Tentoonstelling over sjamanisme in Tropenmuseum; Hulpgeesten zonder make-up

Tentoonstelling: Van Siberië tot Cyberspace. De reis van de sjamaan en de zoektocht van de ziel. Tropenmuseum, Linnaeusstraat 2, Amsterdam. T/m 16 augustus 1998. Ma t/m vr 10-17u, za en zo 12-17u. Boek: Wat bezielt de sjamaan? Genezing, extase, kunst. Red. Alexandra Rosenbohm. Prijs ƒ 49,50.

In 1910 fotografeerde de Russische etnograaf S.I. Roedenko een boom in de buurt van de rivier de Ob in Siberië. Het is een bemoedigende boom, want hij is niet helemaal boom gebleven. Het is een boom met een neus, een mond en twee ogen. Veel mensen houden van bossen waar geen andere mensen in lopen, van een Lage Vuursche zonder pannenkoekenhuis en midgetgolfbaan; maar in een waarlijk groot en eenzaam bos is het vast troostend af een toe een boom tegen te komen met een gezicht, in het geval van de Obse boom met het gezicht van een vrouw die wulps en wijs de wandelaar voorbij laat lopen. Volgens Roedenko behoort het gezicht toe aan Joeg-Ilan, een god of geest die het langs de Ob wonende volk de Chanten beschermt. Waarschijnlijk heeft een sjamaan diens gezicht in de stam gekerfd.

In het begin van deze eeuw trokken veel Russische etnografen naar Siberië om het leven van Siberische nomadenstammen te bestuderen. De voorwerpen die ze van de Evenken, de Boerjaten, de Chanten en de Nentsen kochten of roofden, werden opgeslagen in het Etnografisch Museum in St. Petersburg. In West-Europa zijn de Siberische volken veel onbekender dan de Noord-Amerikaanse indianen, net als in het algemeen meer geweten wordt over Amerika dan over Rusland.

Een groot aantal voorwerpen en foto's van de Siberische expedities heeft Rusland nu voor het eerst verlaten en is te zien op een tentoonstelling over sjamanen in het Tropenmuseum in Amsterdam. De tentoonstelling en het erbij horende boek leren veel over deze boodschappers tussen geesten en mensen, die mensen moesten genezen, vermaken, en hun de toekomst voorspellen.

De metaforen die de sjamanen in hun rituelen gebruiken lijken voor niet-Siberiërs buitenissig en toch heel goed op hun plaats. De Jakoeten vierden bijvoorbeeld nieuwjaar door in een leren vat koemis (gegiste paardemelk) met een grote lepel tot schuimende room te kloppen. Zo bootste de sjamaan de schepping van kosmos en aarde na. Dit soort vergelijkingen ken ik bijna alleen van papier, uit gedichten. Volgens sommige moderne onderzoekers die in het boek aan het woord komen, moet het sjamanisme ook als een literair genre gezien worden, als een soort toneelstuk waarin deelnemers en publiek tegelijkertijd wel en niet geloven.

De sjamanen deden hun werk met behulp van een groot aantal voorwerpen; de status van een Boerjatische sjamaan hing onder meer af van het aantal voorwerpen dat hij bezat (al mochten het er nooit meer dan 99 zijn). Van de voorwerpen die het Tropenmuseum toont zijn de hulpgeesten het grappigst.

Deze geesten hielpen de sjamaan op zijn reizen naar de onder- en de bovenwereld (de mensen wonen in de middenwereld). Vaak zijn de hulpgeesten kleine dieren die, ook als de toeschouwer het tekstbordje niet leest, wel als dieren zijn te herkennen, maar soms niet als de juiste: een trosje adelaars lijkt wel een club zeehondjes, een vis van zachte zwarte stof heeft pootjes.

