Journalisten op pad; Reislust in een sausje van rancune

Martin van Amerongen: Zwierige passie. De Prom 1997, 376 blz. ƒ 45,-

W.L. Brugsma: Beroep: journalist. Met een voorwoord van Hans van Mierlo. HP/De Tijd 1997, 96 blz. (Kerstgeschenk HP/de Tijd, niet in de boekhandel).

Caroline de Gruyter: Het koffiehuis van Mohammed Skaik en andere taferelen uit speelgoedstaatje Gaza. Bert Bakker 1997, 193 blz. ƒ 29,90

Frénk van der Linden: Klappen met één hand. Leven en lijden van jong China. Balans 1997, 229 blz. ƒ 32,50

Een van de manieren waarop journalisten proberen te ontsnappen aan het vluchtige karakter van hun beroep en hun schrifturen is de publicatie van een boek. Het is een wat problematisch genre: zeker schenkt het boek de journalist de voldoening een tastbaar bewijs van zijn eigen werkzaamheden in de kast te hebben, in plaats van een slordig stapeltje gestaag vergelende knipsels; maar wat de lezer eraan heeft, is soms minder duidelijk. Veel journalistiek, de meeste zelfs, is immers niet voor de eeuwigheid geschreven.

Zwierige passie is een bundel verzamelde stukken van Martin van Amerongen, die eerder dit jaar afscheid nam als hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer. Van Amerongen is een bijzonder type journalist: geen newsgetter of een man van journalistieke onthullingen, maar een bedachtzame geest die vanuit de studeerkamer een ernstig-ironisch, maar immer interessant licht laat schijnen over het gewoel der wereld. Hij is een geducht stilist en verstaat de kunst schijnbaar onbeduidende voorvallen of personen bij de kop te nemen en te ontmaskeren - veelal als staaltjes van alledaagse smerigheid.

Toch valt Zwierige passie wat tegen. Anders dan in vorige bundels met verzamelde Van Amerongens bevat dit boek stukken uit een langere periode, van wel dertig jaar. Neem 'Rrofte diktatura en proletariatit!', een reisreportage over Albanië uit Vrij Nederland, jaargang 1981. Dat is eens een spectaculair stuk geweest, een slag in het gezicht van de linkse vromen die bij Vrij Nederland Van Amerongens lezers en collega's waren. Maar zonder die context blijft er alleen een min of meer bedaagd verhaal over, dat overigens net zo goed in Amsterdam geschreven had kunnen zijn.

Van Amerongen is een schrijver, betoogt Martin Ros in het nawoord van de bundel. Misschien is dat het misverstand, dat Zwierige passie onbevredigend maakt. Van Amerongen is geen schrijver - althans niet in de hier verzamelde stukken. Van Amerongen is een verdomd goeie journalist, die erin slaagt actuele thema's en voorvallen een ruimere, tijdloze strekking te geven. Maar dat is éénrichtingsverkeer: het is niet zo dat zich bij lezing van zijn stukken na tientallen jaren de betekenis van zijn aanleiding weer aan de lezer opdringt. Dat hoeft ook niet - voor een journalist.

Van de vorig jaar overleden journalist W.L. Brugsma zijn de journalistieke mémoires - eerder al in feuilletonvorm verschenen in HP/De Tijd - nu als boekje uitgegeven onder de titel Beroep: journalist. Bij Brugsma heeft zich een ontwikkeling voltrokken die voor elke jonge vakgenoot als afschuwwekkend voorbeeld kan gelden. Om te ontsnappen aan de nederige status van letterknecht heeft Brugsma gezocht naar meer erkenning in het oog van de wereld: televisie-interviewer van de groten der wereld, pleitbezorger van belangrijke zaken als toenadering tussen Oost en West en de inzichten van de Club van Rome.

Dit lijden aan de nederigheid van de journalistiek heeft op zich niets schandelijks: sommigen onzer worden om deze reden romanschrijver (eventueel in deeltijd), functionaris in het bedrijfsleven, hoogleraar of zelfs minister - zoals Hans van Mierlo, die deze herinneringen van Brugsma van een inleiding heeft voorzien.

Het probleem bij Brugsma is, dat hij zijn loopbaan in allesverterende rancune lijkt te hebben beëindigd. Bijna al zijn herinneringen baden in een onaangename saus van sarcasme: van zijn ervaringen als reisreporter van de GPD-bladen in de crisishaarden van deze wereld - soms beter dan de jongens van grote bladen als de New York Times maar door de wereldleiders helaas ongelezen - tot de verwijzingen naar de indruk die de schoonheid van zijn echtgenote maakte op de groten der aarde.

Rancune is een slechte raadgever. Het sterkste voorbeeld in de Nederlandse journalistiek is zonder twijfel de levensgeschiedenis van Max Blokzijl, die zijn frustraties als letterknecht voor het Algemeen Handelsblad compenseerde door tussen 1940 en 1945 de voornaamste nazi-propagandist van Nederland te worden. Zo diep is Brugsma niet gezonken, maar hij is wel gevaarlijk dicht in de buurt gekomen: in 1982, toen generaal Jaruzelski in Polen de staat van beleg had afgekondigd en de leiders van de eerste democratische vakbeweging sinds de oorlog in Oost-Europa in het gevang zaten, een klinkende lofzang op deze toestand in de Haagse Post.

Niet zozeer de feitelijke inhoud van dit stuk, dat gebaseerd heette te zijn op ervaringen tijdens een reis naar het door avondklok, censuur en arrestaties zuchtende Polen, gaf te denken. Dat Brugsma een hekel had aan Solidarnosz, en Jaruzelski als een soort Poolse De Gaulle bewonderde - tot daar aan toe. Maar op juichende toon zo'n militair bewind prijzen en loven - dat was toch wel heel merkwaardig. Ik heb hem zelf wel eens naar het waarom proberen te vragen, maar toen werd hij heel boos.

Uit Beroep: journalist wordt echter duidelijk wat er aan de hand was. Hij schrijft letterlijk: 'In februari 1982 vroeg de Poolse ambassadeur mij of ik bereid zou zijn een reportage over dat Polen te maken. Ik was bereid en kreeg een heel speciaal visum'. Het was dus een lofzang op bestelling.

Wat een opluchting is het om na zoiets het werk van Caroline de Gruyter en Frénk van der Linden te lezen. Respectievelijk de Gaza-strook en de Chinese Volksrepubliek worden door deze jonge journalisten beschreven met een open oog, veel gevoel voor anekdote en de details in het leven van alledag. Ideologie, laat staan de verdediging of bestrijding van ideeën, lijkt hen nauwelijks nog te interesseren - wat op zichzelf natuurlijk ook alweer een ideologie is.

De sterk toegenomen reismogelijkheden, gelegenheden tot het opdoen van internationale ervaring en eisen die hun afnemers stellen aan hun verteltrant en mate van inzicht in de maatschappijen waarover ze berichten, maken van hen op het eerste gezicht misschien geestverwanten van Brugsma. Die was, voordat hij zich in zijn rol van guru en profeet stortte, in zijn jonge jaren immers een van de weinige Nederlandse journalisten met een grote internationale ervaring. Maar ik schat, en hoop, dat de verwantschap tussen deze jonge generatie journalisten en Van Amerongen op den duur groter zal blijken: wie niet een zekere scepsis behoudt en in zijn werk over zijn eigen oordelen weet heen te springen, zal nooit iets opsteken en een ander weten te verlichten - hoever hij ook reist.