Gesprek met romancière Nathalie Sarraute; Mijn lezers moeten heel gevoelige mensen zijn

Nathalie Sarraute geldt als een van de grondleggers van de Nouveau Roman, de roman die zich bevrijd heeft van onderwerp, plot en personages. De nu 97-jarige schrijfster ziet de roman als de Assepoester van de kunsten “Iedereen kan zich van woorden bedienen. Ze worden door iedereen altijd gebruikt en zijn daardoor versleten en uitgehold.”

De 'Oeuvres Complètes' van Nathalie Sarraute verschenen in de Bibliothèque de la Pleiade van Gallimard (ƒ166,59). 'Ouvrez' werd bij dezelfde uitgeverij gepubliceerd (ƒ36,55). 'Enfance' werd tien jaar geleden onder de titel 'Kindertijd' uitgebracht in de serie Privé-domein van de Arbeiderspers.

“Ik werk nog steeds, anders zou het leven voor mij geen zin meer hebben. Ik ben wat ik heb geschreven en de rest is oninteressant. Nou ja, kinderen en kleinkinderen zijn voor mijn persoonlijke leven wel belangrijk, maar schrijven is het wezenlijke.”

Nathalie Sarraute onderstreept de stelligheid van haar uitspraak met haar doordringende blik, die mij voortdurend gevangen houdt. De schrijfster, die 18 juli van dit jaar achtennegentig wordt en onlangs Ouvrez, haar negentiende boek, publiceerde, zit, gekleed in de voor haar zo kenmerkende zwarte broek en trui, op de ongemakkelijke divan in haar werkkamer. Haar fijne gezicht, dat half schuil gaat achter dikke brilleglazen die haar ogen nog groter maken, is de enige lichtvlek in de halfduistere kamer. Ze spreekt zoals ze schrijft: kort, precies formulerend, soms scherp, zonder franje en zonder uitweidingen. “Die titel van mijn boek zit me vreselijk dwars. 'Ouvrez' (Doe open) is gewoon een woord dat er veel in voorkomt. Maar nu ik het zo op de omslag zie, is het net alsof ik iedereen oproep mijn boek te lezen. Dat zou ik natuurlijk nooit zou durven.”

Na zeventig jaar werken aan een uniek literair oeuvre is de schrijfster nog steeds de bescheidenheid zelve. Ze geeft de voorkeur aan afzondering en veilige afstand van pers en publiciteit. Sarraute is de onbetwiste grondlegster van de Nouveau Roman, de stroming die in de jaren zestig alle tot dan toe geldende criteria voor de roman overboord gooide en bijvoorbeeld iedere vorm van intrige achterwege liet.

Sinds 1937 woont zij aan de statige Avenue Pierre-Ier-de-Serbie in Parijs. Aan de ene wand van haar donkerbruine werkkamer hangt een pentekening van Sint-Petersburg, ertegenover een reproductie van Le café d'Arles van Vincent van Gogh. Rusland is haar geboorteland, Frankrijk werd, vanaf haar negende jaar, haar vaderland. In Enfance (1983), het boek waarmee zij voor het eerst een wat groter publiek bereikte, schreef zij over haar onrustige kinderjaren toen ze nu eens in Parijs, dan weer in Moskou, nu eens bij haar vader, dan weer bij haar moeder woonde.

In de eerste twee decennia van haar schrijverschap was er niemand die haar werk opmerkte. Wat meer erkenning kreeg ze, vooral door haar essays, in de jaren zestig. Vorig jaar werden haar volledige werken opgenomen in de prestigieuze, dunbladige reeks van de Pleiade. “Inmiddels is die uitgave al niet meer compleet”, merkt Sarraute vrolijk op.

Wat vooral in het oog springt, als je haar werk zo gebundeld bekijkt, is haar trouw aan één enkel, piepklein domein waarvoor ze zich al haar hele leven interesseert en dat haar werk uniek en herkenbaar maakt: de tropismes. Oorspronkelijk is het een biologische term voor de bewegingen van planten in reactie op licht of zwaartekracht. Sarraute gaf de term een literaire duiding en definieerde ze als niet waarneembare, onbewuste bewegingen van onze geest, die ten grondslag liggen aan onze gebaren, gevoelens en uitspraken. Het gaat Sarraute om wat er zich in onze geest afspeelt nog voor er een woord wordt gezegd. Volgens de schrijfster vormt deze pré-dialoog de bron van ons bestaan.

Daarom ook neemt Sarraute haar eigen gevoelens als uitgangspunt en niet, zoals zoveel andere auteurs, de verbeelding, de psychologie van een personage of gebeurtenissen uit het verleden. “Ik selecteer gevoelens - soms van jaren her - die nog niet eerder door anderen zijn weergegeven. Dan moet ik nieuwe woorden vinden, levende woorden, die niemand ooit nog in die combinatie samenbracht. Ik ben geen psycholoog, ik analyseer niet en ik geef nooit een etiket aan een gevoel. Ik zeg bijvoorbeeld nooit dat het om jaloezie gaat of om ambitie. Als je gaat classificeren zet je een grafsteen neer, dan zit er geen beweging meer in.”

