De stroom van Chinese-vrouwenbiografieën; Het kapitalisme heelt alle wonden

De autobiografische roman 'Wilde zwanen' was niet het sluitstuk maar het begin van een hausse. Het aantal boeken van Chinese schrijfsters over hun land, hun familie en zichzelf tijdens de 'culturele revolutie' van Mao is amper bij te benen. Maar vergeleken met 'Wilde zwanen' neemt de kwaliteit niet navenant toe. Populisme en exotica blijven de boventoon voeren.

Wang Ping: Vossengeur. Vertaald door Auke Leistra. De Prom, 178 blz. ƒ 29,90

Adeline Yen Mah: Vallende bladeren. Het verhaal van een ongewenste Chinese dochter. Vertaald door Paul Syrier. Anthos, 300 blz. ƒ 39,90

Jaia Sun-Childers: Dochter van de rode zon. Vertaald door Annette Zeelenberg. Luitingh-Sijthoff, 335 blz. ƒ 34,90

Sinds ik in Engeland woon, vraag ik me wel eens af of er een markt zou zijn voor een boek over mijn jeugd in Nederland. Son of the Polder, zo zou ik het kunnen noemen. Ik heb al allerlei materiaal: over de tijd van de oliecrisis, bijvoorbeeld, toen we gingen rolschaatsen op de snelweg. En dan is het wel leuk om uit te leggen dat we in Nederland niet motorway zeggen, maar quickway. Of over hoe het was om op te groeien in een verzuilde (pillarised) samenleving (togetherliving), die zo volledig (full-empty) anders is dan de Engelse.

Dergelijke gedachten komen al snel boven wanneer je een aantal exemplaren leest uit het genre van de 'Chinese-vrouwenbiografie', dat tegenwoordig zo populair is. De schrijfsters van die boeken lijken uitzonderlijk veel moeite te doen om hun taal en cultuur vreemder te maken dan ze zijn. Lulu Wang verandert China in een kastenmaatschappij en laat mensen elkaar ning-en in plaats van knijpen. Jaia Sun-Childers duidt een warenhuis (in het Chinees baihuo shangdian of 'honderdproductenwinkel') aan als De Honderd Producten en noemt haar vader Ba in plaats van Pa, daarmee een van de meest universele aanspreekvormen onnodig 'verchinezend'. Adeline Yen Mah noemt haar stiefmoeder Niang (wat gewoon 'moeder' betekent) en wijt al haar persoonlijke problemen aan haar 'wortels', die toevallig in China liggen. De vraagt dringt zich op wat, in literaire zin, de wortels zijn van dit merkwaardige genre en waar de populariteit ervan op gebaseerd is.

In 1991 publiceerde Jung Chang het familie-epos Wilde Zwanen: drie dochters van China. Voor die tijd waren ook al dergelijke boeken verschenen, maar sinds Wilde Zwanen weet men dat je er rijk en beroemd mee kunt worden. Vergeleken met de epigonen is Wilde zwanen een uitstekend boek. De schrijfster is er in geslaagd om haar persoonlijke ervaringen te vatten in een epos over haar familie, geplaatst tegen een historische achtergrond waarin zij zich terdege heeft verdiept. Chang is geen historicus, maar ze heeft zich bij het schrijven van het boek moeite getroost om haar eigen waarnemingen te verrijken met geschiedkundig onderzoek. Het feit dat Jung Changs (vrijwel vergeten) eerste boek, Mme Sun Yat-sen (verschenen bij Penguin in 1986), een geromantiseerde biografie is van de vrouw van China's eerste president, en dat zij bij regelmaat verklaart een boek over Mao Zedong te willen schrijven, geeft aan dat haar ambities eerder op het geschiedkundige dan op het literaire vlak liggen. Haar navolgers tonen veel minder interesse voor de historische juistheid van hetgeen ze over China beweren en spreken volledig vanuit het beperkte perspectief van de persoonlijke herinnering.

Littekenliteratuur

Het fenomeen 'Chinese-vrouwenbiografie' roept onder Chinese lezers over het algemeen negatieve reacties op. Een vaak gehoorde klacht is dat iedere Chinees een dergelijk boek zou kunnen schrijven. Het valt niet te ontkennen dat de ervaringen van deze schrijfsters, naar Chinese maatstaven gemeten, niet bijzonder zijn en dat de boeken ook niet bijzonder geschreven zijn. Dit is ongetwijfeld de reden dat geen van deze werken ooit in het Chinees in China gepubliceerd is, terwijl dat in de meeste gevallen ongetwijfeld mogelijk was. Negatief schrijven over campagnes als 'de Grote Sprong Voorwaarts' en de Culturele Revolutie werd door de Communistische Partij al bijna twintig jaar geleden aangemoedigd. Er was zelfs een naam voor: littekenliteratuur. Het genre was erg populair in de late jaren zeventig en vroege jaren tachtig, toen Jung Chang, Lulu Wang, Jaia Sun-Childers en Wang Ping nog in China woonden, en het heeft zijn sporen achtergelaten in het werk van deze schrijfsters.

