Meneer Beerta is niet dood, hij leeft; Wouter van Oorschot en Gemma Nefkens over 'Het Bureau'

Over drie weken verschijnt het vierde deel van 'Het Bureau', de romancyclus van J.J. Voskuil die met 5500 pagina's de grootste uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis zal worden. Niemand weet hoe de cyclus afloopt, behalve Gemma Nefkens en Wouter van Oorschot van uitgeverij Van Oorschot, die alle zeven delen hebben gelezen. “Beerta overleeft het vierde deel en zelfs een stuk van het vijfde. En hij krijgt alleen nog maar meer reliëf. Prachtig gewoon!”

J.J. Voskuil: Het A.P. Beerta-Instituut. Uitg. Van Oorschot, 972 blz. Prijs ƒ 75,-/ƒ 105,- (geb.). Verschijnt op 23 januari.

Vrijdag 23 januari is een datum waarnaar in brede kring wordt uitgekeken. Op die dag verschijnt Het A.P. Beerta-Instituut, deel 4 van J.J. Voskuils mega-roman Het Bureau. Er zijn mensen met ernstige ziektes die de vurige wens hebben uitgesproken dat ze die datum nog mogen halen, zo nieuwsgierig zijn ze naar de wederwaardigheden van Maarten Koning en zijn prettig gestoorde vrouw Nicolien, naar het Bureau zelf en naar de oprichter ervan, de legendarische meneer Beerta, die aan het eind van deel 3 (Plankton) een beroerte kreeg. Veel lezers denken dat Beerta is overleden is, maar de twee directeuren van Van Oorschot, de uitgever van de omvangrijkste roman aller tijden, weten beter: 'Beerta is niet dood, hij leeft'.

Op de uitgeverij, een uitgewoond, sfeervol grachtenpand aan de Amsterdamse Herengracht, met ouderwetse stalen bureaus vol manuscripten en boeken, vertellen Gemma Nefkens (1949) en Wouter van Oorschot (1951) over hun aandeel in de totstandkoming van Het Bureau. Ze zijn de enigen die het volledige manuscript van in totaal 5500 bladzijden hebben gelezen.

Gemma Nefkens: “Wie Piet Meertens (de oprichter van het Instituut voor Dialectologie, Volks- en Naamkunde, die model staat voor meneer Beerta, E.E) heeft gekend, weet dat hij niet dood kàn zijn. Deel 3, waarin Beerta getroffen wordt door een beroerte, eindigt begin 1975 en Meertens stierf in 1985 op 86-jarige leeftijd. Gelukkig maar, want er hebben na het pensioen van Beerta in deel 1 veel ongeruste mensen opgebeld die bang waren dat het Bureau nu het Bureau niet meer was. Ze dachten dat de volgende boeken niet meer mooi of spannend konden zijn.”

Van Oorschot: “Er is ook geschreven dat het zo jammer was dat Beerta uitgeschakeld is, omdat hij nu niet meer uit kan groeien tot een legendarische literaire figuur als bijvoorbeeld Droogstoppel. Maar Beerta heeft nog steeds alles in zich om een archetype van de Nederlandse literatuur te worden. Een interessante bijkomstigheid is dat Voskuils realistische schildering van de gang van zaken op het Amsterdamse P.J. Meertens-Instituut, dat model staat voor het Bureau, voor ongekende commotie heeft gezorgd. Talloze krantenpublicaties zijn al gewijd aan de vraag of het moreel aanvaardbaar is bestaande mensen zo herkenbaar te portretteren als Voskuil heeft gedaan. Vrij Nederland heeft een 'who is who op het Bureau' gepubliceerd en toen er onlangs kijkdagen waren in verband met de verkoop van het pand op de Keizersgracht waar het Meertens-Instituut tot de verhuizing in februari is gevestigd, liepen er voornamelijk nieuwsgierige lezers rond.”

