Met tranen tussen zijn tanden; Jacques Brel en zijn vlakke land

De relatie tussen de Vlaming Jacques Brel en zijn geboortegrond was niet florissant: de francofone zanger nam slechts vier nummers in het Vlaams op, met moeite. “Het kost Brel zo'n tien procent extra tijd om 'Le plat pays' in het Nederlands te zingen.”

'Brel Blues', muziektheaterproductie van André Ernotte en Elliot Tiber voor het Koninklijk Ballet van Vlaanderen. 2/1 en 3/1 in Utrecht (Stadsschouwburg, 030 2302023), 6-8/1 in Antwerpen (Arenbergschouwburg, 03 2024646), daarna t/m eind maart tournee door Nederland en België.

'BREL IS DOOD, HOERA' stond er de negende oktober 1978 in grote letters op een brug tussen Luik en Brussel. Niet iedereen was kennelijk even bedroefd over het bericht dat Jacques Brel die ochtend op 49-jarige leeftijd in een Parijs ziekenhuis aan longkanker was overleden. Fans van het chanson herdachten de zanger-componist die het genre nieuw leven had ingeblazen - de man die legendarisch was geworden door zijn overrompelende concerten. Liefhebbers van de Franse poëzie eerden de maker van klassieke teksten als 'Ne me quitte pas' en 'La chanson des vieux amants'. Maar nationalistische Vlamingen, de zelfbenoemde beschermheren van de Nederlandse taal in België, misten de van oorsprong Brusselse chansonnier als kiespijn. Jacques Brel, die zichzelf ooit aanduidde als 'un flamand d'expression française', had de 'Flaminganten' in zijn teksten te vaak beledigd.

Een jaar voor Brels dood, in november 1977, had een liedje van zijn laatste langspeelplaat nog tot een rel in Vlaanderen geleid. In 'Les F...' hekelde Brel als een zingende Céline de strijders voor de Vlaamse cultuur als achterlijke en gevaarlijke hypocrieten, 'nazi's tijdens de oorlogen en katholieken ertussen'. Hij beschuldigde ze van humorloosheid, van indoctrinatie ('ik verbied u om onze kinderen te verplichten Vlaams te blaffen') en van verregaande boersheid. 'Wanneer beschaafde Chinezen vragen waar ik vandaan kom,' zo luidde de subtielste zin van de tekst, 'dan antwoord ik met tranen tussen mijn tanden “Ik ben van Luxembourg”.' Waarbij de belediging extra hard aankwam doordat Brel alleen dit ene zinnetje in het Nederlands zong.

In 'Les F...' (een afkorting voor 'Flamingants', een woord dat volgens Brel te schunnig was om als titel te gebruiken) sloeg de kritiek van Brel op zijn geboorteland naar de zwartste kant door. De geschoffeerde Flaminganten - van omroepbazen en columnisten tot studenten en ministers - zagen een patroon. Had de chansonnier, sinds hij in 1953 België verlaten had, niet voortdurend zijn nest bevuild? Had hij zich in liedjes als 'Les Flamandes' (1959) en 'La...la...la...' (1967) niet denigrerend uitgelaten over zijn landgenoten? En had hij in interviews niet onderstreept dat België een 'faux pays' was, waaraan je alleen kon ontsnappen door Europeaan of wereldburger te worden?

Jazeker. Maar net als andere beroemde ballingen - de Romein Ovidius, de Dubliner Joyce, de Oostduitser Biermann - was Brels verhouding tot zijn vaderland er een van haat én liefde. Je hoeft niet bepaald Brels obscuurste werk te beluisteren om ontroerende odes aan Vlaanderen te vinden. In de Vlaamse muziektheatervoorstelling Brel Blues, die gisteren in Utrecht in première ging, zijn er drie (in vertaling) te horen: 'Mon père disait', waarin prachtige zinnen staan over de Noordenwind 'die de dijken bij Scheveningen doet breken' en die ervoor zorgt 'dat onze meisjes het delicate haar van ons kant hebben'; 'La bière', dat overloopt van Uylenspiegel, Breughel de Oudere en 'Godferdomme'; en natuurlijk 'Le plat pays', Brels knarsetandende liefdesverklaring aan het land dat het zijne was, een lange leegte verkild door wind en lage luchten.