De littekenliteratuur maakte veelvuldig gebruik van vaststaande formules. De meeste verhalen waren gebaseerd op ware gebeurtenissen, ze kritiseerden specifieke misstanden en individuele leiders maar niet het systeem als geheel, en ze eindigden met een lofzang op het nieuwe regime van Deng Xiaoping. Wilde zwanen draagt veel van deze kenmerken. Jung Changs behandeling van de schaduwkanten van het communistische systeem na 1949 in China legt de nadruk op de corruptie van sommige ambtenaren en contrasteert deze met de integriteit van haar eigen ouders, die ondanks hun leidende rollen op geen enkele wijze medeverantwoordelijk worden gesteld voor de uitwassen van het systeem. Het is een verhaal van goeden en slechten waarin de goeden uiteindelijk winnen. Jung Chang heeft zich in het openbaar nooit negatief uitgelaten over het China van Mao.

Kleine pruim

De scheiding tussen goed en kwaad ligt ook ten grondslag aan Het lelietheater van Lulu Wang en Dochter van de rode zon van Jaia Sun-Childers en Douglas Childers (de laatste naam staat, typerend, aanmerkelijk kleiner op de kaft van het boek gedrukt). In hun pogingen om een simpele boodschap over te brengen op een zo groot mogelijk aantal lezers, doen deze boeken niet zozeer aan de littekenliteratuur denken, maar meer aan de Chinese literatuur van de periode daarvoor. Gedurende de jaren vijftig en een deel van de jaren zestig werden Chinese schrijvers geacht zich qua inhoud te conformeren aan de voorschriften van de Partij, en qua vorm aan de smaak van de 'arbeiders, boeren en soldaten', ook wel aangeduid als 'de massa's'. Naar het voorbeeld van de Sovjet-Unie werd deze doctrine 'socialistisch realisme' genoemd. In socialistisch-realistisch proza wordt een belangrijke plaats ingenomen door 'typische' personages die alle kenmerken van leden van een maatschappelijke klasse bezitten. Een terugkerend thema is de hervorming van de idealistische intellectueel door de praktische proletariër.

Dit thema wordt zowel door Wang als door Sun-Childers omgedraaid. In beide boeken handelt een van de belangrijkste verhaallijnen om het contact tussen de hoofdpersoon, een ijverige, eerlijke, intelligente leerlinge op een eliteschool in Beijing, met een meisje uit de arbeidersklasse (respectievelijk 'Kleine Pruim' bij Sun-Childers en 'Kim' bij Wang). Onder de positieve invloed van de hoofdpersoon worden de arme vriendinnetjes aangezet tot hard studeren, hetgeen tijdelijk tot resultaat leidt, alvorens zij alsnog ten prooi vallen aan wat kennelijk door de schrijfsters als het onontkoombare lot van hun klasse gezien wordt: beide meisjes vervallen tot misdadiger en bendeleider. Kleine Pruim belandt uiteindelijk in het kamp en Kim vindt op dramatische wijze de dood. De beide verhaallijnen zijn dermate gelijksoortig dat de lezer het vermoeden krijgt dat Sun en Wang teruggrijpen op een gezamenlijke inspiratiebron.

Het is merkwaardig dat Sun, Wang en anderen, ondanks hun openlijk beleden liefde voor Westerse literatuur, die als symbool wordt opgevoerd voor de ontsnapping aan ideologische onderdrukking, ervoor gekozen hebben om hun werken te schrijven volgens een stramien dat typerend is voor die ideologie en dat de smaak van de massa tot norm verheft. De meeste schrijfsters geven in hun voorwoorden aan dat ze hun boek geschreven hebben uit een intense behoefte om hun verhaal te vertellen. Er is geen reden om die drijfveer niet te respecteren, maar men kan zich wel afvragen waarom zij dat dan op zo'n populistische manier moesten doen. Naast simpele goed-slecht structuren, die over het algemeen stereotiepe Westerse denkwijzen over China lijken te bevestigen, beschikken de schrijfsters over een ander wapen in hun arsenaal, dat duidelijk maakt dat ze zich hoofdzakelijk op een breed, ongeïnformeerd Westers publiek richten: exotisme. De meest voorkomende variant is het letterlijk vertalen van persoonsnamen, zoals in Dochter van de rode zon, dat wemelt van namen als 'Oom Zee' en 'Grote Oprechtheid', wat in het Nederlands aanzienlijk vreemder klinkt dan in het Chinees. Merkwaardig genoeg wordt deze techniek niet consequent doorgevoerd, aangezien Mao Zedong nergens als Bevochtiger Van Het Oosten ten tonele verschijnt, noch Deng Xiaoping als Kleine Vrede.

