Verrassende poëzie van Les Murray; Lummelaars in puntneuzige groene pantoffels

Les Murray: De slabonenpreek. Samenstelling, vertaling en nawoord Maarten Elzinga. Meulenhoff. 126 blz. ƒ 25,-

De slabonenpreek: dat is de vreemde titel van de bundel waarmee de poëzie van Les Murray in het Nederlands wordt geïntroduceerd. Hij is ontleend aan een mooi, maar ook merkwaardig gedicht, waarin Murray de lof zingt van de slaboon. Meer in het bijzonder: van de overvloed aan slabonen die altijd voorhanden blijkt te zijn als de dichter zich voorneemt een maaltje te gaan plukken. Ze zijn in zijn tuin in alle soorten en maten te vinden, en in allerlei vormen en gedaanten: van 'rijpe, knobbelige, vlezig-dikke, / dun-rechte, dun-halvemaanvormige, breed gefronste, vogelschouderige, kielgebogene, / geknokkelde bonen of met een enkele bult, zogende piepkleine groene dolfijnen' tot en met 'lummelaars in puntneuzige groene pantoffels.' En dat zijn nog maar enkele regels uit de rijke beeldenvloed waartoe de bonen met hun royale aanwezigheid de plukkende dichter aanzetten.

Er spreekt liefde uit dit lange gedicht: tuindersliefde voor de slaboon in al zijn verschijningsvormen en dichterlijke liefde voor beelden en opsommingen. Maar het getuigt daarnaast ook eenvoudigweg van gulzigheid. Dat er in de bonen allerlei betekenissen zijn te ontwaren is mooi, maar het is natuurlijk nog mooier dat het hier om 'eetbare betekenissen' gaat. De les die de bonen ons in hun preek willen voorhouden is volgens de dichter dan ook: 'zondig zachtjes tegen ons', wat hier zoveel wil zeggen als: eet ons, maar doe het wel een beetje voorzichtig. Het gedicht eindigt met een gelukkig grijnzende dichter die bij de aanblik van zijn groene overvloed vrolijk beseft dat er nog wekenlang geplukt en gegeten zal kunnen worden, 'tot en met de allerlaatste (...) die misvormd zijn als tenen.'

De slabonenpreek is een bijzonder gedicht, van een in alle opzichten bijzondere dichter. Ook zijn aanbevelingsbrieven mogen er zijn: Derek Walcott en Joseph Brodsky hebben zich lovend over zijn werk uitgelaten. Volgens Blake Morrison hoort hij thuis 'in de superliga van dichters als Seamus Heaney, Derek Walcott en Joseph Brodsky.' En de uitgeverij meldde in een begeleidend schrijven dat hij 'bij herhaling is getipt als Nobelprijswinnaar.'

Ook zijn biografische achtergronden zijn bijzonder, zoals na te lezen valt in het uitvoerige nawoord van vertaler Maarten Elzinga. Murray is afkomstig uit Australië, dat in de westerse wereld toch al graag voor een uithoek wordt versleten, en dan ook nog eens uit een volkomen afgelegen streek. Bunyah, zo'n tweehonderdvijftig kilometer ten noorden van Sydney, is een twaalf kilometer lange vallei tussen twee heuvelruggen met enkele tientallen verspreide boerderijen met in totaal zo'n tachtig bewoners. Het is de plek waar Murrays voorvaderen, arme Schotse boeren, zich in het midden van de vorige eeuw als kolonisten vestigden. In deze kleine en geïsoleerde gemeenschap van boeren en houthakkers werd Murray geboren: volgens de kalender in 1938, maar in werkelijkheid in de negentiende eeuw, in een samenleving die sinds de komst van de eerste pioniers nog nauwelijks veranderd was.

De twintigste eeuw was dichtbij, aan de andere kant van de heuvels van de vallei, maar het duurde lang voordat Murray ermee in aanraking kwam. Zijn eerste contacten met die zogenaamde moderne wereld leidden tot een regelrechte cultuurschok. Het is zelfs de vraag of Murray zich ooit buiten de Bunyah-vallei begeven zou hebben als hij niet, op zijn achttiende, de moderne poëzie had ontdekt. 'Dat paste bij alles wat ik altijd al geweest was, en bezegelde mijn lot' zo zei hij er later zelf over. Het deed hem besluiten te gaan studeren, in Sydney. Hij leidde er enkele jaren een ongeregeld leven met veel reizen en perioden van dakloosheid, in het geestelijke gekenmerkt door religieuze omzwervingen en een naar eigen zeggen 'goedaardige maar gestaag verergerende depressie.' Hij volgde er de meest uiteenlopende colleges, van Chinees en biologie tot en met psychologie en natuurkunde: ook al niet bevorderlijk voor een vlotte academische loopbaan, maar wel voor het bevredigen van zijn grote nieuwsgierigheid en, indirect, voor zijn poëzie - en trouwens ook voor zijn eruditie en talenkennis, die inmiddels legendarisch schijnen te zijn. In 1965 verscheen zijn eerste, al meteen enthousiast ontvangen bundel. Het bleek het begin van een enorme productie: sindsdien publiceerde Murray tien lijvige dichtbundels, een reeks artikelen en vertalingen, enkele essaybundels en bloemlezingen en ook een roman in 140 sonnetten. Dit jaar zal opnieuw een 'roman' verschijnen, Neptune Freddy, die maar liefst 10.000 verzen zal beslaan.

