Een nieuw leven voor Apollo; Vierhonderd jaar geleden werd de eerste opera uitgevoerd

'Dafne' van Jacopo Peri wordt beschouwd als de eerste opera die ooit is geschreven. Peri meende vierhonderd jaar geleden slechts de oude Grieken na te volgen, hij had niet in de gaten dat hij een nieuwe kunstvorm uitvond.

Jacopo Peri: Euridice door La Compagnia dei Febi Armonici en Ensemble Albalonga o.l.v. Anibal Cetranggolo. Pavana Records ADW 7372/3 (2 cd).

Euridice door Ensemble Arpeggio o.l.v. Roberto de Caro: Arts 47276-2 (2 cd)

Jacopo Peri, dit jaar precies vier eeuwen geleden de componist van de eerste opera Dafne (1598), zong in zijn eigen werk zelf de rol van Apollo, de Griekse god van de schone kunsten. Peri zag er als Apollo ook goddelijk uit, al was hij dan op het operapodium niet naakt zoals de beeldhouwwerken uit het antieke Griekenland, waarvan de kunst tijdens de Renaissance herleefde in Florence.

Peri (1561-1633) was lang van gestalte en zijn verschijning was fraai, vonden zijn Florentijnse tijdgenoten. De zingende componist had golvend roodblond haar en droeg de liefkozende bijnaam 'Zazzerino' - de langharige. De Medici, heersers over Florence, waren grote bewonderaars van Peri, die hen met zijn zang soms tot tranen toe bewoog. De vijf Toscaanse groothertogen uit het huis De Medici, dat Peri in zijn meer dan tachtigjarige leven als musicus diende, beschouwden hem als een lid van de familie.

Negen jaar voor zijn optreden als Apollo had Jacopo Peri de rol van de planeet Venus vertolkt in een muzikaal tussenspel dat begon met de zang: Uit de hoogste hemelsferen der hemelse Sirenen gezelline, naak ik, de Harmonie, u stervelingen. Ik daal vanuit het zwerk met vleugelslagen. Peri moet in deze scène samen met andere planeten letterlijk door de lucht zijn gevlogen, als een antiek-Griekse 'deus ex machina'.

Peri had veel furore gemaakt met dit optreden, dat op de binnenplaats van de Florentijnse Uffizi een onderdeel was van de uitvoering van de komedie La Pellegrina. Daarmee werd op 2 mei 1589 het huwelijk van Ferdinand I met Christina van Lotharingen gevierd. De luister en het spektakel van La Pellegrina moesten alle voorafgaande feesten overtreffen, zelfs die waar op een onder water gezette binnenplaats van het Palazzo Pitti, een zeeslag werd uitgebeeld.

La Pellegrina was totaaltheater, zoals nog niet eerder was vertoond, met gebruik van veel verschillende decors en toneelmachinerieën. Toneel, dans, poëzie en muzikaal theater werden, in de vorm van zes tussenspelen, in La Pellegrina gecombineerd tot één geheel, drie eeuwen voordat de term 'Gesamtkunstwerk' werd uitgevonden.

Aan La Pellegrina werkte een aantal van de belangrijkste Florentijnse kunstenaars uit de late zestiende eeuw mee. De auteurs stonden onder leiding van Giovanni de' Bardi, een van de stichters van de Florentijnse Camerata. De Camerata was een academie, waarin de Florentijnse elite van intellectuelen, amateurs en professionele kunstenaars zich beijverde voor de herleving van de antieke Griekse cultuur. Cristofano Malvezzi was de aanvoerder van zes componisten. Drie van hen - Peri, Caccini en Cavalieri - waren in het volgende decennium ook de componisten van een aantal van de eerste opera's.

De decors en kostuums werden ontworpen door de hofschilder Buontalenti, die ook zorgde voor de toneelmachinerieën. Voor het vijfde tussenspel componeerde Peri een extreem virtuoos Eco con due risposte, waarbij twee zangers de echo's zongen van een andere zanger. Peri zelf zong daarin Arion, de rol met de hoogste stem.

Roemrucht

De voorstelling van La Pellegrina heeft zich een roemruchte plaats verworven in de kunstgeschiedenis, als voorloper van de nieuwe kunstvorm opera. De partituur van de zes Intermediën werd twee jaar later door Malvezzi gepubliceerd en die tussenspelen zijn nog steeds fameus als de vroege renaissancistische pogingen tot vormen van muziektheater, die kort daarop leiden tot de eerste opera: Dafne van Jacopo Peri.

Van Dafne is weinig meer bewaard gebleven dan de tekst en enkele muzikale fragmenten. Van Jacopo Peri bestaat slechts één afbeelding. We zien hem in een kostbaar kostuum - een bevallig Grieks rokje, een rijk afgezet jasje met pofmouwen over een zwierig verfraaid borststuk, daarop nog een lint met een fors sieraad of een medaillon. Peri's voeten steken in hoge versierde laarzen. Voor de musicologen is het onduidelijk in welke rol hij is afgebeeld. De één denkt dat Peri op deze tekening Arion zingt in het Vijfde intermedium. Volgens een ander speelt Peri hier de muzikant Orfeus in zijn tweede opera Euridice.

