Een introductie tot Blanchot; IJsberen op de vierkante millimeter

Annelies Schulte Nordholt, Laurens ten Kate & Frank Vande Veire (red.): Het wakende woord. Literatuur, ethiek en politiek bij Maurice Blanchot. SUN, 224 blz. ƒ 34,50

Als iemand die zonder diploma in het diepe is gesprongen - zo zal menige lezer van Oponthoud van de dood en Thomas de Duistere, de twee romans van de Franse schrijver en filosoof Maurice Blanchot (1907) die in het Nederlands zijn vertaald, zich hebben gevoeld. Alles wat doorgaans in een roman houvast biedt is bij hem weliswaar niet afwezig, maar het lijkt alsof hij stiekem de spelregels heeft veranderd. Het verhaal laat zich nauwelijks navertellen, de personages blijven ongrijpbaar. Je kunt je alleen maar overgeven aan de schittering van de woordenstroom, in de hoop dat op den duur iets duidelijk zal worden over het waarom van dit ogenschijnlijk van iedere 'zin' verstoken geschrijf, 'ce jeu insensé d'écrire', zoals Mallarmé het ooit noemde.

Onbekende wereld

Blanchot schrijft literatuur voor gevorderden, dat wil zeggen: voor lezers die zijn specifieke opvatting van literatuur delen. Zijn verhalen spelen zich af in een onbekende wereld, die bij nader inzien toch niet anders is dan de wereld van alledag. Wat alleen ontbreekt is de vanzelfsprekendheid van zin en betekenis. Juist op dat ontbreken richt zich volgens Blanchot de literatuur; zij bestaat uit een imaginaire ruimte waarin de schrijver zich inlaat met het raadselachtige proces dat al die zin en betekenis pleegt voort te brengen. Zoals de lezer van zijn romans ieder houvast moet ontberen, zo schrijft ook Blanchot zonder houvast, zonder de zekerheid van traditionele noties als God, het ik, het subject, de waarheid of het ene.

Zelfs de zekerheid van het boek en het oeuvre wordt in twijfel getrokken. Van een schrijver die zich in zijn werk uitdrukt, is dan ook geen sprake; in diens plaats komt een anoniem spreken, de taal zelf, die richting- en stuurloos is als een onpersoonlijk 'rumoer' voordat zij door de mens wordt gebruikt om uit de amorfe werkelijkheid een wereld van zin en betekenis te creëren. Blanchot exploreert de achterkant of de schaduwzijde van de cultuur, dat wat zoiets als 'cultuur' mogelijk maakt maar wat in de cultuur altijd buiten schot blijft. Wanneer Blanchot spreekt over het 'buiten' of over de 'nacht', dan is het deze in de alledaagse wereld vergeten dimensie die hij op het oog heeft.

Om dit te kunnen vatten is enige hulp onontbeerlijk. Daarom is het goed dat nu Het wakende woord is verschenen, een bundel met teksten en essays van en over Blanchot, samengesteld door Annelies Schulte Nordholt, Laurens ten Kate en Frank Vande Veire. Het wil een introductie zijn tot Blanchots schrijven en denken, voor beginners evengoed als voor gevorderden. In de praktijk zullen echter ook de beginners al enigszins gevorderd moeten zijn, zij het niet noodzakelijkerwijs in Blanchot, om de essays te kunnen volgen. Want sommige van de bijdragen doen in duisternis nauwelijks onder voor het proza van Blanchot zelf. Ook in deze bijdragen wemelt het van de 'duizelingwekkende paradoxen' (zoals Ten Kate het noemt), die blijkbaar onvermijdelijk zijn zodra iemand probeert tot het uiterste te gaan en te zeggen wat in feite onzegbaar is.

De dissident in de bundel is Jacq Vogelaar, die openlijk bekent zich 'enigszins buitengesloten' te voelen uit de 'gesloten kring' van Blanchots werk. Hoewel hij onmiskenbaar tot de gevorderden behoort, biedt zijn bijdrage daardoor het meest toegankelijke aanknopingspunt voor de beginners. Indirect levert Vogelaars commentaar op de bijdragen van de anderen, door Blanchots eigen praktijk als criticus ter discussie te stellen.

'Een van de taken van de kritiek zou moeten zijn, iedere vergelijking onmogelijk te maken', citeert Vogelaar Blanchot. Het gaat er niet om literaire werken in te voegen in een groter verband; de kritiek moet het onvergelijkbare en dus unieke van

een werk aan het licht brengen. Hoe dat mogelijk is zonder te vergelijken, blijft een lastig probleem. Maar het is duidelijk wat Blanchot bedoelt: literatuur die gereduceerd wordt tot schakel van een literair-historische keten verliest onwillekeurig haar eigen ongenaakbare karakter. Met als gevolg dat de extreme eis waaraan zij beantwoordt, in het kritische commentaar teniet wordt gedaan.

Maar hoe moet je dan wèl schrijven over een auteur als Blanchot? Het antwoord vinden we bij de meeste anderen die aan Het wakende woord hebben meegewerkt. Anders dan Vogelaar, die weigert zich 'dienstbaar' te maken aan een auteur, beperken zij zich tot een parafrase van wat Blanchot zelf heeft geschreven. Hun essays zijn als het ware een spiegel van Blanchots teksten, waarin telkens net iets anders of iets meer zichtbaar wordt dan in die teksten.