Voor Brel Blues, gezongen en gespeeld door Jo Lemaire, Philippe Robrecht en Erik Wouters, vertaalde Allard Blom 'Le plat pays' als 'Een land zo vlak'. Dat is even wennen, want het liedje is een van de weinige die door Brel zelf ook in het Nederlands werden opgenomen - in een vertaling van Ernst van Altena. Als 'Mijn vlakke land' kwam het samen met drie andere gezongen vertalingen in het begin van de jaren zestig terecht op een mini-langspeelplaatje dat diende ter ondersteuning van zijn tournees door Nederland en Vlaanderen. Meer dan die vier chansons heeft Brel nooit in het Nederlands gezongen, of het moesten de refreinen zijn van 'Marieke', een liedje dat bewijst dat je met zwoel gezongen nep-Vlaams ('Zonder liefde, waarmde liefde/ Wait de wind, de stomme wind... En schuurt de zand over mijn land/ Mijn platte land, mijn Vlaanderenland') nog heel veel indruk kunt maken.

Westenwienden

Vanzelfsprekend is er in de redelijk vrije Van Altena-versie van 'Mijn vlakke land' niets mis met de spelling of de grammatica. Maar met de uitspraak van het Nederlands had de geboren francofoon Brel het ten minste zo moeilijk als in 'Marieke'. Niet alleen heeft hij de zachte g's en de lange i's ('westenwienden', 'torenspiets') die kenmerkend zijn voor sommige Vlaams-Nederlandse accenten, maar ook komt hij met zeldzamere (en soms moeilijk verstaanbare) variaties: beugt voor beukt, dèk voor dijk en voestain voor woestijn. Daarnaast is er nog sprake van 'borre ostenwienden' en van 'hemelhoge kerken/ Die in diet vlakke land de ghenige bergen zijn.'

Brel zingt het Nederlands trager dan het Frans in het origineel, wat gezien zijn worsteling met de klinkers en keelklanken niet verwonderlijk is. Het eerste couplet van 'Mijn vlakke land' duurt met tweederde minuut precies vijf seconden langer dan dat van 'Le plat pays' - bij een gelijk aantal lettergrepen en klemtonen. In het tweede couplet is Brel vier seconden langzamer (39 tegenover 35), en in het slotcouplet weer vijf (44-39). Alleen het derde couplet duurt in beide versies even lang, maar dat gaat dan ook ten koste van de verstaanbaarheid: zelfs na herhaalde malen luisteren valt niet uit te maken wat er volgt na: 'Wanneer de lage lucht grijs als leisteen is / Wanneer de lage lucht...'

Gemiddeld tien procent extra kost het Brel om 'Le plat pays' in het Nederlands te zingen. In twee andere Van Altena-vertalingen - 'De nuttelozen van de nacht' ('Les paumés du petit matin') en 'Rosa' ('de tango van de knappe floppen/ die met pukkels op hun koppen/ hun gebrek aan ziel verkroppen') - is de afwijking minder veelzeggend, maar in 'De burgerij' zijn de gezongen coupletten weer bijna tien procent langer dan in het originele 'Les bourgeois'. De luisteraar wordt bovendien afgeleid door weggevallen h's aan het begin van woorden als 'heftig' en 'hotel', w's in plaats van v's ('wette wieze warkens'), toegevoegde medeklinkers ('bangk', 'havondkrant') en geaspireerde k's in plaats van g's ('burkherai').

Meester-facteur

Het doet er natuurlijk niet toe. Wat telt in 'De burgerij' is het sarcasme waarmee Brel de nette burgers hekelt, en de subtiele manier waarop hij laat zien hoe uit iedere jonge rebel uiteindelijk een meester-facteur of een notaris groeit. Wat telt in 'Mijn vlakke land' is de overgave waarmee Brel zingt, het timbre van zijn stem, de melancholie die je verplaatst naar de sufgebeukte, winderige polders achter de duinen, en die duidelijk maakt wat het betekent om Vlaming te zijn. 'Mijn vlakke land' laat zich beluisteren als het officieuze volkslied van Vlaanderen - een hele prestatie voor een chansonnier die zich op zijn zachtst gezegd niet op zijn gemak voelde in het Nederlands.

