Spelling moet eenvoudiger

Waarom moet hartelust zonder n worden geschreven maar hartenkreet met een n? De spellingsregels zijn na de jongste veranderingen nog even inconsequent als daarvoor, meent Robbert Roosenboom. Een pleidooi voor regels die iedereen kan toepassen.

Rudy Kousbroek liet onlangs in zijn versie van het 'Nationaal dictee' (NRC Handelsblad, 15 december) op pregnante wijze zien waar de schoen van de nieuwe spellingsregels wringt. Zo dicteerde hij, consequent met -en- gespeld: pannenkoeken, smakenloos, hartenkreten, zielenrust, zielenpoten en ruggengraat. Het was een goede oefening voor het Groot Dictee der Nederlandse Taal van die avond, waarin Philip Freriks dicteerde: hartelust, zielenroerselen, ruggengraat en hartenkreet. De uitleg over het verschil tussen 'hartelust' en 'hartenkreet' liet Freriks wijselijk aan de jury over. De samenstelling 'hartelust' zou een versteende uitdrukking zijn en als zodanig onder de uitzonderingen vallen. Blijkbaar mogen we 'hartenkreet' nog wel opvatten als 'kreet van een/het hart', maar 'hartelust' niet meer als 'lust van een/het hart'.

Intussen stelt Kousbroek nog een ander geval aan de orde: afleidingen als 'hulpenloos' en 'geestenlijk', door hem wederom consequent met de tussenklank -en- geschreven. Hoewel het hier om afleidingen en niet om samenstellingen gaat, is er bij de spelling van de tussenklank geen goede reden om dit onderscheid te maken. De Nederlandse spellers zouden van veel ellende verlost zijn wanneer de tussenklank nog slechts de functie van tussenklank zou hebben en in die hoedanigheid nog maar in één spelwijze zou voorkomen, te weten die van -e-.

Ik pleit dus niet voor een terugkeer naar de oude regel. Daarin wilde men de tussenklank behalve de functie van tussenklank nog enige betekenis meegeven. In de nieuwe regel is dit niet anders geworden: slechts de betekenis die de tussenklank krijgt, is veranderd. De exercitie die men zijn hersenen moet laten maken om in bepaalde gevallen een knoop door te hakken, is evenwel van gelijke orde. Volgens de hoofdregel schrijven we nu 'boekenwurm' maar 'gedachtespinsel', omdat 'gedachte' twee meervouden heeft, 'gedachten' en 'gedachtes', terwijl dit voor 'boek' niet geldt.

De vreemde verschijningsvormen waartoe deze hoofdregel leidt, kunnen met een enkel voorbeeld geïllustreerd worden. Wie denkt dat 'weduwe' slechts één meervoud (op -en) heeft, vergist zich, want we moeten nu toch echt 'weduwepensioen' schrijven. De uitzonderingen op de hoofdregel zijn nog zotter. Ik noem er twee, in de vorm van de ezelsbruggetjes die we er in het onderwijs noodgedwongen inmiddels voor gevonden hebben: ten eerste 'dier + plant = plant' en ten tweede het 'eerste woord/ is enig in zijn soort'. Volgens de eerste uitzondering schrijven we 'paardebloem' en 'kattekruid' en volgens de tweede 'koninginnedag' en 'maneschijn'. Bij deze uitzonderingen is de tussenklank weer verweven met de betekenis van (een lid of de leden van) de samenstelling. Bij een derde categorie uitzonderingen, die van de vermeende en versteende samenstellingen, is het niet anders: een paddestoel is geen stoel van een pad (meer) en krijgt daarom de tussenklank -e-.

Het had ook anders gekund. Hiervoor keer ik terug naar Kousbroeks afleidingen 'hulpeloos' en 'geestelijk'. Onder het regime van de oude spelling vroeg vrijwel niemand zich bij het schrijven van woorden op -loos af of het eerste lid noodzakelijk de gedachte aan een meervoud opwekte. We schreven 'tandeloos' en de vraag of het zonder tand dan wel zonder tanden was, deed totaal niet ter zake. En nog steeds schrijven we deze afleidingen met -e-, want de vraag of het woord tand één meervoud op -en heeft, doet totaal niet ter zake.

Hetzelfde geldt voor afleidingen met het achtervoegsel -lijk: we schreven en schrijven 'wettelijk'. Er zijn helaas wel enkele afleidingen op -loos met de tussenklank -en-: handenloos, tranenloos en klassenloos; daarnaast de dubbelspellingen: vriende(n)loos, woorde(n)loos en grenze(n)loos.

