Searle over het bewustzijn; Denkers van vlees en bloed

John R. Searle: The mystery of consciousness. Granta, 224 blz. ƒ 37,25

Wij zijn mensen van vlees en bloed en de vraag is of dat het enige is dat ons van computers onderscheidt. Misschien zwaaien op een dag de deuren van het Massachussetts Institute of Technology open en stapt een nagemaakte mens naar buiten die de metro neemt naar het Harvard plein om in Emerson Hall van de Harvard universiteit colleges wijsbegeerte te volgen. Filosofen breken zich het hoofd over de vraag of deze nagemaakte mens ook als onze gelijke beschouwd dient te worden. Verblindt de zon zijn ogen? Wordt hij verliefd? Beseft hij zijn eigen eindigheid? Begrijpt hij die colleges filosofie? Heeft hij een bewustzijn?

Dit is het soort vragen dat de Amerikaanse filosoof John Searle bespreekt in zijn nieuwste boek The Mystery of Consciousness. Waarom is bewustzijn een mysterie? Bewustzijn is een mysterie, omdat de natuurwetenschappen het nog niet kunnen verklaren. Het is onduidelijk hoe een verzameling atomen bewust kan denken. Het is ongewis, wanneer en waarom bewustzijn in de evolutie van het leven op aarde ontstaan is.

Het verschijnsel laat zich zo moeilijk verklaren, omdat bewustzijn de eigenschap heeft dat het alleen bestaat voor degene die het ervaart. Bewuste ervaringen zijn altijd subjectief. Ze zijn alleen kenbaar vanuit een standpunt dat maar door één individu kan worden ingenomen. De wetenschap kan met dergelijke subjectieve ervaringen niets beginnen, omdat zij er naar streeft de werkelijkheid juist vanuit een niet-persoonsgebonden, objectief standpunt te beschrijven. In die objectieve beschrijving is geen plaats voor een verschijnsel als bewustzijn dat alleen vanuit een subjectief standpunt toegankelijk is.

Denkende soep

Jarenlang was het onder wetenschappers bon ton om de problemen die het verschijnsel bewustzijn oproept af te doen met kreten als 'denkende soep'. Het afgelopen decennium kende echter een hausse aan boeken over bewustzijn, waarvan Searle er in The Mystery of Consciousness zes bespreekt. Die zes boeken zijn goed gekozen, want zij vertolken de uiteenlopende standpunten die in het debat over bewustzijn worden ingenomen. Deze standpunten kunnen grofweg gekarakteriseerd worden door hun antwoord op drie vragen. Bestaat bewustzijn? Is bewustzijn een hersenproces? Kan een digitale computer bewustzijn ontwikkelen?

Bestaat bewustzijn? Indien ieder voor zich denkt, bestaat bewustzijn voor ons allen. Maar wat als de ene mens naar de ander kijkt? Hoe weten we dat andere mensen een bewustzijn hebben? Sommige filosofen menen dat een verschijnsel pas echt bestaansrecht heeft, indien we het vanuit een objectief, wetenschappelijk standpunt kunnen aanwijzen. Bewustzijn is een verschijnsel dat alleen toegankelijk is vanuit een subjectief gezichtspunt, dus hoort het verschijnsel in een wetenschappelijke theorie over de menselijke geest niet thuis en bestaat het strikt genomen ook niet.

Voor de meeste filosofen gaat deze eliminatie van bewustzijn te ver. Sommigen beweren dat als bewustzijn bestaat, het niet meer kan zijn dan een hersenproces. De taak van de wetenschap is te onderzoeken tot welke hersenprocessen bewustzijn kan worden herleid.