Dat levert vaak rake typeringen op, die in een paar woorden samenvatten wat Blanchot onder literatuur verstaat. 'Literair wordt een tekst pas wanneer hij tast naar de bron van waaruit de voorstellingen ontspringen, om te ervaren dat het hem aan zo'n bron ontbreekt', schrijft Frank Vande Veire. Bij Dirk van Poucke lees ik: 'In staat zijn tot literatuur is synoniem met een prijsgave aan een niet-goddelijke uitwendigheid'. Naar aanleiding van Blanchots boek L'attente l'oubli (1962) heeft Henk van der Waal het over 'ijsberen op de vierkante millimeter' en ook schrijft hij dat Blanchot 'een proces van betekenisgeving op gang [brengt] dat de gegeven betekenis direct weer uitwist, zodat het proces zelf in beeld komt'.

Zo is het precies. Maar voor de beginner heeft deze parafraserende aanpak het nadeel dat de distantie wel heel beperkt blijft, zodat een eigen benadering van dit tergend moeilijke, maar daardoor ook uitdagende oeuvre amper vergemakkelijkt wordt. Enig soelaas biedt de algemene inleiding van Annelies Schulte Nordholt, waarin een poging wordt gedaan Blanchots werk nu eens niet te benaderen 'als stond het los van de tijd en de geschiedenis, zwevend in boventijdelijke, etherische sferen'. Schulte Nordholt gaat bijvoorbeeld in op Blanchots politieke activiteiten als sympathisant van de extreem-rechtse Action Française in de jaren dertig en op zijn meer incidentele extreem-linkse engagement in de jaren vijftig en zestig.

Terecht meent zij dat het onzin is deze politieke activiteiten los te zien van Blanchots literaire geschriften. Beide komen voort uit dezelfde preoccupaties, die zij aanduidt als 'het voorgevoel van de naderende ondergang, de dreiging van een zondvloed die de gehele westerse beschaving met zich mee zou sleuren'. Een optimist is Blanchot inderdaad allerminst. Tegenover de beschaafde werkelijkheid heeft hij altijd, hoe dan ook, een radicaal 'nee' en een onvoorwaardelijke 'weigering' laten horen. Na 1938, toen Blanchot zich uit de politieke publicistiek terugtrok, zijn deze preoccupaties verschoven van een activistisch naar een beschouwelijk vlak, de enkele oprispingen (tegen De Gaulle tijdens de Algerijnse oorlog en de mei-revolte van 1968) daargelaten.

Dezelfde beweging vinden we terug bij Blanchots vriend Georges Bataille en bij Martin Heidegger, de filosoof die (zoals Vande Veire schrijft) nooit 'ver weg' is bij de zaken die Blanchot bezighouden. Een essay over de invloed van Heidegger, dat de filosofische context van Blanchots positie had kunnen verhelderen, ontbreekt helaas in Het wakende woord. Wel is er een essay over de relatie met Bataille en met Levinas, Blanchots levenslange jeugdvriend, waarin Laurens ten Kate op zoek gaat naar de ethische consequenties van Blanchots 'gewelddadige' schrijven dat zich keert tegen elke 'wet', inclusief de wet van het schrijven zelf.

Glashelder laat Ten Kate de overeenkomst met Bataille zien en het verschil met Levinas, voor wie het geweld in laatste instantie dient te worden overwonnen in een ethiek van de Ander. Bij Blanchot is van zo'n ethiek geen sprake. Wat hij de 'verschrikkelijke verantwoordelijkheid' van het schrijven noemt, bestaat eerder uit een standhouden oog in oog met het even onontkoombare als onacceptabele geweld van de elementaire werkelijkheid, zonder je ermee te identificeren en zonder het in beschaafde regels en wetten als een te verhelpen manco te ontkennen.

Anti-oeuvre

Ten Kates essay is een mooi voorbeeld van een niet-parafraserende benadering van Blanchots werk, die dat werk niet tekort doet en toch de nodige distantie bewaart. Zo ontstaat ruimte voor vragen die niet meteen door het werk zelf worden beantwoord. Vragen bijvoorbeeld naar de betekenis van de in wezen machteloze ethiek voorbij goed en kwaad die Ten Kate aan Blanchots schrijven en denken meent te kunnen ontlenen. Wat moeten we aan met zoveel literaire en filosofische radicaliteit die zich onmogelijk in daden laat vertalen? Wat is de waarde van dit oeuvre dat tegelijk een anti-oeuvre is?

Misschien moet je zeggen dat Blanchot van zijn werk en van de literatuur zoals hij die opvat een permanent memento mori heeft gemaakt, een herinnering aan de tragische prijs die we betalen voor onze wereld van zin en betekenis. Maar tegelijkertijd laat hij er geen twijfel over bestaan dat dit een prijs is die nooit kan worden verrekend, die niet zelf kan worden omgezet in iets dat zin en betekenis heeft. Vandaar de ontoegankelijkheid van zijn romans en verhalen: zij berust niet op een gril of een tic, maar is een gevolg van de noodzaak tijdelijk alles op te geven wat buiten de literatuur het leven leefbaar maakt.

Wie daar als lezer, dankzij deze stimulerende introductie, eveneens toe in staat blijkt te zijn, verandert vanzelf van een beginner in een gevorderde, om pas daarna tot de verrassende èn pijnlijke ontdekking te komen dat geen enkele vordering ooit los kan raken van het begin.