Meubelstuk

Nefkens: “Het Letterkundig Museum heeft geprobeerd het bureau van Beerta, ik bedoel het meubelstuk, te kopen voor zijn permanente tentoonstelling. Dat bureau is dus nu al literatuurgeschiedenis. Maar het Meertensinstituut wil het nog niet kwijt, het gaat mee naar het nieuwe adres. Niet uit woede hoor. Lang niet alle mensen op het Meertensinstituut zijn vijanden van Voskuil. Er zijn er ook die zijn boeken heel goed vinden, maar misschien hebben zij wat meer afstand. Het is natuurlijk moeilijker als je steeds elk deel met angst en beven opslaat en maar moet afwachten hoe je wordt afgeschilderd.”

Over de inhoud van deel 4 en de resterende drie delen, waarvan het laatste in 2000 zal verschijnen, doen Nefkens en Van Oorschot uiterst geheimzinnig. In de aanbiedingsfolder staat slechts dat deel 4 de jaren 1975-1979 omspant, dat Maarten weet te ontsnappen aan een hoogleraarschap en dat het klimaat op het Bureau steeds grimmiger wordt. Alleen over de toestand van Beerta wil Gemma Nefkens, onder luid gelach van Wouter van Oorschot, nog wel iets kwijt. “Wat gebeurt er als je een beroerte krijgt? Daar hou je iets aan over. Je moet verpleegd worden. En dan mag je hopen op wat bezoek, van deze of gene.”

Van Oorschot: “Beerta overleeft het vierde deel en zelfs een stuk van het vijfde. En hij krijgt alleen nog maar meer reliëf. Prachtig gewoon! Ik voorspel dat als de hele roman gepubliceerd is Voskuil een grote oeuvreprijs krijgt en binnen tien jaar is er een Voskuilgenootschap.”

De twee uitgevers realiseren zich dat veel ongeduldige liefhebbers van Het Bureau kritiek hebben op het tempo waarin de verschillende delen van de roman verschijnen. Temeer omdat bekend is dat Voskuil het manuscript al in 1995 heeft voltooid. Er wordt gefluisterd dat daar een commercieel belang achter zit, maar ook dat Van Oorschot het papier niet aan kan slepen om alles in één keer te laten verschijnen.

Van Oorschot: “Wij hebben inderdaad bekend gemaakt dat het manuscript gereed is. Maar dat betekent alleen maar dat als Voskuil morgen tegen een auto loopt, wij de nu nog te verschijnen delen tekstkritisch kunnen uitgeven. Dat is alles. Mensen moeten gewoon uit hun hoofd zetten dat we die zaak binnen een paar maanden kunnen laten verschijnen. Daarvoor moet er gewoon nog teveel aan gedaan worden.”

Nefkens: “Het is ook niet onbelangrijk dat Voskuil zelf aanvankelijk één deel per jaar wilde. We hebben hem er gelukkig van kunnen overtuigen dat het goed is geweest de eerste drie delen binnen een jaar te laten verschijnen. Deel 1 kwam in maart '96, deel 2 september '96 en deel 3 in maart '97.” Van Oorschot: “De verschijning van deel 4 hebben we onder druk twee maanden naar voren gehaald. Die druk komt van boekhandels, van lezers, van alle kanten. We worden gek gebeld. Eén van de overwegingen om de verschijning van de delen te spreiden is dat mensen de tijd moeten krijgen om alles te lezen. Als deel 6 uitkomt en iemand is er nog nooit in begonnen, moet hij ongeveer 4000 bladzijden inhalen. We geven mensen de gelegenheid bij te raken en daar zit wel degelijk, waarom zou ik dat ontkennen, ook een commerciële gedachte achter. 't Is zowel in Voskuils als in ons belang met dat boek iets teweeg te brengen. De verkoop van deel 1 loopt ongeveer 10.000 exemplaren voor op deel 2 en 3. Met deel 1 zitten we ruim over de 25.000 exemplaren, deel 2 zal in de 20.000 lopen en deel 3 komt daar vrij snel achteraan (ongeveer 17 à 18.000). Er zijn natuurlijk ook mensen die na deel 1 afhaken.”

Nefkens: “Ja. Ik heb mensen ontmoet die na deel 1 zeiden: ik maak dit dag in dag uit op mijn eigen werk mee, ik moet er niet aan denken dat ik dat 's avonds ook nog een keer moet lezen.”