Searle verwerpt deze herleiding. Bewustzijn is volgens hem een biologisch proces, gelijk de spijsvertering. Net zoals de spijsvertering niet herleid kan worden tot samentrekkingen van het maagdarmkanaal, net zo kan bewustzijn niet herleid worden tot hersenprocessen. Bewustzijn komt weliswaar voort uit de hersenen, maar is er niet tot te reduceren. Hersenprocessen verklaren alleen dat we bewustzijn hebben, net zoals het feit dat we een maag, een dunne en een dikke darm hebben verklaart dat we voedsel kunnen verteren.

Machines

Dat er een nauwe band bestaat tussen hersenprocessen en bewustzijn staat wel vast, maar zijn de hersenen ook noodzakelijk voor bewustzijn? Of is het mogelijk om machines te bouwen die net als de mens bewust kunnen denken? Als je gelooft dat denken een vorm van rekenen is, dan is het antwoord op die vraag duidelijk. De hersenen zijn eigenlijk zelf ook een soort computer. Het enige dat we nodig hebben om een machine bewust te laten denken is een goed reken- of computerprogramma.

Searle is buiten filosofie-kringen beroemd geworden door een redenering tegen deze opvatting. In The Mystery of Consciousness geeft hij een nieuwe versie van die 'Chinese-kamer-redenering'. 'Stel', zegt Searle, 'dat ik word opgesloten in een kamer met kaartenbakken vol Chinese karakters. Ik kijk in een boek welke karakters ik ten antwoord moet geven. Zodoende lijk ik in mijn kamertje net op een computer. Dat boek is het computerprogramma en die karakters zijn de gegevensbestanden. Ik geef antwoorden op vragen, maar ik begrijp noch de vraag, noch het antwoord. Welnu, als ik, John Searle hoogleraar aan de Universiteit van Californië te Berkeley, die Chinese karakters niet begrijp, waarom zou een computer dat dan wel kunnen?'

Deze oude versie van de Chinese-kamer-redenering komt erop neer dat een computer wel weet wat welgevormde Chinese zinnen zijn, maar niet weet wat de betekenis van die welgevormde zinnen is. In The Mystery of Consciousness vindt Searle dit nog te veel eer voor de computer. Een reeks inktstrepen op papier is alleen een welgevormde zin voor wie weet wat welgevormde zinnen zijn. Wie dat niet weet ziet slechts een reeks inktstrepen. De intelligentie van de computer bevindt zich volgens Searle op dit streepjes niveau. Een computer produceert slechts een reeks strepen waarin alleen de mens een welgevormde zin met een bepaalde betekenis herkent.

Searle beweert niet dat computers helemaal nutteloos zijn voor het onderzoek naar bewustzijn. Computers zouden wel bewustzijn kunnen simuleren. De opvatting die Searle in dit boek verdedigt is dus dat bewustzijn bestaat, dat bewustzijn niet identiek is aan een hersenproces, maar wel door de hersenen veroorzaakt wordt, en dat computers geen bewustzijn hebben, maar wel kunnen doen alsof. Vanuit dit standpunt bespreekt Searle zes rivaliserende theorieën over bewustzijn. Hij schrijft helder, trouw aan zijn motto 'Als je het niet duidelijk kunt zeggen, snap je het zelf niet'. Meestal is dat een verdienste, maar in Searle's geval verdoezelt zijn heldere stijl ook de problemen. Neem de term 'bewustzijn'. Searle gebruikt die term zonder nadere aanduiding. Er zijn echter goede redenen om aan te nemen dat verschillende verschijnselen met de term bewustzijn worden aangeduid.

Er zijn er tenminste drie. Ten eerste verwijst 'bewustzijn' naar de manier waarop we iets ervaren. Hoe anders smaakte dezelfde wijn niet toen we in juni uitkeken over Florence vanaf de heuvels in Fiesole dan nu bij het sukadelapje van de slager om de hoek. Waarom ontroert de vijfde pianosonate van Scriabin wel in de uitvoering van Svjatoslav Richter en niet in die van je buurvrouw in de flat? We ervaren hetzelfde anders.