Het resultaat zijn associatieve, snel verspringende beelden, vol humor, die getuigen van een scherpe kijk op het menselijk gedrag, haar afkeer van de psychologie ten spijt.

In Ouvrez heeft Sarraute zonder twijfel haar meest pure literaire vorm gevonden. Woorden zijn er autonome, levende wezens, die kunnen spreken, bewegen en manipuleren. “Ik wilde vorm geven aan een spel tussen fatsoenlijke, gangbare woorden en woorden die onbehoorlijk en ongepast zijn. Deze twee groepen worden van elkaar gescheiden door een doorzichtige wand. Die wand symboliseert de barrière die er is, wanneer je tegen een vreemde spreekt. Je zegt dan immers niet zomaar alles wat in je opkomt. De onbehoorlijke woorden willen achter die wand vandaan, ze roepen voortdurend 'Doe open!' maar de deur blijft dicht.”

Oorlogspad

In één van de vijftien teksten uit het boek is de woordcombinatie 'U bent' op oorlogspad:

'Deze 'U bent' is van een giftige soort, zo eentje die altijd voor onrust zorgt. Kijk hem eens op z'n achterste benen staan. Hij zoekt... - Met zijn tentakels pakt hij 'imbeciel', nee, 'stom', 'bekrompen', hij aarzelt bij 'oubollig', 'knullig'. - Hij durft niet... Kijk, hij kiest 'onlogisch'. Zijn woedeaanval is voorbij. Hij heeft zich gebeterd, z'n sinistere plannen opgegeven. Wie had ooit gedacht dat die moordzuchtige 'U bent' zo mak als een lammetje zou worden... - ja, soms ontsnap je ergens op het nippertje aan.'

In dit soort dialogen ensceneert Sarraute gevoelens die voor iedereen herkenbaar zijn. Een 'gegeven woord' kan je soms in een lastig parket brengen. Een verkeerd afgesloten telefoongesprek blijft vaak nog lang in je gedachten hangen. En wie kent niet het vervelende gevoel met je mond vol tanden te staan? Sarraute: “Tot op zekere hoogte lijkt iedereen op elkaar. Ik hoop altijd maar dat wat ik voel ook door anderen zo wordt ervaren. Je hebt natuurlijk altijd mensen die met opzet iets niet willen voelen. Maar mijn lezers moeten per definitie heel gevoelige mensen zijn. Vaak zullen ze ook poëzie lezen. Ik kan mij niet voorstellen dat iemand die veel televisie kijkt of avonden lang surft op het internet, mijn boeken goed zou kunnen lezen.”

Sarraute schreef ook verschillende toneelstukken, zoals Le silence (1964), C'est beau (1975) en Pour un oui ou pour un non (1982). Zo'n toneelstuk valt eigenlijk nooit goed na te vertellen. Het onbenoembare wordt erin uitgesproken. Minuscule details, veelgebruikte uitdrukkingen ('Wat mooi!') of een drukkende stilte worden, met veel humor, in woorden gevat. Het lijkt Sarraute onmogelijk Ouvrez als toneelstuk op de planken te zetten, want “hoe zou je de woorden moeten weergeven: met een bordje?” Wel zou het zich goed lenen voor voordracht. Als ze schrijft spreekt Sarraute al haar teksten hardop uit, maar “ook lezen doe ik met het oor, zelfs als het een krantenartikel is. Men zegt dat het slecht is, omdat je dan te langzaam leest. Kinderen wordt geleerd met de ogen te lezen, niet met de oren. Maar mijn boeken zijn geschreven om gehoord te worden.”

Platteland

Tot de verschijning van L'ère du soupçon in 1956 bleef Sarraute's werk volledig onbekend. Voor haar eerste boek, Tropismes (1939), had ze jaren naar een uitgever gezocht en toen het door Minuit werd uitgegeven, had slechts één (Waalse) criticus er aandacht besteed. Tijdens de oorlog moest zij, vanwege haar joodse vader, onderduiken. In 1942 scheidde zij, op papier althans, van Raymond Sarraute, met wie ze in 1925 was getrouwd, zodat deze zijn advocatenpraktijk kon voortzetten. Vervolgens trok ze zich, samen met twee van haar drie dochters, terug op het Franse platteland. Daar begon zij aan Portrait d'un inconnu (1948), waarvan, ondanks een voorwoord van Sartre, nauwelijks driehonderd exemplaren werden verkocht.

“Bijna was ik gestopt met schrijven. Mijn man was mijn enige grote lezer. Gevoelsmatig was hij mijn echo. Als ik hem mijn teksten voorlas, voelde ik meteen of iets goed was of niet. Hij hoefde nooit iets te zeggen. Sinds zijn dood, in 1984, lees ik af en toe iets voor aan één van mijn dochters. Ik zeg niet welke, dat zou ik vervelend vinden voor de andere twee. Ze doet, net als ik, iets wat nog nooit eerder gedaan is. Ze fotografeert industriële objecten die, met elektronische en optische filters, een soort schilderijen worden. Maar met literatuur heeft het niets te maken.”

