Ik had zo graag Française willen zijn; Gesprek met fotografe Gisèle Freund

Ze fotografeerde Beckett, Joyce, Gide en Matisse en vaak leverde dat merkwaardig intense portretten op. Niet dat ze iets met deze kunstenaars 'had', benadrukt de 89-jarige Gisèle Freund nu. Een gesprek met een fotografe bij wie langzaam de wolken voor de herinnering beginnen te schuiven.

Foto's van Gisèle Freund zijn t/m 28/2 te zien in galerie Ton Peek, Oudegracht 295, Utrecht, (do/vrij/za 12-17u, en op afspraak, tel. 0302312001).

Het portret van Virginia Woolf, met sigaartje en een kanten kraag, kijkt je met glasheldere ogen aan, een verlegen vrouw die te snugger is voor smoesjes. Zo zijn veel foto's die Gisèle Freund van de grote schrijvers van deze eeuw heeft gemaakt: alsof ze je door de lens trekt tot vlakbij, ingewikkelde personages die niet van plan waren zich bloot te geven.

“Mijn foto's zijn niet bijzonder. Misschien heb ik de mensen anders gezien.” Gisèle Freund zegt het terloops, achteloos behulpzaam bij een onderzoek dat haar niet echt aangaat. Het kan een sleutel zijn om haar leven in dienst van de fotografie te begrijpen, nu zij, zwevend in het gebied tussen ouderdom en hoge ouderdom niet meer zo veel met zekerheid onder woorden kan brengen.

Luisteren naar Gisèle Freund, die twee weken geleden 89 is geworden, is een uitnodiging tot biografische fantasie. Wat zou de ademende werkelijkheid zijn achter het levensverhaal dat bekend is en vooral achter haar foto's, de beroemd geworden portretten van mensen als James Joyce, Samuel Beckett, André Gide, Jean Cocteau, André Malraux - schrijvers die vóór en na de Tweede Wereldoorlog in Parijs woonden en werkten. Portretten van een merkwaardige intensiteit en een vaak unieke intimiteit, zonder dat Gisèle met al die beroemdheden iets 'had', zoveel maakt zij wel duidelijk wanneer de wolken even wegschuiven voor de zon van haar herinnering.

We zitten midden overdag in haar appartement, op de zesde verdieping van een twintigste-eeuws flatgebouw, toepasselijk om de hoek bij de Rue Daguerre, een aardige, niet-sjieke Parijse buurt waar de markt, de begraafplaats van Montparnasse en de wijdse boulevards rond Denfert-Rochereau een gevoel van ruimte geven. Iets verderop was de brasserie waar, ze kan niet op de naam komen, die schrijver die zo beroemd was, Sartre, dat was hem, en zijn vrouw, nou ja vrouw, vaak zitting hielden. “Hij was erg aardig, ook al was ik niet het soort vrouw voor hem, hij trouwens ook niet een man voor mij. Simone de Beauvoir nam me niet serieus. Ik had geen geld om te eten waar zij altijd zaten, 's morgens, 's middags en 's avonds.”

Sartre was vriendelijk voor de literair geïnteresseerde fotografe, maar noodde haar niet echt in zijn kring. Het keert regelmatig terug, dat beeld van er nooit helemaal bij horen, van een Duits-joods vluchtelingenleven dat nooit helemaal in iets nieuws is omgezet. Zeven jaar geleden vertelde ze aan Rauda Jamis, die een serie gesprekken met haar publiceerde (Gisèle Freund, Portrait, Edition des Femmes): 'Mijn hele leven is mijn grootste probleem geweest geaccepteerd te worden als Française. Dat was een ware tragedie, een obsessie, ik heb er vreselijk onder geleden. Ik had zo graag helemaal Frans willen zijn. Hoe vaak heeft men me niet gezegd: 'Ah, u bent de kleindochter van Sigmund Freud'.' Ze laat er nu ook af en toe een zinnetje over los, soms feitelijk, soms bitter. Maar je weet nooit of het de hele waarheid is. Als mensen echt oud worden lijken sociale conventies weg te vallen, dan wordt hun kern zichtbaar. Maar soms gaan somberheid en argwaan een plaats opeisen die zij vroeger nooit hebben gehad. Gisèle Freund moet, toen zij twintig, dertig was een mengsel van vitaliteit, intelligentie en charme hebben uitgestraald dat deuren en harten opende. Kijken kan zij nog steeds, al zijn de conclusies die zij er aan verbindt wat onvoorspelbaar geworden. “U bent zonder afspraak gekomen? U wilt verhalen die onder vrienden verteld worden? Die zijn vaak verzonnen.” Ze pelt een mandarijntje en zegt: “ Weet u, het is tien uur in de morgen, voor mij is dat zes uur, ik kan nog niet denken en praten...”

