Neil Postman: Amusing Ourselves to Death, 1985

Neil Postman, Amusing Ourselves to Death. Public Discourse in the Age of Show Business. Penguin, 187 blz. ƒ 33,55 (pbk)

Walging helpt een mens wakker te blijven - dat inzicht delen veel cultuurcritici die met argusogen de orgiastische roes volgen waarin de westerse wereld tegen het einde van het millennium verkeert. Zoals angst doorgaans een goede raadgever is - hij scherpt de zintuigen en de reflexen - zo betekent de walging een bevrijdend moment voor wie niet vastgespijkerd wil blijven in de ton vol zichzelf feliciterende hedonisten die in het rijke Westen de berg afrolt.

Neil Postman, hoogleraar communicatiewetenschappen te New York en schrijver, baarde in 1985 opzien met een opstel waarin hij zijn walging lucht gaf over de afstomping van het publieke debat in de Verenigde Staten. Amerikanen spraken niet meer met elkaar rondom de eettafel over gewichtige zaken als politiek en rechtspraak, noteerde Postman verontrust, maar amuseerden elkaar met wise cracks en baby talk. De suburbane welvaartsburgers wisten steeds minder wat er echt toe deed, ze grossierden in betekenisloze brokstukken informatie - een culturele lobotomie die door de commercie weer te gelde werd gemaakt in het eigentijdse spelletje Triviant.

Schuldige was volgens Postman de televisie. Kern van Amusing Ourselves to Death, dat direct na publicatie een enorm succes kende, is Postmans overtuiging dat Amerika van een bezonnen schriftcultuur is veranderd in een televisionair pretpark, waar amusement geldt als enige waarde. Zo komt het einde van een beschaving, culture death, in zicht. Niet langs de totalitaire lijnen die George Orwell in 1984 had geschetst, maar volgens het even zwarte scenario van Aldous Huxleys Brave New World. De alomvattende controle van Orwells 'Big Brother' is volgens Postman immers helemaal niet nodig in een triviale cultuur waar leeghoofdige consumenten louter op zoek zijn naar kicks en verstrooiing; de waarheid hoeft niet te worden gecensureerd als toch niemand zich meer voor haar interesseert.

Het ging eigenlijk al mis met de uitvinding van de telegraaf, zet Postman uiteen. De komst van de zingende draad markeerde halverwege de vorige eeuw het einde van een langzamer tijdperk en het begin van de incoherente nieuws-razernij die in het televisie-tijdperk naar een hoogtepunt is gevoerd. De telegrafisten die een bericht over een koninklijk huwelijk of een overvallen postkoets van kust naar kust pompten, waren de voorvaders van de paparazzi die als hyena's achter Diana aanjakkerden; meer nog dan via de telegraaf, zegt Postman, is informatie via de televisie onsamenhangend, irrelevant en vluchtig.

Nu was televisie natuurlijk al vaker uitgeroepen tot zondebok of Gouden Kalf. De eerste 'tv-debatten' tussen de presidentskandidaten John F. Kennedy en Richard M. Nixon in 1960 werden al zorgelijk geanalyseerd en van commentaar voorzien. Het nieuwe medium bleek namelijk zijn eigen regels te stellen, die weinig met de inhoud van het debat te maken hadden: radio-luisteraars vonden in meerderheid dat Nixon had gewonnen, maar verreweg de meeste tv-kijkers wezen de jongere, beter geschoren en telegeniekere Kennedy aan als winnaar.

Postman bood dus in de kern weinig nieuws, maar onderscheidde zich door zijn heldere betoogtrant en een luchtige, geestige stijl - door zijn mediamieke verpakking, met andere woorden. Hij sprak van de 'Peek-A-Boo World' die de televisie ons voorspiegelt en over narcistische tv-journalisten die 'meer tijd doorbrengen met hun haardroger dan met hun script'. Bovendien verscheen zijn boek op een moment dat Amerika aan de voeten lag van een president die nog meer dan John F. Kennedy sprak, liep, dronk en at als een televisie: de even grote als goofy Communicator Ronald Reagan. Onder de eredienst voor Reagan sluimerde een groot burgerlijk onbehagen over de koers van de samenleving, en Postman was een van de eersten die die bron met succes aanboorden.