Van Oorschot: “In één keer een 5500 pagina's tellend manuscript publiceren is praktisch onuitvoerbaar. Voskuil heeft, begin 1995, alles in één keer ingeleverd. Het was een enorme stapel die ik per drie delen in een kartonnen doos, op de fiets bij hem ben gaan ophalen. We wisten sinds 1992 dat hij bezig was. Hij heeft tot 1987 gewerkt bij het P.J. Meertens-Instituut, maar na zijn pensioen kreeg hij op een dag verschrikkelijke hoofdpijn. Hij wist dat er maar één manier was om daar vanaf te komen: het probleem van zich afschrijven.” Nefkens: “Ik woonde in die tijd vlak bij Voskuil en kwam hem ongeveer twee keer per week tegen. Dan zei ik: 'Han mogen we nou iets lezen?' Iedere keer antwoordde hij: 'Eerst moet het af zijn.' Hij wist precies hoe lang het moest worden, waar hij zat en hoeveel hij nog moest. 't Zat allemaal tot op de pagina in zijn hoofd.”

Medelijden

Van Oorschot: “Ik herinner me dat ik hem op een gegeven moment een brief stuurde met de vraag of we alvast wat konden lezen. 'Heb medelijden', schreef ik. 'Waar denk je dat wij de tijd vandaan kunnen halen om tussen ons gewone werk door in één keer 5500 bladzijden te lezen.' Maar hij wist nog niet of hij het rond kreeg en zolang dat niet zeker was, was er geen sprake van dat wie dan ook inzage in het manuscript kon krijgen. Tot hij ineens met de mededeling kwam: 'Het is af, lees eerst deel 1 maar, want als je dat niet wilt, zijn we gauw klaar.' ”

Nefkens: “Over deel 1 waren we zo enthousiast dat we de rest ook wilden lezen. Daarop is die enorme stapel gekomen.”

Van Oorschot: “Tot eind februari heb ik de delen 1 tot en met 3 gelezen. Daarna was het onmogelijk om niet door te gaan, dus heb ik de delen 4 tot en met 7 in mei mee op vakantie genomen. Drie weken lang heb ik alleen op een berg gezeten en gelezen, zo'n 300 à 400 pagina's per dag. Vrij snel daarna is Gemma het gaan lezen. Zij had het in augustus uit en toen waren we met z'n tweeën de enigen die het helemaal gelezen hadden. Een heel raar gevoel. Voor zover ons bekend is het de grootste roman (qua omvang) ooit geschreven. De Tandeloze Tijd van A. F. Th. van der Heijden heeft minder woorden, Proust en Tolstoj (Oorlog en Vrede) en Cervantes' Don Quichotte ook.”

Nefkens: “'t Is echt uniek als je zoiets op je bureau krijgt. Wij hebben dit in ieder geval nog nooit meegemaakt. Toch hebben wij geen nacht wakker gelegen over de beslissing om het uit te geven. Alleen: hoe realiseer je zoiets praktisch? We zagen de verzamelde Tsjechov voor ons en dachten: hup we doen het in één keer. Maar het is de vraag of we er dan nog geweest waren nu.”

Van Oorschot: “Zeven delen dundruk zetten, drukken, binden, verpakken! Eén deel dundruk in een oplage van 2000 exemplaren kost 80 à 90 mille. Dan kom je bij elkaar op een investering van pakweg een half miljoen.”

Nefkens: “Afgezien daarvan: welke koper legt zoveel geld neer voor een boek dat zich nog helemaal moet bewijzen? Tsjechov is een groot schrijver, daar is iedereen het over eens, maar er zijn echt niet zoveel mensen die zeven delen in een keer kopen.”

Van Oorschot: “Stel je voor dat iemand Het Bureau compleet zou moeten kopen. Die moet ƒ 700,- op tafel leggen voor een boek waarvan hij niet weet of het hem bevallen zal. Dat is menselijk, praktisch en economisch volstrekt uitgesloten. Ons eerste idee was dat we een deel zouden voorfinancieren door voor honderd mensen een superluxe dundruk te maken van alle zeven delen, genummerd en gesigneerd, die alleen maar bij voorintekening voor ruim 1600 gulden te krijgen zou zijn. Daar hebben we advertenties voor gezet. Van Voskuil mocht het trouwens niet in leer gebonden worden. Alles was goed behalve leer.”