Ook de andere voorwerpen en de kostuums zien er niet plechtig uit. Ze ogen op een vreemde manier praktisch, alsof het echt gebruiksvoorwerpen zijn. Er zijn trommels en maskers, beelden van hulpgeesten en dekkleden voor offerdieren. Misschien is de praktische schijn een gevolg van het gebruikte materiaal, dat niet glimt en glittert. De dingen hoeven niet op te vallen om mooi te zijn; het zijn voorwerpen zonder make-up, die van kleur en textuur niet zoveel verschillen van de natuur om hen heen. Ze zijn dan ook gemaakt van rendierhuid en ganzensnavels, berkenhout en vogelveren. Van metaal is er onder meer een paar platte maskers, schijven waarin aandoenlijke gaatjes zijn uitgespaard.

De voorwerpen zijn in het Tropenmuseum alleen van veraf te zien. De inrichters kozen voor een open opstelling, waardoor de objecten niet achter een glazen wand hoefden te verdwijnen. Het gevolg is wel dat de dingen nu meestal meer dan een meter van de bezoeker verwijderd zijn. De voorwerpen zijn alleen te zien in een totaaloverzicht, dat op een 'ijsschots' van de voorwerpen van elk volk wordt gegeven.

Geen enkel voorwerp is van dichtbij te bekijken, en lopend van schots naar schots rijst al snel de vraag waarom er moeite is gedaan om deze originele voorwerpen naar het museum te halen als de bezoekers ze toch niet goed mogen zien.

Het woord sjamaan is voor zover ik weet het enige woord dat vanuit Siberië in andere talen is doorgedrongen; het is afkomstig uit de taal van de Evenken. Volgens het Tropenmuseum kunnen met het woord sjamaan ook genezers en adviseurs uit andere culturen aangeduid worden (een woord als medicijnman wordt op deze expositie niet gebruikt, misschien klinkt dat nu denigrerend). In de grote lichthal van het museum, waar de tentoonstelling gehouden wordt, zijn daarom ook kleine opstellingen gemaakt van voorwerpen uit Afrika, Azië en Amerika. Er hangt zelfs een bezemsteel, want misschien kun je ook de Europese heksen wel sjamanen noemen.

Het Tropenmuseum wil ook sjamanen in het hier en nu ontwaren. Elk mogelijk verband wordt in de lichthal voorgekauwd. Er is een 'vliegenzwamspoor' dat de mythes over de ook door sjamanen gegeten paddestoel, rood met witte stippen, uitlegt en natuurlijk niet nalaat te verwijzen naar de huidige populariteit van hallucinogene paddestoelen.

De moderne kunst is aanwezig in de vorm van een videoregistratie van een Aktion van de Duitse oppersjamaan Joseph Beuys. Sjamanisme en New Age komt aan bod in een tent waarin op een rond computerscherm informatie op te vragen is over sjamanisme in de Europese cultuur: 'van de rookmagiër tot Oibibio'.

Ook de cyberspace komt hier aan bod, en dan is het begrip sjamanisme zo verwaterd dat alles er wel onder kan vallen. Jammer is dat op de expositie vrijwel geen aandacht besteed wordt aan de huidige positie van het sjamanisme in Siberië. In het boek wordt daar wel iets over verteld.

Het instant gebruik van sjamanistische elementen in de New Age vindt een parallel in de vormgeving van de tentoonstelling. Om in de juiste stemming te komen moet de bezoeker langs de zijkant van de lichthal eerst 'het sjamanenspoor' van zwarte tekens op de vloer naar de eerste verdieping volgen. Dan moet hij op een smalle brug bovenin de hal zijn hoogtevrees overwinnen en via een wenteltrap in de 'wereldboom' afdalen naar de expositie. Zulke trucs komen in een museum meestal betuttelend over. Het is alsof de bezoeker zijn verbeelding thuis moet laten en alleen aan het handje van de tentoonstellingsmakers naar de voorwerpen mag kijken. Liever was ik door een op een zeehond lijkend adelaartje mee op zielenreis genomen.