Net als de ik-figuur uit 'Rosa' ('tango van het kantjes lopen/ tot ik nullen kreeg bij hopen') was Brel, die ondanks Amerikaanse druk ook nooit in het Engels zong, geen talenwonder. Tegen zijn latere biograaf, Olivier Todd, zei hij in 1967 dat hij zich meer Vlaming dan Belg voelde: 'België is niet meer dan een geografisch begrip.' Maar de taal van zijn geboortegrond kreeg hij nooit onder de knie, ook al had hij een half-Vlaamse moeder en een vader die afkomstig was uit Zandvoorde bij Ieper. Op zijn eerste lagere-schoolrapport had hij een viereneenhalf voor Vlaams, en dat werd er tijdens zijn franstalige middelbare-schoolopleiding niet beter op. Zelfs de spoedcursus Nederlands die Brel moest volgen om op zestienjarige leeftijd een baan te krijgen in de kartonfabriek van zijn vader, haalde weinig uit.

De familie Brel leefde aan de Boulevard Belgica in francofone quarantaine; het contact met Vlamingen bleef tot een minimum beperkt, zeker na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Er waren nogal wat Vlamingen die ter meerdere glorie van de Nederlandse taal en Vlaamse zaak collaboreerden met de Duitse bezetter - zij waren de (voorlopers van de) Flaminganten tegen wie Brel zich zou keren. Na de oorlog kreeg Brel alleen nog met Vlaanderen te maken toen hij als beginnend chansonnier naam probeerde te maken: het waren twee radiomakers van studio Hasselt die Brel in 1953 zijn eerste opnamen lieten maken. In Limburg begon de victorie, maar nog hetzelfde jaar vertrok Brel naar Parijs, om nooit meer definitief naar België terug te keren.

Of hij nu als balling-uit-vrije-wil in Parijs woonde of (vanaf 1975) op het eiland Hiva Oa in Frans Polynesië, Brel bleef geobsedeerd door zijn vlakke land. 'Expliquez-moi la Belgique,' zei Brel tegen Olivier Todd; 'Het is net als met een aardbei: je kunt hem beschrijven, maar niet verklaren.' En dus hield Brel zich bij beschrijvingen - kritische, maar ook melancholieke zoals over het Brussel van voor de oorlog ('au temps où Bruxelles bruxellait') en het Oostende van wachtende visservrouwen; over de regen in Knokke-le-Zoute en de sneeuw die in Luik het eeuwige zwart en grijs bedekt.

'Elle est dure à chanter, la belgitude' schreef Brel in 1971 in een van zijn notitieblocs. Net als zoveel andere Belgen stelde hij zichzelf zijn leven lang de vraag wat het betekent om Belg te zijn, onderdaan van een verdeeld bananenkoninkrijk met twee (of liever drie) taal- en cultuurgebieden die op voet van oorlog met elkaar verkeren; een staat die in de woorden van 'Mijn vlakke land' vecht, wacht, kraakt en juicht. Brels reactie was de haat-liefdeverhouding, en juist die gespletenheid zou je de 'Brel Blues' kunnen noemen. Het heeft dan ook iets onvolledigs dat in de gelijknamige musical van het Koninklijk Ballet van Vlaanderen de songs of hate niet op het repertoire staan.

Le plat pays

Mijn vlakke land, vertaling Ernst van Altena

Avec la mer du Nord pour dernier terrain vague

Et avec des vagues de dunes pour arrêter les vagues

Et de vagues rochers que les marées dépassent

Et qui ont à jamais le coeur à marée basse

Avec infiniment de brumes à venir

Avec le vent de l'est écoutez-le tenir

Le plat pays qui est le mien

Avec des cathédrales pour uniques montagnes

Et de noirs clochers comme mâts de cocagne

Où des diables de pierre décrochent les nuages

Avec le fil des jours pour unique voyage

Et des chemins de pluie pour unique bonsoir

Avec le vent d'ouest écoutez-le vouloir

Le plat pays qui est le mien

Uit: Jacques Brel, Le plat pays (1962)

Wanneer de Noordzee koppig breekt aan de hoge duinen

En witte vlokken schuim uiteenslaan op de kruinen

Wanneer de norse vloed beukt aan het zwart basalt

En over dijk en duin de grijze nevel valt

Wanneer bij eb het strand woest is als een woestijn

En natte westenwinden gieren van venijn

Dan vecht mijn land, mijn vlakke land

Wanneer de regen daalt op straten, pleinen, perken

Op dak en torenspits van hemelhoge kerken

Die in dit vlakke land de enige bergen zijn

Wanneer onder de wolken mensen dwergen zijn

Wanneer de dagen gaan in domme regelmaat

En barre oostenwind het land nog vlakker slaat

Dan wacht mijn land, mijn vlakke land