Zeeman

Het gezicht van Gisèle Freund ontrimpelt. Zonder navolgbare overgang stort zij zich in dierbare herinneringen aan persoon en werk van de in 1984 overleden schrijver, zeeman en schilder Henri Michaux. Hij mocht haar, zij kon hem altijd advies vragen. Boven een halfhoge boekenkast hangt een nonfiguratief schilderij van hem, in zwart en wit. Het is een van de weinige visuele elementen in een werkkamer die zich meer op de letteren dan op de beeldende kunst richt. Zo heeft zij het ook gewild. In haar vroegere geschriften ontkende zij steevast dat fotografie een kunst was. Het was een vak, en niet eens één dat zij ambieerde. Zij studeerde in de vroege jaren dertig sociologie, bij Karl Mannheim en de groten van de Frankfurter Schule, voordat het nazisme ook haar op de vlucht dreef. Norbert Elias moedigde haar aan een sociologisch proefschrift te schrijven over de opkomst van de fotografie in Frankrijk in de negentiende eeuw. Het zou haar passie worden in de eerste jaren dat zij in Parijs woonde, na '33. Later werkte zij het uit tot een boek over de rol van de fotografie (Photographie et société, Seuil, 1974) waarmee zij in diverse vertalingen een oplage van vele tienduizenden haalde. Maar zij maakte naam als fotografe, al zei ze daar eens over: 'Het is niet fotografie die me interesseert, maar het menselijk gezicht'.

Gisèle Freund kon niet leven van gezichten alleen. Zij voorzag in haar levensonderhoud door fotoreportages te maken, vooral voor Amerikaanse bladen. De eerste was het resultaat van een tocht door Noord-Engeland, waar de crisis had toegeslagen. Life wilde het contrast laten zien tussen de rijkdom aan het Britse hof en de omstandigheden waaronder de rest van het volk leefde. Het zijn prachtige foto's van kromme, door regen glimmende arbeidersstraten, met blootsvoetse kindjes. Ze herinnert zich de armoede en gaandeweg de gezichten. “Die mensen crepeerden van de honger. Ik heb veel misère gezien in m'n hele leven. Dat vonden de bladen niet altijd even leuk. Maar je moet doen wat waar is.”

Plotseling schrikt Freund op: “I don't know in what language to proceed. What do you want me to tell?” Over Samuel Beckett bijvoorbeeld. “O, die woonde tegenover mij in het jaar voor zijn dood. Het was een vriendelijke man, erg nerveus. Hij had maar tien minuten, zei hij, toen ik kwam voor een portret. Ik bleef een uur. Hij was steeds aan het telefoneren, op van de zenuwen, daarna schreef hij een brief. Hij was me al snel vergeten, ik had gelukkig een klein fototoestel. De hele toestand was een beetje gênant. Die serie foto's is nooit gepubliceerd. Hij maakte iedere ochtend een lange wandeling. Niet veel later was Beckett dood.”