Katten en honden

Opvallend is Lulu Wangs gebruik van een cursief lettertype om letterlijk uit het Chinees vertaalde frasen weer te geven, die in het Nederlands erg potsierlijk klinken, maar daardoor juist het 'anders zijn' van Chinese zegswijzen benadrukken. Hoe raar dit eigenlijk is, wordt duidelijk wanneer men zich voorstelt dat een in Nederland wonende Engelstalige hetzelfde zou doen, en een boek zou schrijven waarin zinnen voorkomen als het regent katten en honden of ik ben bang dat we in zijn voor een vlekje slecht weer.

De enige reden waarom Chinese schrijvers en schrijfsters dit kennelijk wel kunnen doen, is dat er tussen hen en hun publiek een consensus bestaat dat China en het Westen heel erg veel van elkaar moeten verschillen. China is 'de Ander': het symboliseert het mysterieuze, marginale en potentieel bedreigende. Het is geruststellend om die Ander in je eigen taal (eventueel met een grappig accent) tegen je te horen praten en de superioriteit van je eigen cultuur te zien bevestigen. Wie het eens is met feministische literatuurtheoretici als Julia Kristeva, die stellen dat binnen ons patriarchale systeem alles wat marginaal is als 'vrouwelijk' beschouwd moet worden, zal zich niet verbazen over het feit dat het juist Chinese vrouwen zijn die met dit genre in de belangstelling staan.

Op basis van stijl, structuur en uitgedragen ideologie moeten we het genre van de Chinese-vrouwenbiografie wellicht aanduiden met de term 'kapitalistisch realisme'. Het kapitalistische aspect komt het duidelijkst naar voren in Adeline Yen Mah's Vallende bladeren, het relaas van een dochter uit een puissant rijke Chinese familie die zich na 1949 in Hong Kong vestigde. Ondanks de lovende woorden van niemand minder dan Jung Chang en Amy Tan op de kaft slaagt Yen Mah er geen moment in om sympathie op te wekken voor de autobiografische hoofdpersoon, die nu eens niet het slachtoffer is van een slecht systeem, maar van een feeksige stiefmoeder en een hardvochtige vader, wier grootste misdaad uiteindelijk blijkt te zijn dat ze dochterlief geen deel van de erfenis nalaten. Hoezeer de auteur ook probeert om zichzelf af te schilderen als een morele heldin, wie het niet om het geld gaat, ze verveelt de lezer voortdurend met materialistische details, zoals in de passage wanneer ze, in Amerika aangekomen, eindelijk beseft dat ze op eigen benen kan staan en dan niets beters weet te doen dan een Mercedes te kopen en in onroerend goed te beleggen.

Alhoewel het exotisme van dit boek afdruipt (zelfs plaatsnamen worden vertaald en Chinese karakters worden, ongetwijfeld om hun rariteitswaarde, in de tekst afgedrukt), is er niets dat erop wijst dat Yen Mah's problemen met haar ouders en haar eerste huwelijk ook maar iets van 'China' of 'Chinees zijn' te maken hebben. Integendeel, het boek leest als een opeenvolging van scènes uit The Bold and the Beautiful en had, zonder exotische elementen zo in de Bouquetreeks gekund.

Sappelen

Het aardigste boek in dit genre dat ik tot nu toe gelezen heb, is Wang Pings Vossengeur, dat aangenaam varieert op bekende thema's. Ten eerste is dit nu eens niet een lange roman, maar een verzameling korte schetsen. Ten tweede wisselt de schrijfster verhalen over China af met verhalen over Amerika. Ze schrijft in een eenvoudige stijl over eenvoudige gebeurtenissen. De hoofdpersoon moet sappelen in Amerika en is voortdurend bezig met het zoeken naar manieren om haar familieleden ook uit China te kunnen laten vertrekken. Alhoewel niet alle verhalen even geslaagd zijn en ook Wang niet vies is van exotisme, is zij veel minder geneigd tot uitleggen en beperkt zij zich tot de handelingen en het zielenleven van haar autobiografische personage.

Wellicht is dit de kant die het genre nu opgaat. Aangezien de historische situatie bij de meeste lezers inmiddels bekend verondersteld mag worden, hoeven termen als 'Rode Garde' en 'Culturele Revolutie' niet meer te worden toegelicht en is er meer ruimte voor sfeertekening en psychologische diepgang. Het valt te verwachten dat een deel van het lezerspubliek in de toekomst kieskeuriger zal worden en dat het genre zich, zoals genres dat meestal doen, zal opsplitsen in commerciële en niet-commerciële, serieuze en vulgaire varianten. Misschien verschijnt er dan nog wel eens een echt literaire behandeling van de thema's angst, geweld en onderdrukking, gesitueerd tegen de achtergrond van het twintigste-eeuwse China.

Er is nog materiaal genoeg.