Deze uitzonderingen doen naar mijn idee nog weinig afbreuk aan de constatering dat bij vorming van afleidingen met de achtervoegsels -loos en -lijk de tussenklank een zuivere, 'intermediaire' functie heeft: aan de klank wordt geen enkele betekenis toegekend, hij dient slechts als overbrugging, zonder welke het woord niet aan het achtervoegsel gehecht kan worden. De spelling lijkt in dezen de uitspraak in het taalgebruik gevolgd te hebben en gelukkig hebben spellingshervormers hierin nog niet met regelgeving achteraf enig 'systeem' willen aanbrengen.

Zo kan het ook met de tussenklank in samenstellingen: de tussenklank -e(n)- moet geen andere functie krijgen dan die van tussenklank en kan als zodanig in zijn schrijfwijze beperkt worden tot één mogelijkheid, die van -e-. We schrijven dan: bessesap, hartekreet, hartelust, koninginnedag, kouseband, ruggegraat, trappehuis, vrouwestem, zielepoot en zielerust; maar dan ook: bessejenever, kousewinkel, pereboom en vrouwekoor. En dat alles op grond van één en dezelfde regel. Met een dergelijke wijziging van de regel vervallen bovendien per definitie onmiddellijk alle uitzonderingscategorieën.

Nieuwe uitzonderingen hoeven niet gemaakt te worden. Het lijkt me dat uitzonderingen meestal gemaakt werden in die gevallen waarin de spelwijze-volgens-de-regel niet overeenkomt met een hardnekkig woordbeeld dat zich al lang op de netvliezen van de Nederlandse taalgebruikers had gevormd. In het geval van een regel die voorschrijft dat een tussenklank altijd als -e- geschreven wordt, ontstaan volgens mij weinig kortsluitingen met intuïtief gespelde woordbeelden.

De spelwijze-1994 is nog geen deel gaan uitmaken van de tweede natuur van de spellers. Kortsluitingen zullen eerder ontstaan in die gevallen waarin de spellers graag -en- geschreven zouden hebben omdat het eerste lid van de samenstelling een meervoud dient uit te drukken, bijvoorbeeld in: bijekorf, boekekast, mierehoop, miljoenenota en ziekehuis. Aan deze spelling zullen we dan moeten wennen. Dat lijkt me echter goed te doen. Wie zich bij deze gevallen inprent dat de tussenklank geen andere betekenis of functie heeft dan met een extra lettergreep de afstand tussen 'bij' en 'korf' enzovoort te overbruggen zoals ook in afleidingen als 'hopeloos' en 'maagdelijk', zal er weinig moeite mee hebben. We zeggen nu eenmaal niet: bijkorf, hooploos of maagdlijk.

Ten slotte nog een argument dat wat mij betreft bij wijzigingen in de spellingsregels iets vaker de doorslag mag geven. Met de invoering van de nieuwe regels voor de tussenklank bleef het met de leerbaarheid van de regels slecht gesteld. Zonder veel overdrijving kan men stellen dat een academische opleiding welhaast een vereiste is om de regels goed te kunnen toepassen. In de bovenbouw van Havo en VWO is het mij - en velen met mij - nog niet gelukt om de leerlingen hetzij de oude hetzij de nieuwe regels zonder fouten te laten toepassen. Ik geef hier wellicht een brevet van onvermogen af, maar dan daag ik de spellingshervormers uit om het eens een paar lessen van mij over te nemen. Leerbaarheid staat in spellingsonderwijs geenszins op gespannen voet met logica. Deze logica was en is in de regels voor de tussenklank -e(n)- ver te zoeken en daardoor waren deze regels moeilijk toe te passen. Met een regel die slechts één tussenklank kent, zal dit euvel verholpen worden. Op den duur hoeven we wellicht die regel niet eens meer aan te leren, zoals we leerlingen nu ook niet met regels omtrent -e(n)loos of -e(n)lijk in aanraking laten komen.

Rudy Kousbroek had waarschijnlijk geen voorbeeldzinnen kunnen maken waarin de regels voor het schrijven van de tussenklank -e- tot in het absurde doorgevoerd zouden zijn, maar als bijdrage aan de discussie zou mij dat toch niet onwelkom zijn. Het gaat er mij om dat er snel weer een wetswijziging komt. Wellicht kan minister Sorgdrager de schade herstellen die Ritzen en Nuis met het Spellingsbesluit-1994 hebben aangericht, nu zij aan den lijve ervaren heeft dat het verschil tussen 'hartelust' en 'hartenkreet' op een absurde regel-met-uitzonderingen berust.