Kindertentoonstelling over Bolivia in Amsterdam; Feesten als de indianen

Indianen van het hoge land, Kindermuseum/Tropenmuseum, Linnaeustraat 2 Amsterdam, voor kinderen van 6 t/m 12 jaar. Aanvangstijden programma's: wo. 13u45, 15u30. Za, zo, en feestdagen ook om 12u, in de kerstvakantie ook om 10u15. Schoolgroepen op schooltijden elke dag. Reserveren aanbevolen: 020- 56.88.233

De grote en de kleine panfluit horen bij elkaar, net zoals jongens en meisjes, of de stad en het platteland. Ze horen bijelkaar, anders zijn ze niet compleet. Ontmoeten moet. Dat zeggen de indianen die hoog in de bergen van het Zuid-Amerikaanse land Bolivia wonen. Ze hebben daar één lang woord voor: 'aruskipasipxanakasipunirakispawa'. (Probeer dat maar eens snel te zeggen).

Dat een ontmoeting met de indanen van Bolivia op een feest kan uitlopen, kunnen kinderen ontdekken op een speciale tentoonstelling in het Kindermuseum van het Tropenmuseum in Amsterdam. Je moet meer doen dan alleen kijken, op de tentoonstelling Indianen van het Hoge Land, over het leven in het Zuid-Amerikaanse Bolivia. Het is een gebeurtenis waar je zelf deel van uitmaakt.

Dat begint al bij de deur. Je stapt uit de hel verlichte museumhal in een duistere ruimte. Uit het donker doemt een man op, die op fluistertoon vertelt over dat hooggelegen land in Zuid-Amerika waar de bergen van de Andes tot in de wolken reiken, waar veel vruchten groeien en waar zich het hoogste meer ter wereld bevindt. Dat land is op een schilderij te zien. Onder de grond ligt de mijn, waaruit vroeger zilver werd gedolven en waar de Boliviaanse indianen slavenarbeid verrichtten. 'Waar binnen de bergen goud en zilver groeit en de aarde de moeder is, daar ligt het hoogland van Bolivia', lees je op het schilderij. Het mijnenstelsel is er net zo groot op afgebeeld als het hele land. Daaraan kun je zien, hoe belangrijk die mijn was.

In het donker stommel je door nauwe, lage gangen. De muren zijn opgetrokken uit adobe, klei vermengd met stro dat het museum met containers tegelijk uit Bolivia heeft gehaald. Daarmee is een echt dorp nagebouwd met nauwe straatjes, een marktplein en een mijn. Buiten piept lijn drie de bocht om, maar daar merk je binnen helemaal niets meer van. Je bent nu in Bolivia. Anderhalf uur lang ga je op reis in een andere wereld.

Een kleine donkere man blaast op zijn panfluit en wenkt de kinderen van de Amsterdamse basisschool, die vandaag op bezoek zijn, mee, als de rattenvanger van Hamelen. Opeens sta je midden op een plein. Tinku-plein, staat op het naambordje. Dat betekent ontmoeting.

In drie groepen verdeeld gaan de kinderen ieder een kant op. Naar het maskeratelier, op panfluitles en naar de kostuumkamer. Trainingspakken en truien gaan uit, geborduurde hesjes en lange rokken aan. Verlegen Amsterdammertjes veranderen in enthousiaste Bolivianen. Al steken stoere Nikes onder de pakjes uit. De groep in het maskeratelier komt terecht tussen stoffen, garen en linten. En een auto staat er ook, met kleurige doeken opgetuigd tot een groot carnavalsmonster. Hier worden de maskers gemaakt voor carnaval, vertelt een medewerker. Carnaval is een van de belangrijkste feesten in Bolivia. Een feest duurt daar geen middag of avond, maar dagen achter elkaar. Maanden zijn de mensen in de weer met duivelsmaskers voor de optocht. Vreemd genoeg zijn de duivelinnenmaskers hoogblond met felblauwe ogen. De Europeanen, die Bolivia eeuwenlang hebben beheerst, zijn deel geworden van de cultuur.

De kleren gaan aan, de maskers op en ondertussen worden er verhalen verteld over van alles, dat met de Boliviaanse indianen te maken heeft. Volwassenen mogen er niet bij zijn, als de kinderen fluitles krijgen en een dans instuderen. Dus hoe dat precies gaat, weet ik niet, dat moet je zelf maar ontdekken. Pas als de gong klinkt, komt iedereen weer samen op het Tinku-plein. Ouders kijken toe terwijl de kinderen opvoeren wat ze in de gauwigheid hebben geleerd. De duivels met hun maskers stampen, de meisjes in hun rokken deinen, de jongens zwaaien hun linten in de lucht. Trommels slaan en fluiten blazen en alles en iedereen gaat dwars door elkaar heen. Het is een kakelbont spektakel. Met rook.

Na afloop is iedereen even helemaal stil. Buiten op straat is het gek licht en saai ook, zonder al die kleuren. Mike (12) wil graag even wat kwijt: “Ik vind het hier gewéldig”, roept hij, “dat je zo mee mag doen en echt kleren aankrijgt en zo.” Als je later de catalogus doorbladert, herken je van alles op de foto's. De maskers heb je zelf gedragen, de lama's ken je van het schilderij bij de ingang, in de benauwde mijn heb je zelf gezeten. Het is net of je je eigen vakantiefoto's terugziet.