Negen conformisten

LONDEN/NEW YORK - De studenten moesten presentaties houden over mijn werk. De professor zat erbij, samen met nog een andere professor, en maakte aantekeningen in een kladblok. Ik zat er ook bij. Waarom was mij niet duidelijk. Wellicht dacht men dat ik iets zou horen over mijn werk dat ik nog niet wist. Af en toe deed iemand een raam open, dat dan weer door een andere student gesloten werd.

Na afloop van de presentatie zei de professor: “Zijn wij het hiermee eens?” Niemand zei iets, daarom drong de professor aan: “Zijn wij het met Natasja eens?”

Niemand was het met Natasja eens of oneens. Het was zelfs zeer de vraag of Natasja het met zichzelf eens of oneens was. Er werd gezocht naar een definitie van het absurde. Aangezien mijn werk als zodanig gekwalificeerd was: 'Staat in de traditie van het theater van het absurde'.

Een student zei: “Het absurde is als een tafel en een stoel met elkaar praten over het niets.”

“Zijn wij het hiermee eens”, drong de professor aan. Opnieuw hing er een dreigende stilte over het handjevol studenten, de twee professoren en de gastschrijver. Een studente fluisterde: “Wat is het hier warm.”

“De mensen leven langs elkaar heen, dat is ook absurd”, merkte een andere student op. Hier en daar werd een zucht van verlichting geslaakt. De discussie kwam op gang.

“Laat jullie niet intimideren door de schrijver”, zei de professor, “zeg gewoon wat jullie te zeggen hebben, ook al is het iets lelijks.”

Ik boog mijn hoofd nog dieper. Enerzijds omdat ik de studenten niet wilde intimideren, anderzijds omdat ik in afwachting was van al het lelijks dat nu over me gezegd zou gaan worden. Maar ook iets lelijks wilden de studenten niet zeggen. Niets wilden ze zeggen. Twee studenten hebben het klaargespeeld de vier maandagmiddagen waarop wij bij elkaar kwamen om te discussiëren helemaal nooit iets te zeggen. Ja, de allerlaatste keer hebben ze iets gezegd: “Zou je dit boek kunnen signeren?” Wat hoe je het ook wendt of keert een bijdrage was aan de discussie over het absurde. Het moet gezegd, ze waren allebei blond, en ze zagen er allebei uit als vrouwen. Maar dat zou onze vooroordelen niet moeten bevestigen. Eerder omgekeerd. Was de verstandigste bijdrage aan de discussie niet zwijgen?

Toen was het theepauze. Iedereen verliet de kamer. Ik bleef als enige achter. Voor me lag een blad waarop stond: “De noodzakelijkheid je te conformeren teneinde een succes te worden - een interpretatie van Figuranten.”

De waarheid van deze woorden was onweerlegbaar. Wie geen succes wilde worden hoefde zich alleen maar niet te conformeren.

De eerste studenten kwamen terug. “Hoe bevalt Londen?”, vroeg er een. “Goed”, zei ik, “het is heel levendig.” Ik zocht nog naar meer adjectieven om Londen mee te typeren, als het even kon originele en spitse adjectieven, maar mijn voorraad bijvoegelijke naamwoorden was blijkbaar uitgeput. Iedereen zat weer.

“We gaan verder”, zei de professor. “Misschien is het een aardig idee de schrijver nu in de discussie te betrekken.” Ik ging recht overeind zitten.

“Wat vinden wij van de structuur, zijn we het daarmee eens?” informeerde de professor. Toen niemand iets zei, zei hij: “Degene die volgende week de presentatie houdt, hoeft niet zo lang te praten als Natasja.” Arme Natasja. Had ze te lang gepraat? Ze was nog zo jong. Literatuur was geen pretje, dat besefte ik nu wel. Ze had natuurlijk in een supermarkt kunnen zitten en zuivelproducten, groente en vleeswaren met hun streepjescode over een machine kunnen trekken. Was dat echt erg geweest? Economisch gezien misschien wel, maar geestelijk?

Ze keek ook zo verdwaald uit haar ogen. Ik herinnerde mij hoe iemand van haar leeftijd tegen mij had gezegd: “Het lezen van je boek heeft mij vijf jaar ouder gemaakt.” Waarop ik alleen maar wist te zeggen: “Dan is het goed dat je het niet op je tachtigste hebt gelezen.”

Een student die eigenlijk Engels studeerde en zich in het dagelijks leven bezighield met het werk van Paul Auster zei: “De werkelijkheid wordt verhevigd ervaren.”

“Hoei”, zei de professor. Hij had werkelijk gevoel voor humor, zij het enigszins verborgen, maar ook voor hem gold, als voor ons allen, de noodzakelijkheid zich te conformeren teneinde een succes te worden.