Ten tweede kan 'bewustzijn' verwijzen naar denken in het algemeen. Indien je je bewust bent van de dreiging die zwart ontwikkelt op de dame-vleugel, dan denk je aan die dreiging.

Ten derde verwijst 'bewustzijn' naar het verschijnsel dat mensen kunnen denken over hun eigen denken. De naar jenever stinkende kroegbaas die Van Domburg bij het verlaten van de kerk toevoegt 'Heb je de koe dan toch getrouwd, kameraad? Dan heb je 't kalf ook, hoor!' denkt niet alleen dat Van Domburgs bruid zwanger is, hij weet ook dat hij dat denkt.

Searle maakt geen onderscheid tussen deze drie verschillende verschijnselen, maar het is duidelijk dat we dat wel moeten doen. We kunnen niet onder woorden brengen wat het verschil is tussen de geur van laurier en die van nootmuskaat, maar we kunnen wel zeggen dat we aan de oesters in het restaurant in de Eiffeltoren denken. Gedachten representeren een bepaalde stand van zaken in de werkelijkheid, maar de manier waarop we iets ervaren doet dat niet. We zijn ons bewust van jeuk op een andere manier dan we ons bewust zijn van gedachten. Deze vormen van bewustzijn zijn derhalve zo verschillend dat we ze alle drie niet, zoals Searle meent, met dezelfde theorie kunnen verklaren.

Chinese kamer

Een ander bezwaar geldt de waarde van de Chinese-kamer-redenering. Als de redenering klopt, betekent het dat geen enkele machine ooit een taal kan begrijpen, maar alleen kan doen alsof. Searle ontkent dat hij beweerd heeft dat machines ooit een bewustzijn kunnen hebben en nooit echt kunnen begrijpen, maar dan moet hij zijn eigen Chinese-kamer-redenering verwerpen. De bewering dat machines nooit kunnen denken volgt namelijk uit die redenering. Searle stelt dat hij Chinese karakters niet begrijpt. Vanuit Searle's gezichtspunt is het criterium daarvoor dat hij zijn moedertaal kan begrijpen, terwijl die Chinese karakters hem niets zeggen.

Wil een computer dus net als Searle een taal kunnen begrijpen, dan zou een computer ook een moedertaal moeten hebben. Maar computers noch enige andere machine hebben een moedertaal, dus zullen ze nooit op dezelfde wijze als Searle een taal kunnen begrijpen. Ergo: machines zullen, anders dan Searle meent, nooit kunnen denken, als de Chinese-kamer-redenering geldig is.

Computers zouden daarom kunnen worden vergeleken met kinderen die nog niet kunnen praten, en voor wie zinnen ook alleen maar zwarte strepen op papier zijn. Het kind dat nog een taal moet leren, begrijpt ook geen taal. Maar Searle gaat natuurlijk niet zover te zeggen dat dat kind dus ook geen bewustzijn heeft. En als hij toegeeft dat het kind een bewustzijn heeft, dan moeten we opnieuw de vraag stellen: 'waarom?' Het antwoord luidt vermoedelijk dat het kind reageert, beweegt, rondkijkt, lacht, kortom dat het leeft, terwijl de computer zwijgt in zijn ongenaakbare metalen kast.

Maar als 'leven' het criterium is op grond waarvan we dingen met bewustzijn onderscheiden van dingen zonder bewustzijn, dan is de Chinese kamer redenering niet langer van enig belang. Misschien denkt de computer 'er is een leven in wat bewegen' en neemt hij de benen. Hij doet niet slechts alsof hij denkt; hij doet ook alsof hij leeft. Volgens Searle denkt zelfs de computer die in de metro van MIT naar Harvard reist niet echt. Maar hoe kan hij dat met zoveel aplomb beweren? Hoe kan hij denken onderscheiden van doen alsòf je denkt; leven van doen alsòf je leeft?

Searle's antwoord kan slechts zijn: denkende wezens zijn van vlees en bloed.