Over James Joyce publiceerde zij twee fotoboeken: James Joyce in Paris, His final Years (Harcourt Brace, New York, 1965) en Trois jours avec Joyce, (Denoël, Paris, 1983). Ze leerde hem in 1938 kennen toen zij foto's moest maken voor de verschijning van Finnegan's Wake. Hij was geen gemakkelijk model. De publicatie van het boek werd een jaar uitgesteld. Time vroeg Freund toen in kleur een omslagfoto van de schrijver te maken. Zij overwon haar angst en vroeg een nieuwe afspraak, zijn gezondheid was slecht. Toen ze eindelijk mocht komen, struikelde ze over de snoeren van alle lampen die ze nodig had om Joyce in z'n eigen huis te belichten. Hij viel woedend uit: 'U jaagt me de dood in, wat wilt u met die foto's?' Het was duidelijk wat zijn uitgeefster, die moeite genoeg had zijn boeken te verkopen, met de foto's wilde. Freund kende zijn werk, maar kon er niets mee doen, herinnert zij zich nu. “We praatten over banaliteiten. Hij dacht waarschijnlijk dat ik niks wist. Het was niet makkelijk. Schrijvers houden niet van hun eigen gezicht. Ik liet altijd alles zien wat ik had gemaakt om uit te vinden wat ze 't mooiste vonden. Zo probeerde ik de waarheid te achterhalen.” Joyce was uitgeput na de fotosessie waarin hij piano had gespeeld met zijn zoon Giorgio. Hij had zeventien jaar aan Finnegan's Wake gewerkt en zuchtte: 'Het leven zit er op voor mij. Ik heb mijn laatste werk volbracht. Ik kan doodgaan...' Hij zou nog twee jaar op de vlucht zijn en oogoperaties ondergaan, vòòr hij in Zwitserland stierf.

Kleurenklanten

U was er vroeg bij om kleur te gebruiken, probeer ik, in de hoop een prestatie waar zij trots op is aan te snijden. Freund veert op: “Het was idioot niet in te zien dat dat de toekomst was, technisch was het niet moeilijker, alleen veel bladen waren er bang voor of konden het niet gebruiken. Ik vond nieuwe technieken fascinerend en heb het me eigen gemaakt, ook in de donkere kamer, maar ik had weinig kleurenklanten.” De aandacht verslapt. De verkeerde vraag, hoe zij als immigrant de Franse intellectueel ervoer, doet het gesprek de das om. Zelfs Malraux, de schrijver van La Condition Humaine, de anti-fascist, Spanje-ganger, het latere cultuur-brein van Charles de Gaulle, wiens foto-met-sigaret vol jeugdig elan haar beroemd maakte, kan haar niet meer aan de praat krijgen.

Ruim een week later, op zondagmiddag kom ik terug op theevisite. Ze heeft gisteren geluncht met oude vrienden van vroeger en vandaag gerust. Het heeft haar zichtbaar goed gedaan. Gekleed in een vrolijk wijnrood vest verwelkomt ze het bezoek. Ze heeft net gelezen in Walter Benjamin, de gevluchte Duitse schrijver met wie zij in de tweede helft van de jaren dertig in Parijs bevriend was. “Ik was de enige met wie hij praatte. Hij heeft zelfmoord gepleegd. Ik heb er nooit aan gedacht, maar ik heb velen zo zien vertrekken.”

Ik vraag naar haar prachtige portretten en werkfoto's van Matisse en Bonnard, vrijwel de enige schilders die zij heeft gefotografeerd. Waren die makkelijker dan de schrijvers? Ze steekt een sigaret op - “Ik rook, dat is het enige wat ik heb” - en vertelt dat ze dol was op schilderkunst, zonder te kunnen zeggen waarom ze er niet meer werk van heeft gemaakt. In haar boek Mémoires de l'oeil (Seuil, Parijs, 1977) citeert ze Matisse: 'Wij worden overstelpt met de gevoelens van kunstenaars die ons voorgingen. De fotografie kan ons bevrijden van wat eerder bedacht is.' Na enig schoffelen in haar geheugen ziet ze weer voor zich hoe zij in zijn atelier rondstapte en dat hij charmant en aardig tegen haar was, in tegenstelling tot zijn entourage, die was 'dégueulasse', walgelijk. “Hij had mij een paar boeken gegeven, en toen zeiden ze: 'hij weet niet wat hij doet'.” En, zonder nadere uitleg: “Ik was erg jong toen ik met die schilders omging.”