Nefkens: “Wegens de dieren uiteraard. Hij is weliswaar geen vegetariër, maar dieren kwellen voor zo iets gaat te ver. Voor schoenen is het wat anders, die heb je nodig, maar voor boeken? Dat is protserig.”

Papierafname

Van Oorschot: “Er zijn maar 24 mensen geweest die hebben ingetekend, dus dat plan ging niet door. Vervolgens zijn we voor deel 1 begonnen met duizend gebonden exemplaren en 4000 paperbacks. Daar hadden we zeker genoeg aan dachten we, maar ze waren binnen een maand op. Vervolgens kwam de noodzaak van een herdruk. Die konden we alleen maar maken omdat we net een stapel dundruk-papier voor een herdruk van de Russische Bibliotheek besteld hadden. We gebruiken de Rolls Royce onder het dundruk-papier: het mooiste dat er is. Maar het bedrijf in München dat dit papier maakt, heeft zeer wisselende levertijden. Dat kan lopen van twee maanden tot een half jaar. We hebben dus de herdrukken van de Russische Bibliotheek moeten uitstellen om een snelle herdruk van deel 1 te kunnen maken. Het hele jaar 1995 zijn we bezig geweest om te zorgen dat we steeds op tijd papier zouden hebben. Ook voor Plankton, dat aanvankelijk pas in 1997 zou verschijnen. In een half jaar tijd is onze papierafname verdubbeld.”

Nefkens: “Toen Voskuil het manuscript inleverde was het helemaal klaar. Hij had alles uitgetypt op de achterkant van P.J. Meertens-Instituut papier. Let wel: bedrukt papier, hij gebruikte de blanco achterkanten en daar staan prachtige dingen op.”

Van Oorschot: “Er zit als het ware een schaduwboek aan Het Bureau vast. Als je de achterkant van het manuscript bekijkt, kom je de meest vreemde, waanzinnige zaken tegen, die ook in het boek terugkomen. Voskuil blijkt veel gebruik te hebben gemaakt van notulen die hij heeft getransponeerd naar een op zichzelf staand, autonoom kunstwerk. Ik geloof echt dat de Nederlandse literatuur na de verschijning van het geheel er anders uit zal gaan zien. De invloed van dat boek zal heel verstrekkend zijn. Sommige mensen denken dat het allemaal op basis van dagboeken is geschreven, maar Voskuil heeft helemaal niet zo'n compleet dagboek. Hij schrijft daar alleen maar in als hij een probleem heeft. Het meeste komt uit zijn fabelachtige geheugen.”

Nefkens: “Daar kwam die hoofdpijn ook vandaan, omdat het allemaal in zijn geheugen zit. Om gek van te worden.”

Van Oorschot: “Overigens was een van de praktische problemen dat het manuscript bestond uit die berg op de typemachine getikte velletjes. Dus hebben we tegen Voskuil gezegd: 'hoor eens, je krijgt van ons een computer'.”

Nefkens: “We hadden nooit gedacht dat hij bereid zou zijn om alles over te tikken op die computer. Fenomenaal. Hij tikt zich lam en dat moet ook want het manuscript is vergeven van onze aantekeningen. Allemaal details hoor, maar we blijven er heel erg mee aan de gang. En dat kost tijd.”

Van Oorschot: “Wat ook tijd kost zijn de personenregisters achterin elk deel. Dat idee komt ook uit Voskuils koker. Met behulp van die registers kun je, dwars door de boeken heen, allemaal afzonderlijke verhalen lezen. Neem het verhaal over de moeder van Nicolien dat Voskuil bij wijze van voorproefje in Tirade (1996 nr. 1) heeft gepubliceerd. Die fragmenten komen uit de eerste zes delen. En zo zitten er een heleboel deelverhalen in, over Beerta, over Bart Asjes en noem ze allemaal maar op.”

Lantarentje

Van Oorschot: “Er wordt steeds gezegd dat het van die genadeloze portretten zijn, maar als je goed kijkt, zie je dat al die mensen ook met groot mededogen getekend zijn. Hij laat ze toch in hun waarde. Hij registreert ze alleen, hij hangt een lantarentje boven hun hoofden. Mensen zijn nu eenmaal zo. Hij zet ze niet expres te kakken.”

