Herenclub

'Exposeer maar waar je zin in hebt', zei Rudi Fuchs, directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam, tegen Harry Mulisch, toen hij de schrijver een vleugel van zijn museum ter beschikking stelde. Het citaat is uit de eerste hand, namelijk van Mulisch zelf, die de woorden van Fuchs gedenkwaardig genoeg achtte om ze letterlijk te herhalen in de door hem geschreven catalogus bij de door hem samengestelde, onlangs geopende tentoonstelling Zielespiegel.

De titel van de tentoonstelling - ook dat heeft de gastconservator laten weten en wel in alle toonaarden - moet zo letterlijk mogelijk worden genomen: het is een zelfportret.

Wat zegt nu de schrijver over zichzelf met dit portret? Dat hij van Piranesi houdt, van Dürer, van Picasso, Kounellis, Rainer, Lüpertz, Kiefer en Chagall, van (afgietsels van) klassieke bustes van Homerus, Zeus, Alexander de Grote en van het werk van nog enkele andere grote, bekende kunstenaars.

Maar dit is slechts een droge opsomming die geïnterpreteerd moet worden om zicht te verschaffen op de ziel van Mulisch.

Wat de schrijver met zijn keuze van de gestaalde kaders uit de kunstgeschiedenis ten diepste over zichzelf zegt, is dit: ik ben een man, ik behoor tot de heersende klasse en mijn wereldbeeld is even onwankelbaar als de kunst die ik toon. Ik huldig een moraal die nooit meer ter discussie gesteld hoeft te worden. Ik heb geen oog voor anderen buiten mijn eigen kring van blanke triomfators. Ik bewandel gebaande paden, liefst precies in het midden. Ik houd niet van verrassingen, zomin als van onverwachte ontroering. Ik vertegenwoordig tot mijn eigen volle tevredenheid potdichte zelfgenoegzaamheid. Ik ben blind én bang voor het onbekende. Ik ben, kortom, een male chauvinist pig.

Eén vrouw laat Mulisch toe tot zijn ereclub van heren: Hanne Darboven, met een uit 120 panelen bestaand, zaalvullend werk. Een excuus-Truus met spierballen, temidden van canonieke kerels met granieten reputaties.

Zo ziet de ziel van Harry Mulisch er dus uit. En die van Rudi Fuchs ook. Want al mocht Mulisch exposeren waar hij zin in had, het kan niet toevallig zijn dat minstens de helft van Zielespiegel bestaat uit werk van kunstenaars, die tot het vaste repertoire van de museumdirecteur behoren. Loop na de bezichtiging van de Mulisch-tentoonstelling naar boven, naar de tentoonstelling De Vertelling, en constateer dat ook daar in de door hem zo geliefde 'dialogen' tussen kunstwerken Chagall, Kiefer, Lüpertz, Rainer, Kounellis en Nauman het hoogste woord voeren. Het enige dat je nog verbaast in zijn museum, is dat Fuchs geen enkele poging doet om zijn begrensde smaak te verhullen.

Hij voert een gemakzuchtig beleid van herenclubs in het kwadraat, want ook de gastconservators recruteert hij uit een vast ploegje. De vorige was Gerrit Komrij, de volgende is, naar verluidt, Adriaan van Dis. Net als Mulisch, minister Van Mierlo, kunstenaar Jeroen Henneman, Fuchs zelf en nog enkele anderen behoren ze tot de zogeheten 'Herenclub', waarover Max Pam onlangs een sleutelroman publiceerde. De club dineert wekelijks in het hoofdstedelijke restaurant Le Garage. Tijdens het uitbuiken worden de overige smulpapen vast ook nog eens uitgenodigd hun ziel te komen blootleggen.