Het aantrekkelijkst is echter de veronderstelling dat we op de tekening 'Zazzerino' Peri zien als Apollo in Dafne. Al betekent 'zazzero' behalve 'langharig' ook 'verwarde haardos', toch is het bij nadere bestudering aannemelijk dat we op Peri's hoofd niet zijn fameuze kapsel zien, maar de bladeren van een lauwerkrans. In de mythe waarop Peri's opera Dafne is gebaseerd, laat Cupido Apollo verliefd worden op de nimf Dafne. Aan het slot van een lange achtervolging verandert ze in een laurierboom. Vervolgens vervaardigt Apollo van haar takken een lauwerkrans die hij op zijn hoofd zet. Zo zijn Apollo en Dafne toch voor altijd vereend.

Peri vervulde voor Dafne een dubbelrol. Hij gaf als operazanger niet alleen gestalte aan Apollo, als de componist van het werk schiep hij een nieuw genre en gaf daarmee nieuw leven aan Apollo. De god van de muziek kreeg uit mensenhanden een nieuwe kunst om te behoeden: de opera.

Hoewel na vierhonderd jaar Italië nog steeds wordt geïdentificeerd met opera, was de wereldpremière van Dafne slechts een bescheiden gebeurtenis - iets totaal anders dan de prestigieuze presentatie van La Pellegrina. De opera Dafne werd uitgevoerd in een vrij kleine ruimte ten huize van Jacopo Corsi, de opvolger van Bardi als de meest vooraanstaande Florentijnse muziekliefhebber en gastheer voor uitvoeringen.

Carnaval

De voorstelling van Dafne vond plaats in besloten kring en had een beperkte enscenering met medewerking van slechts enkele musici. De allereerste operavoorstelling was zó weinig officieel dat er lang is gediscussieerd over de vraag wanneer Dafne werd uitgevoerd: in 1594, 1595, 1597 of 1598.

De inleiding tot de partituur van Peri's Euridice uit 1600 plaatst Dafne op nogal onduidelijke wijze in 'fin l'anno 1594' - het eind van het jaar 1594. Daarmee zou volgens anderen juist het begin van 1595 zijn bedoeld. Meer waarde heeft een mededeling van de componist Marco da Gagliano. Hij schreef in 1608 nieuwe muziek op het libretto van Dafne en vermeldde een eerste uitvoering van Peri's opera tijdens het carnaval van 1597. Het florentijnse carnaval duurde van eind december tot februari of maart. Maar het zestiende-eeuwse Florence leefde nog volgens de juliaanse kalender, waarbij het nieuwe jaar op 1 maart begon. Gerekend naar de huidige gregoriaanse kalender, vond het het carnaval van 1597 plaats in het jaar 1598.

Zo moet dus in het jaar 1998 de vierhonderdste geboortedag van opera worden gesitueerd. Want al dacht Peri niet veel anders te doen dan de oude Griekse voorbeelden na te volgen, in feite vond Peri een nieuwe kunstvorm uit. De operakunst is gefundeerd op een misverstand: op grond van de slecht vertaalde en in ieder geval niet goed begrepen Poetica van Aristoteles, dacht men tijdens de Renaissance dat het antieke Griekse drama in zijn geheel werd gezongen. In feite was dat slechts gedeeltelijk het geval: naast de koorliederen en de beurtzangen waren er in de tragedies ook gesproken gedeelten.

De wens tot het reconstrueren van het antieke Griekse drama was in Italië zó groot en wijdverspreid dat al achttien jaar voor Dafne de architect Palladio in Vicenza begon aan het Teatro Olimpico (1580-1585) - een overdekte reconstructie van een Grieks theater. Uiteindelijk werd de eerste echte opera Dafne toch uitgevoerd in Florence, de plaats waar de Renaissance niet alleen ontstond, maar nu met de opera ook zijn voltooiing kreeg.

Opera was onmiddellijk een succes. Korter dan tien jaar na Dafne, in 1607, schreef Claudio Monteverdi voor een voorstelling in Mantua het eerste meesterwerk: L'Orfeo - een andere titel voor hetzelfde Grieks-mythologische onderwerp dat Peri behandelde in zijn Euridice (1600). In 1666 waren er zoveel opera's gemaakt, dat de Griek Leone Allacci een catalogus aanlegde van tachtig muziektheatrale 'werken', de 'opera', waarmee het genre zijn definitieve naam kreeg.