Hij deed dat met een combinatie van postmoderne inzichten over de aard van media en typisch moderne opvattingen over burgerschap. Postman dacht in historische ideaaltypen: het bedachtzame 'typografische' Amerika uit de achttiende eeuw versus het gemakzuchtige, leeghoofdige tv-park van de late twintigste eeuw. Die tegenstelling is achteraf gezien meer retoriek dan analyse. Postman gaat hier uit van het aloude dualisme tussen een vitale en een decadente cultuurfase dat bij allerlei cultuurcritici is te vinden. Zoals Tacitus sprak van eerdere generaties Romeinen die nog wisten wat opoffering, moed en burgerzin betekenden, zo verwijst Postman naar 'eerdere generaties Amerikanen' die redetwistten over serieuze zaken in plaats van elkaar te vermaken met infantiele zoethoudertjes.

Postmodern was zijn boek in twee opzichten. In navolging van de Canadese media-profeet Marshall McLuhan ging Postman ervan uit dat de vorm van een medium niet kan worden losgezien van de inhoud. Televisie is niet gewoon een ander middel om dezelfde boodschap over te brengen, maar een instrument met eigen regels en wetten, een eigen epistemologie. Op de beeldbuis verandert àlles in entertainment, een inzicht dat Postman onder meer illustreert aan de hand van elektronische dominees die niet zozeer de Heer maar Zichzelf laten aanbidden. Postmans tweede postmoderne inzicht is dat zich in de contemporaine media het zelfbeeld van een samenleving weerspiegelt. Zoals wij waspoeder aan de man proberen te brengen, zo bedrijven wij politiek.

Bij herlezing na twaalf jaar valt vooral op hoe gedateerd Postmans boekje inmiddels is. Wie heeft ooit nog iets gehoord van die hausse aan televisie-dominees waar hij zich zo druk over maakte? En is er werkelijk alleen maar geestloos en incoherent entertainment te bekijken op bijvoorbeeld CNN, de permanente nieuwszender die nog niet bestond toen Postman zijn opstel schreef?

De retorische kracht van Postmans cultuurkritiek - het denken in termen van oppositie in plaats van coalitie - is de intellectuele zwakte ervan. Een samenleving valt nu eenmaal niet samen met haar meest stupide sterspotje voor maandverband. En hoe serieus is nog vol te houden dat de oude schriftcultuur van de achttiende eeuw hogere eisen stelde aan het menselijk brein dan de huidige digitale? Wie in één avond een video clip kan ontcijferen, het spoorboekje gebruiken op teletekst, zijn voice-mail afluisteren, zijn jongste kind helpen het Sony Playstation op te blazen, voor zijn oudste een Web-search doen op Internet, en tegelijk Eudora van dienst kan zijn als ze om hulp vraagt, die is misschien van God los, in de zin van Martin Heidegger, maar toch niet de vegetatieve, ongeïnteresseerde en passieve coach potato die Postman dankzij de televisie zag opdoemen.

Postman had in zekere zin pech, want hij schreef zijn jeremiade over televisie vóór de digitale revolutie, die ons inmiddels personal computers, cd-roms en Internet heeft gebracht. Niet zozeer het lezen van een boek, alswel het stomweg met chips voor de televisie zitten heeft een ongenadig pak slaag gekregen in de digitale revolutie, die immers draait om interactieve media. Het Blauwe Oog is allang niet meer alleenheerser over de avonden. Het zijn ook de interactieve media die de gebruiker in staat stellen precies te doen waar Postman nu juist op hoopte: 'talking back to our television sets'. Televisie kijken is maatwerk geworden, vergeleken met het massale confectie-tijdperk van de jaren zeventig en tachtig: de tijden dat iedereen elke avond naar hetzelfde keek op twee of drie kanalen, zijn lang voorbij.

Maar hoe gedateerd ook, als uiting van cultureel onbehagen blijft Postmans opstel inspirerend. Zijn succes betekende het startschot voor een lange reeks filippica's tegen de 'televisie-cultuur'. Zulke cultuurkritiek is in Amerika onderhand zelf een booming business geworden; van rechter Robert Bork tot voormalig onderzoeksjournalist Carl Bernstein buitelen de critici van het hersenloze amusement over elkaar heen. Navolgers heeft Postman dus genoeg gekregen, zozeer dat hij zelf alweer bijna vergeten is. Zoals het hoort in een vluchtige cultuur.