Nefkens: “Voskuil wordt wel steeds genadelozer tegenover zichzelf. Deel 7 is daar het definitieve bewijs van. Dat heet De dood van Maarten Koning. Nee, we vertellen niets over de inhoud. Ook niet aan mensen die opbellen en zeggen dat ze binnenkort zullen overlijden en het manuscript willen lezen. Dat is natuurlijk buitengewoon tragisch en afschuwelijk, maar je kunt moeilijk van een auteur vragen of hij vast een floppy ter beschikking stelt van de stervenden. Voor Voskuil gaat het om een grootse artistieke prestatie, waar hij nog mee bezig is. Dat is het enige waar hij mee te maken heeft.”

Van Oorschot: “Wat we wel al kunnen vertellen is dat er, als alle delen verschenen zijn, per deel een culturele verspreidingskaart wordt gemaakt, zodat je precies kunt zien waar de boeken verkocht zijn. Dat is natuurlijk helemaal overeenkomstig het Bureau, waarin het steeds maar over die culturele atlas gaat.”

Volgens Wouter van Oorschot en Gemma Nefkens is hun ster-auteur niet met iets nieuws bezig en ook ziet het er niet naar uit dat het manuscript van Binnen de huid, een uit de jaren zestig stammende, nooit gepubliceerde roman binnen afzienbare tijd wordt gepubliceerd.

Nefkens: “Voskuil moet eerst een probleem hebben, wil hij gaan schrijven. Dus roepen wij bij alles wat we met hem meemaken: misschien komt er nu een probleem. Die ongepubliceerde roman hebben wij nooit gelezen. Die ligt bij hem in de kast. Het manuscript is alleen door (de in 1987 overleden) vader van Wouter, Geert van Oorschot, gelezen en door een paar vrienden. Voskuil wilde ook dat Geert het als vriend las, niet als uitgever. Geert oordeelde negatief, maar Voskuil heeft altijd gezegd: hij heeft er over geoordeeld als uitgever. We hebben het er wel regelmatig over met Voskuil. Dan vragen we een beetje pesterig of we het mogen lezen. In deel vier van Het Bureau komt trouwens een folder voor waarin Frida Vogels en Han Voskuil uit hun wederzijdse briefwisseling, fragmenten publiceren over elkaars boeken, en Frida Vogels ook nog uit brieven van Bert Weijde (Frans Veen in Het Bureau). Daar zit een fragment van Frida bij over Binnen de huid. Ze spelen allemaal een rol in elkaars boeken. Bert Weijde noemt Han en Lousje Voskuil in zijn, door ons uitgegeven, dagboek Onder het ijs Maarten en Nicolien. Bij Frida Vogels heten ze Jacob en Liesje. Het is uniek, al die romans in romans.”

Van Oorschot: “Het heeft allemaal te maken met hun overtuiging dat ze rekenschap moeten afleggen van hun eigen leven. Daar zijn ze voortdurend mee bezig. In Bij nader inzien (Voskuils debuut van ruim 1200 pagina's uit 1963) zouden al die vrienden een roman gaan schrijven. En veel van wat ze geschreven hebben is ook behoorlijk autobiografisch. Neem deel 4 van Het Bureau, dat eindigt met een groepsfoto en die foto bestaat ook echt.”

Nefkens: “Uiteraard. We hebben hier nog een klein wie is wie-wedstrijdje gedaan. Voskuil had een fles wijn uitgeloofd voor degene die de meesten goed had geraden.”

Van Oorschot: “Benjamin del Canho, onze magazijnchef heeft gewonnen. Iedereen hier, we zijn met z'n vijven, leest mee en corrigeert mee. Ook Jaap Blansjaar van de productie en Jessica van der Wiel van de boekhouding, ons hele bureau dus. Iedereen leest. Daarom voelt Voskuil zich denk ik ook zo thuis als hij hier is.”

Nefkens: “Hij komt hier zeker eens in de twee weken. En hij is zo geestig, we hebben zoveel met hem gelachen.”