De wens

Er zijn uitdrukkingen en uitspraken waaraan bij hun geboorte al niets meer viel toe te voegen. Het is jammer voor alle latere generaties die er iets eigens bij wilden doen maar iedere verbetering werkt averechts. Daarvoor hebben de Duitsers een goed woord: Schlimmbesserung. Tot de volmaakt geboren uitdrukkingen hoort het Gelukkig Nieuwjaar!, met uitroepteken en verder niets.

Iedereen zal de volgende week wel mensen tegenkomen die hun ogen en misschien hun mond iets te wijd open hebben en zeggen: Een hééél gelukkig nieuwjaar!, of Mag ik u een ontzèttend g.n. toewensen. Je denkt: wat bedoelt die? Wat is het verschil tussen gelukkig en hééél gelukkig? Dat zijn de zestig seconden van een reclamespotje op de televisie, het is de verstijfde blijheid van een talkshowmaster. Beter dan gelukkig met uitroepteken kan het dus niet.

Maar er is wel een andere mogelijkheid om nader te verklaren wat er telkens weer tussen 31 december om 24.00 uur en 1 januari 0.00 uur gebeurt. De beste beschrijving die ik daarvan ken is door Witold Gombrowicz gegeven. Het is 1958, de dan 54-jarige Poolse schrijver woont in Argentinië. Op de eerste dinsdag van dit jaar noteert hij in zijn dagboek: 'Het Nieuwe Jaar, vanuit het Oosten met de snelheid van de aardomwenteling naderend, bereikte en omvatte me in La Cabania bij D., terwijl ik met een glas champagne op de sofa zat. D. zat in een fauteuil onder de lamp, Marisa bij de radio. Andrea op de armleuning van een andere fauteuil. Verder was er niemand. Vóór D. een omgegooid schaakspel. Een dramatisch moment. Wat zal er gebeuren? Wat zal de toekomst brengen die nu is aangebroken? 'Als ik maar niet altijd boze dromen had...' Misschien zal het zonder catastrofe aflopen. Het begin van het nieuwe jaar is een haastige loop, een verschrikkelijk snelle loop van de tijd, van de mensheid, van de wereld, alles dringt als waanzinnig naar de toekomst, en het gigantische van deze astronomische wedloop beneemt je de adem. Ook ik liep met alles mee, mijn lot rolde met geraas van het ene jaar in het andere, en in deze minuut, in deze seconde was iets gebeurd, hoewel er niets gebeurd was. Een jaar was begonnen.'

Prachtig! Vind ik. Vandaar dat ik het voor de lezers van deze stukjes overschrijf. Ik heb het eerder geciteerd, maar toen uit mijn hoofd omdat ik de tekst van deze vertaling (in het tijdschrift Soma, december 1972) niet meer kon vinden. Toen stond me voor de geest dat Gombrowicz het nieuwe jaar had vergeleken met een machine, groot, glanzend, met ontzaglijk veel drijfstangen, excentrieken, vliegwielen, en wat er verder bij zo'n apparaat van tijdtransport hoort. Van de ene seconde op de andere zette deze machine zich in beweging, het nieuwe jaar accelereerde, om zich de volgende 365 dagen de eeuwigheid in te spoeden. Ook wel een mooi beeld, maar het lijkt niet op wat Gombrowicz heeft geschreven. Ik heb geen idee van wie het dan wel is. De machine ziet er Tinguely-achtig uit. Misschien is het een kruising tussen Gombrowicz en Tinguely.

In dit dagboek staat veel meer dat de lust tot citeren wekt. Het is donderdag. Na het ontbijt hebben ze met hun vieren een discussie over de stelling van Gombrowicz 'dat een mens op een paard iets zonderlings is, iets belachelijks en een belediging voor de esthetiek.' Men ziet de ontbijttafel voor zich: eierdoppen, kruimels, maar er is nog koffie en het onderwerp is te goed om het in de steek te laten. 'Ik legde uit dat een dier niet wordt geboren om een ander dier op zich te dragen. Een mens op een paard is even vreemd als een rat op een haan, een kip op een kameel, een aap op een koe, een hond op een buffel. Een mens op een paard, dat is een schandaal, een verstoring van de natuurlijke orde, een brutale kunstmatigheid, dissonant, lelijkheid.' De andere ontbijters zijn het natuurlijk niet met hem eens, beroepen zich op de beeldhouwkunst door de eeuwen heen. Ik heb weleens iemand op een paard door de branding zien galopperen - op de film - en haar daarmee later gecomplimenteerd. Maar dat kwam doordat het een tafereel van onverschrokkenheid was. Voor de rest geef ik Gombrowicz gelijk.

'Ik wandelde door de eucalyptuslaan toen plotseling van achter een paar bomen een koe tevoorschijn kwam. Ik bleef staan en we keken elkaar in de ogen. Haar koeigheid verraste mijn menselijkheid zozeer - dit moment waarop onze blikken elkaar kruisten was zo vol spanning - dat ik de kluts kwijtraakte als mens, dat wil zeggen in mijn menselijke soort.' Daarop volgt een reeks overwegingen over de verhouding tussen het hogere en wat de mens, altijd als het hogere, meestal het lagere noemt. Actuele conclusies liggen voor de hand. Ik wens mens en dier gelukkig nieuwjaar!