Op Peri's uitvinderschap van opera valt wel iets af te dingen. Dafne kwam niet tot stand op initatief van hemzelf, zoals de componist Vitali later schreef. Peri was daartoe als componist door de mecenas Jacopo Corsi aangezocht. Ottavio Rinuccini, de librettist van Dafne, was op de gedachte gekomen dat zingen kracht zou toevoegen aan zijn gedichten en dat 'muziek (-) nuttig zou zijn om beter en levendiger hun betekenis en gedachte uit te drukken.' Corsi componeerde zelf enige aria's op Rinnuccini's tekst en legde die als voorbeelden voor aan de componisten Peri en Caccini. Beiden, maar Peri het eerst, schreven muziek bij de tekst van Dafne.

Liefhebber

Zo kwam de opera dus in eerste instantie voort uit de wens van de dichter Rinuccini om met muziek en kostumering een extra beeldende dimensie te geven aan de voordracht van zijn poëzie. Daarnaast was er de nadrukkelijke hang naar opera vanuit het ontwikkelde publiek, de ware muziekliefhebber Jacopo Corsi. Volgens Gagliano werd Corsi door 'alle musici met grote reden' zelfs 'de vader van de muziek' genoemd.

De klein opgezette première ten huize van Corsi had een groot succes en wekte veel belangstelling op bij een ieder die ervan hoorde. Een jaar later, tijdens het carnaval van 1599 werd Dafne daar in betere vorm herhaald voor een elitair publiek, met de groothertog en groothertogin van Toscane (de Medici) en de kardinalen Dal Monte en Montaldo. Volgens Vitali behaagde Dafne 'allen zodanig, dat ze hen stomverbaasd achterliet.'

Wat de Florentijnen zo verbaasde was vooral Peri's 'nieuwe stijl'. Zijn muziek nam afscheid van de oude madrigaalstijl, ontstaan uit het eenvoudige volkslied, maar in de loop der tijd met zijn driestemmigheid erg complex geworden en moeilijk te volgen.

Peri ging terug naar de eenvoud van de eenstemmigheid, waarbij de tekst op melodieuze, in wezen natuurlijke, wijze werd voorgedragen. Het was eerder een zangerige vorm van spreken en declamaren dan het technisch virtuoze en veelal versierde zingen met tal van tekstherhalingen zoals we dat kennen uit veel latere opera's. Deze 'nieuwe stijl' richtte zich uitsluitend op de expressie van de gevoelens van het individu, het personage dat werd vertolkt door de operazanger.

Twee jaar na het experiment Dafne had Peri al zijn definitieve 'nieuwe stijl' gevonden in Euridice, dat werd uitgevoerd bij het huwelijk van Maria de Medici. Gagliano schreef: 'Toen ontdekte Jacopo Peri die kunstige manier van zingend vertellen, die heel Italië bewondert. Er is geen muziekliefhebber die daarbij niet altijd de zangen van Orfeus in gedachten heeft. Wie hem niet zelf zijn aria's heeft horen zingen, kan hun voornaamheid en kracht niet volledig begrijpen omdat hij die een zo geschikte gratie verleent en de toehoorder zozeer het effect van de woorden inprent, dat hij gedwongen wordt om te wenen of zich te verheugen, zoals hij wil.'

Peri zelf was bescheiden over zijn compositorische vernieuwing. In het voorwoord bij zijn Euridice bewees de componist vooral eer aan zijn collega Cavalieri: 'Eerder dan wie dan ook (-) heeft hij op bewonderenswaardige wijze onze muziek op het podium gebracht.'

De nu vierhonderdjarige geschiedenis van de opera is er een van cyclische bewegingen: op virtuositeit en complexiteit volgde telkens een beweging van puristen en hervormers, die teruggrepen naar eenvoud en verstaanbaarheid, naar de oerdeugden van het Griekse drama.

Zo rekende Gluck af met de uitwassen van de barokopera en schreef hij zijn Orfeo ed Euridice. Zo bouwde Wagner in Bayreuth zijn Festspielhaus als een Grieks amfitheater. Hij componeerde zijn opera's over mythische onderwerpen in een niet-virtuoze zangstijl zonder aria's, in een vertellende stijl, zoals de Gralserzählung in Lohengrin. Zo kwam Schönberg tot zijn Sprechgesang in de Gurrelieder, Pierrot Lunaire en Moses und Aron. Zo componeerde Strawinsky zijn strenge Oedipus Rex voor zangers met Griekse maskers.

Sommige vormen van opera gingen in hun streven naar eenvoud en begrijpelijkheid vrijwel vanzelf terug naar het Griekse voorbeeld. Mozarts Die Zauberflöte is een 'Singspiel' - niet in het Italiaans maar in de voor iedereen verstaanbare landstaal. Het bestaat ook deels uit dezelfde elementen als het Griekse drama: gesproken teksten en koorzang. Zo kenden - achteraf bezien - de oude Grieken ook al een vorm van opera.