Dat waren wij. Negen conformisten in een zaaltje, niet groter dan de doucheruimte van een gemiddelde kleedkamer, pratend over de definitie van het absurde. Zoekend naar de definitie van het absurde, en onderwijl ook zoekend naar een arbeidzaam leven, want waarom zou men geen twee vliegen in één klap slaan?

We hadden het absurde niet op de staart kunnen trappen, het was ons weer te snel af geweest, als een levenslustige rat die behendig rattengif en muizenvallen weet te ontwijken.

Mijn laatste maandag in Londen zou ik na afloop van de discussiebijeenkomst een lezing geven waarbij ook niet-studenten welkom waren.

De ouderen, voornamelijk ex-Nederlanders, zaten aan een kant van de tafel, de studenten aan de andere.

Er was wijn. Ook herinner ik mij vaag een mandje kaasstengels. De vertaler van Mulisch (o.a.) liet zich excuseren. Zou hij niet van kaasstengels houden, vroeg ik me af. Het zijn dit soort gedachten waar ik altijd al last van heb gehad, maar de laatste tijd is het erger, soms zelfs zo erg dat ik ze niet voor me kan houden. Ondanks het feit dat ik zo verschrikkelijk graag een succes wil worden, en dat ik om dat te bereiken zelfs verder wilde gaan, en ben gegaan, dan wat conformisme op een maandagmiddag. Hoe vaak heb ik niet gezegd: “Het was een genoegen u te ontmoeten”. In vele talen, Duits, Engels, Nederlands, terwijl ik eigenlijk in al die talen had moeten zeggen: “U bent de grootst onbenul die ik ooit in mijn leven heb ontmoet, ik zou mijn wc nog niet door u willen laten ontstoppen. Niettemin wens ik u het beste en vooral hoop ik dat u geen kinderen heeft.”

Ik las voor, zette enkele van mijn ideeën uiteen en toen was er ruimte voor vragen. Een meneer die rechts van mij had gezeten en gedurende het half uur dat mijn lezing duurde ritmisch met een pen over papier had zitten krassen, schraapte zijn keel en zei: “Wij hebben veel gemeen.”

Nu komt het, dacht ik. Een ontboezeming. Want weinig wekt zo lust op om persoonlijke ontboezemingen te doen als de schijnbaar persoonlijke ontboezemingen van anderen.

“Ik heb met Ischa Meijer in de klas gezeten”, ging de man verder, “een begaafde jongen net als jij, maar hij heeft zijn talent vergooid. Net als jij. En hij heeft mensen zo gekwetst dat ze in tranen zijn uitgebarsten. Misschien ga je ook nog wel die kant uit. Mijn zoon is een orthodoxe jood en ik snap niet hoe je zo over je ouders hebt kunnen schrijven.”

“Ik geloof niet dat dit de gelegenheid is om over Ischa Meijer te discussiëren, ook al heeft u met hem in de klas gezeten, zijn er verder nog vragen?”

Een dame met zeer kortgeknipt grijs haar nam het woord. “Wat je net zei over vorm en inhoud, mag ik daaruit afleiden dat je van plan bent binnenkort volwassen te worden?”

“Mevrouw”, zei ik, “ik heb gemerkt dat ik bij sommige mensen agressie oproep. Dat is een van de dingen die op deze wereld eerlijk verdeeld zijn, want niet alleen roep ik bij sommige mensen agressie op, sommige mensen roepen ook bij mij agressie op. Tien jaar geleden begon men erover dat ik volwassen moest worden. Ik ben het, in uw ogen, niet geworden. Maar ter geruststelling, u staat niet alleen. En ik acht de kans groter dat men ooit menselijk leven zal vinden in een doosje smeerkaas dan dat ik volwassen zal worden.”

Ik dacht, het is u wel gelukt volwassen te worden en ik hoop maar dat uw nageslacht er beter vanaf is gekomen. Maar dat zei ik niet. Want, zoals gezegd, als het om conformisme en hielenlikkerij gaat ben ik een expert. De meneer die met Ischa Meijer in de klas heeft gezeten heette Bob Slager en wilde met mij, ondanks zijn bezwaren, uit lunchen.

Terug in New York belandde ik op een kerstfeestje. Voor het lopend buffet kwam ik in gesprek met een dame met een bontmuts die klaagde over een man die weigerde alimentatie te betalen. Daarna informeerde ze: “Hoeveel creditcards heb je?” “Drie”, zei ik, “drie, maar er wordt aan een vierde gewerkt.”

Dit waren nog eens vragen waarop een duidelijk antwoord mogelijk was.

En ik nam me voor onbekenden voortaan tegemoet te treden met de vraag, hoeveel creditcards heb je?

Wat de reactie ook was, men kon dan altijd onder gesprekken uit door te antwoorden, nee, sorry, dat is één te weinig.