren, over de rouw om de dood van de vader. Bij Tineke Smith is de eenzaamheid van de regel 'Ik heb sinds mijn broer stierf geen reisgenoot' de leidraad. Graag had ik ook nog een kunstwerk willen zien waarin het verlangen van de ik-persoon tot uitdrukking komt. In het gedicht wordt dit verlangen uitgedrukt in zijn zich steeds versnellende pas. Eerst heeft hij moeite om Awater bij te houden, hij verliest hem zelfs bijna uit het oog. Dan zorgt hij 'gelijke tred met Awater te houden' en ten slotte krijgt hij haast, laat Awater zelfs achter en stapt op de trein. Als Awater de personifiëring van de kunst is, wat aannemelijk lijkt - hij heet bijvoorbeeld een 'groot artiest' -, gaat dit gedicht dan vooral niet over het najagen van het eigen visioen, het trouw blijven aan eigen inzichten? Dat kan alleen als je bereid bent te vergeten dat er post ligt thuis, dat het raam aanstaat, dat er vuur brandt in de schouw en dat je niets bij je hebt. Voor degene die deze 'menigvoudige bezorgdheden' vergeet, zal de tuimelende vlieger opstijgen. De ongeduldige locomotief kan vertrekken: 'Zij zingt, zij tilt een knie, door stoom omstuwd./ Zij vertrekt op het voorgeschreven uur.' Volgens mij gaat Awater over scheppen, over het maken van kunst. Gek, dat geen van de acht kunstenaars hieraan heeft gedacht.