Overvloed, brede belangstelling, rusteloosheid en eigenzinnigheid kenmerken de poëzie van Murray - al kun je ook zeggen dat hij zich nooit geheel en al aan de gangbare, westerse, intellectuele opvattingen over poëzie en cultuur heeft kunnen en willen aanpassen. Murray leefde en leeft in twee werelden, ook in de praktijk. In 1985 keerde hij met vrouw en kinderen terug naar Bunyah, de stille thuishaven die hij regelmatig verlaat voor bezoeken aan Sydney en tournees door Australië en de rest van de wereld.

In zijn werk zijn ze naast elkaar te vinden: het snelle leven in de metropool en het platteland waar de tijd stil heeft gestaan, modern levensgevoel en eeuwenoude tradities, de nieuwste wetenschappelijke inzichten en een uitgesproken religieus levensbesef. 'Hoewel ik zelf mij naar de steden haast, zal ik altijd blijven / terugkeren hierheen' zegt hij in 'Houthakker op het middaguur', een lange en meeslepende overpeinzing over het leven in zijn geboortestreek. 'Twee mijl hiervandaan is het de twintigste eeuw: / auto's op asfalt, kabelbogen boven boerderijen. / Hier, met mijn bijl, hak ik me een weg door het zwijgen.' Eigenlijk laat het effect van zo'n gedicht zich niet goed in een paar citaten vangen: dat schuilt toch vooral in de voortgang, de gevarieerde herhaling van elementen, de afwisseling van beschrijving en bewering, waarmee de dromende middagstilte, de echo van de voorouders en 'het knisteren van droog gras' worden opgeroepen.

Dit alles wekt misschien de indruk dat Murray graag de zegeningen van het boeren- en houthakkersbedrijf bezingt, maar daarvoor is hij veel te realistisch en, als gezegd, teveel een dichter die in twee werelden leeft: geneigd om allerlei Bunyahse particularia meteen op te nemen in een groter verband. Bovendien is hij een dichter die met merkbaar plezier en gemak speelt met taal en allerlei dichtvormen (waarvan de vertalingen met hun houterige en omslachtige en vaak veel te anglicistische Nederlands eerlijk gezegd meestal maar een povere indruk geven). Er zit aan bijna al zijn gedichten dus ook een kunstmatige kant - en die verhoudt zich van oudsher slecht met simpele 'boerse' lyriek. De slabonenpreek met zijn rijke oogst aan beelden en neologismen was er al een voorbeeld van, en trouwens ook van de humor en vrolijkheid die bij zoveel taalplezier vanzelf ontstaat. 'De koeien op slachtdag' is een ander voorbeeld. Daarin beschrijft een koe wat er in haar hoofd omgaat op de dag waarop zij een andere koe geslacht ziet worden. Het is een droevig relaas, gesteld in een wonderlijk koetaaltje, waardoor het op een ingewikkelde manier ook humoristisch wordt. 'En alle ik laten de goede vladen vallen.' Al even treurig en curieus is een terugblik in de ik-vorm van een geslacht varken, gesteld in het varkentaals.

Het zijn maar enkele voorbeelden van Murray's verrassende benaderingen. Verrassing en variatie, dat is wat in deze bloemlezing het meest in het oog springt. Naast verzen over varkens, koeien en slabonen vinden we hier ook een verhandeling over DNA en over de gedeelde stamboom van alle mensen, of ze aar nu blij mee zijn of niet. Kritische bedenkingen bij het geloof in de evolutie. Een gedicht met de titel 'De droom voorgoed een korte broek te kunnen dragen.' Een lang en amusant verslag van de vele brieven die zijn buurman ontving van krap bij kas zittende onbekenden toen hij de loterij had gewonnen. En een prachtige serie 'Machineportretten', waarin met veel liefde ('Elke machine is liefde') over bulldozers, elektrische zagen, combines, raketten en hijskranen wordt gedicht. En over een veerpont, met daarop zes auto's en een hooiwagen 'plus een mijmerende menselijke bezetting' die vanzelf een beeld voor de gang van de mens door het leven vormt: 'We arriveren. We steken de diepte over in tjoekende stilte. We gaan verder.'

Het is vooral deze vervreemdende blik op het vertrouwde die Murray's poëzie zo bijzonder maakt. Die dubbele blik zou wel eens bij uitstek voorbehouden kunnen zijn aan wie in twee of meer werelden tegelijk leeft: het voorrecht van de provinciaal, of van de balling, ook te vinden bij collega's als Brodsky, Walcott, Heaney en Szymborska.