Ze ziet er tijdens deze tweede ontmoeting wakkerder uit, maar ze zit dieper in zichzelf en haar verleden gedoken. “Ik was erg links. Ik heb veel geluk met mensen gehad.” En dan na een passage zonder tekst: “Fragen Sie mir bitte nichts mehr. Ich habe schon viel erzählt.” Gisèle Freund gaat in het Duits verder, over de grote vooroorlogse schilderijenverzameling van haar vader in Berlijn (Caspar David Friedrich, Max Liebermann, Käthe Kollwitz), een vader van wie zij als meisje niet mocht studeren. Nadat zij van huis was weggelopen ging ze samenwonen met Horst, een neef van het lerarenpaar dat haar had opgevangen. Toen zij ook nog linkse activiteiten ontplooide werd het wederzijds begrip niet beter, al bleven vader en dochter dol op elkaar.

De gedachte aan haar vader roept kennelijk acute herinneringen aan 1933 op, het jaar waarin ze halsoverkop Duitsland ontvluchtte. Ze had voldoende menigten met gestrekte armen gefotografeerd. Het woord Polizei duikt een paar keer op; dan zijn we al snel een jaar of drie verder, de Franse politie is valselijk over haar zogenaamd spionagewerk getipt door een Parijse hospita en wil Freund het land uitzetten. Ze trouwt met Pierre, een familielid van haar vriendin en pleegmoeder Adrienne Monnier, de uitgeefster en boekhandelaar in wier Maison des amis du livre ze literair Parijs tegenkomt. Freund wordt Française, ook al leeft ze maar kort met hem, maar een carte d'identité krijgt ze pas nadat François Mitterrand in 1981 aan het bewind is gekomen. Het officiële staatsieportret dat zij van hem mag maken, en dat veertien jaar in alle stadhuizen van Frankrijk heeft gehangen, is de bekroning van haar Frans-worden. Het levert haar een Légion d'honneur op.

Voorgevoel

De onderscheiding verjaagt de boze droom niet. “I have never wanted to do politics. I had too bad experience with it in Germany. Ik ben net op tijd ontkomen. Malraux was erg geïnteresseerd in mijn Duitse ervaringen. Ik geloof dat de andere Fransen het wel grappig vonden, een Duitse die toch links was.” Het wordt allemaal gejaagd verteld, de woorden rijgen zich in rap Duits en hoekig Engels aaneen. Wat haar Pierre van de Franse Polizei aan onzin over haar hoorde. Hoe ze altijd een voorgevoel had als ze ergens vlug weg moest. Over de jaren vijftig, toen haar medewerking aan het fotoagentschap Magnum werd beëindigd in de McCarthy-roes van anti-communisme, wil ze liever niet praten. “Dat ligt erg gevoelig”, fluistert ze. “Het was een gevaarlijke tijd voor de mensen.” Kort vóór de oorlog bemachtigde zij met hulp van de schrijver Giraudoux een perskaart, om ook te kunnen schrijven. In '42 wist zij op voorspraak van Malraux naar Argentinië ontkomen. Zij werkte later twee jaar in Mexico, waar ze de schilder Diego Rivera en zijn vrouw Frida Kahlo uitvoerig meemaakte. Hoewel zij van Amerikaanse bladen haar grootste opdrachten kreeg, woonde ze nooit langdurig in de Verenigde Staten. Ze ging terug naar Latijns-Amerika, won het vertrouwen van Evita Peron, maar na alle omzwervingen en reportagereizen werd Frankrijk toch haar terre d'asile.

Ze begon haar carrière met schrijven over de fotografie. Ze werd groot als fotografe. Ik wil graag van haar horen of de praktijk haar ideeën heeft veranderd. “I hate to speak about the war.” Daarom vroeg ik daar niet naar, waag ik, in een poging erger te voorkomen. Vergeefs. Krieg en Polizei blijven door de kamer marcheren. Het zonlicht is bleek geworden, de thee is koud. De eerste nacht dat zij in Frankrijk sliep, “bij een groep mensen van links”, schiet haar te binnen. Dan herontdekt ze mij, en zegt dreigend: “Als u hier één woord van publiceert, ontvang ik u nooit meer. Go to the police and you will find out.” Ze vergeet me weer. “Ik ben gelukkig altijd met intelligente mensen geweest. Flüchtlinge meistenteils. Velen hebben zichzelf gedood. Ik ben de enige die nog leeft.” Gisèle Freund, een getuige van de eeuw die bijna voorbij is.