Met L'ère du soupçon (1956), een bundel artikelen over de vorm en de toekomst van de roman, legde ze de basis voor de Nouveau Roman. Ze wilde af van de vereisten waaraan een traditionele roman à la Flaubert moest voldoen en vroeg zich af hoe schrijvers zich konden bevrijden van het knellende keurslijf van onderwerp, personages en handeling. Tegelijkertijd legde ze uit waarom ze de boeken die ze tot nu had geschreven, zo vorm had gegeven. “Er waren een paar jongere schrijvers die ook vonden dat de literaire vorm moest veranderen. Maar iedereen werkte daar op zijn eigen manier aan. Eigenlijk is de Nouveau Roman nooit een echte groep geweest. We ontmoetten elkaar nooit. Claude Simon ontmoette ik voor het eerst in 1982, tijdens een congres in New York. Robert Pinget heb ik nooit gekend. Alain Robbe-Grillet zag ik vaak bij uitgeverij Minuit, maar we spraken nooit over literatuur. Wat hij deed was het tegenovergestelde van waar ik mee bezig was. Hij bleef aan de oppervlakte en verfoeide alles wat maar riekte naar innerlijke vraagstelling. Robbe-Grillet heeft veel gedaan om de Nouveau Roman als beweging van de grond te krijgen. Hij was verrukt toen een criticus van Le Monde in 1957 op een péjoratieve manier sprak over onze beide 'nieuwe romans' en afficheerde deze term prompt als de naam van onze beweging.”

Assepoester

Over de hele wereld werd Sarraute uitgenodigd voor lezingen waarin zij haar ideeën over literatuur uiteen zette. Overal karakteriseerde Sarraute de roman als de Assepoester in de familie der kunsten. Ze is ervan overtuigd dat schilderkunst en muziek, als het om vernieuwing gaat, altijd een voorsprong zullen hebben op de literatuur: “Iedereen kan zich van woorden bedienen. Ze worden door iedereen altijd gebruikt en zijn daardoor versleten en uitgehold. Kleuren en geluiden staan alleen ter beschikking van schilders en musici, die daardoor gemakkelijker een nieuw universum kunnen scheppen. Ik geloof nog steeds dat de literatuur heel langzaam in de richting gaat van de abstracte kunst. Vooral voor dichters geldt dat zij voortdurend op zoek zijn naar de pure vorm. Mallarmé is er een goed voorbeeld van. Volgens mij is er weinig verschil tussen goede literatuur en poëzie. Ik zou graag willen dat mijn teksten de poëzie benaderen.”

De nouveau-romanciers is vaak verweten dat ze de lezer van zich hebben vervreemd. Sarraute: “Ik heb nooit aan de lezer gedacht. Als ik dat wel had gedaan, zou ik bij hem of haar in de smaak hebben willen vallen, steeds opnieuw. De lezer herschept het werk. Er zijn vast lezers bij wie mijn boeken gevoelens oproepen die ik afgrijselijk zou vinden. Ik heb zojuist naar Schubert geluisterd, terwijl ik helemaal niet muzikaal ben. Er moet een enorm verschil zijn tussen wat hij heeft gemaakt en wat ik heb gehoord. Hij zou zich vast in zijn graf hebben omgedraaid.”

Sarraute hoopt dat de Nouveau Roman, door het overboord gooien van alle traditionele vormen, de weg heeft geëffend voor jongere schrijvers. In de praktijk echter lijkt de stroming juist auteurs te hebben geblokkeerd. Patrick Rambaud, die onlangs de prix Goncourt won, zegt alle theorieën van de Nouveau Roman te verafschuwen. Dominique Noguez, dit jaar winnaar van de prix Fémina, stelt dat deze stroming hem lange tijd heeft verlamd. Sarraute: “Ik vind hen niet zo beklagenswaardig. Als je wilt schrijven ligt het voor de hand je af te zetten tegen de vorige generatie.” Nooit leest ze de boeken die bekroond worden met literaire prijzen: “Ik herinner me nog goed hoe verontwaardigd we waren toen in 1952 Reis naar het einde van de nacht van Céline werd gepasseerd voor de prix Renaudot. Maar verder houd ik me daar echt niet mee bezig. Bij de oprichting van de prix Médicis in 1958 werd ik gevraagd voor de jury, maar ik ben er niet lang gebleven. De uitgevers hadden een veel te grote invloed op de keuze. De laureaten verkopen goed, maar wie leest ze nog dertig jaar later?”

Volgens Sarraute gaat het in de meeste gevallen niet om een werkelijke vernieuwing. En dat is voor haar het enige criterium dat telt: “De literatuur is een estafetteloop: je krijgt het estafettestokje van iemand die zich, vóór jou, een weg heeft gebaand. Dan ga je er achteraan. Zonder Proust had ik waarschijnlijk niet geschreven. Eerlijk niet.”