De onttakeling van de Surinaamse Droom

Cynthia Mc Leod: Tweemaal Mariënburg - Surinaamse historische roman. Conserve, 274 blz. ƒ 39,95 en ƒ 54,95 (geb.) Albert Helman: De Stille Plantage. Surinaamse Klassieken-reeks, deel 3. Conserve, 245 blz. ƒ 34,95

'Literatuur is natievorming' luidde de controversieelste stelling op het congres Schrijverschap 2000, dat afgelopen zomer in Paramaribo werd gehouden. Volgens de voorzitter van de Surinaamse schrijversbond moest literaire fictie bijdragen tot verkleining van de etnische verschillen in zijn land. Want alleen met een gedeelde cultuur kon Suriname vol vertrouwen de volgende eeuw in.

De Surinaams-joodse Cynthia Mc Leod (Paramaribo, 1936) moet een schrijfster zijn naar het hart van deze voorzitter. In haar historische romans spelen de voorouders van alle etnische groepen van Suriname een rol en komen alle lagen van de bevolking aan bod, van Hugenootse planters tot weggelopen negerslaven. Daarbij is Mc Leod met recht een volksschrijfster: drie op de honderd Surinamers kochten haar debuutroman Hoe duur was de suiker? (1987) - en dat is exclusief de verkopen in Nederland, waar het boek in 1995 verscheen.

Met haar derde roman Tweemaal Mariënburg (onlangs in Paramaribo verschenen als Herinneringen aan Mariënburg) verlaat Mc Leod haar geliefde achttiende eeuw. Aan de hand van Jetje Bergen, de dochter van een 'lichtbruine' boekhouder, krijgt de lezer een beeld van de 'erge dingen' die in 1902 plaatsvonden op de Noord-Surinaamse suikerplantage Mariënburg. Barbaarse werkomstandigheden leidden er toen toe dat de Brits-Indische en Javaanse contractarbeiders in opstand kwamen en de directeur in stukken hakten. Te hulp geroepen militairen maaiden vervolgens een groot aantal onschuldigen neer en gooiden ze in een massagraf. De stille kracht van de eerloos begraven arbeiders - paiman (vergelding) in het Sranan - zal de beheerders van de plantage tot ver in de twintigste eeuw achtervolgen. Zelfs wanneer Jetje als volwassen (dokters)vrouw naar Mariënburg terugkeert, maakt ze de verschrikkelijkste dingen mee.

In Paramaribo zei Cynthia Mc Leod vorig jaar dat ze als auteur van 'geromantiseerde geschiedschrijving' niet beoordeeld wil worden naar literaire maatstaven, maar naar historische. Dat is inderdaad maar beter. Historisch gezien is Tweemaal Mariënburg zeer verantwoord: Mc Leod bestudeerde nauwgezet het - door haar broer Leo Ferrier geïnventariseerde - archief van de suikeronderneming, en verwerkte naar eigen zeggen meer 'werkelijke feiten' dan fictie. Maar literair is er aan de roman weinig te beleven. De voor Mc Leod zo kenmerkende Joop-ter-Heulstijl, met veel bakvisgebabbel en vraag- en uitroeptekens, werkt nog hinderlijker dan in Hoe duur was de suiker?, dat bovendien een indrukwekkender verhaal vertelde. Geen cliché wordt geschuwd, geen personage is meer dan een sjabloon, geen spectaculaire gebeurtenis krijgt de kans om rustig te bezinken. Mc Leod holt als een honderdmeterloopster door de geschiedenis.

Het is ironisch dat Mc Leods Mariënburg tegelijkertijd verscheen met de heruitgave van De Stille Plantage, Albert Helmans 66 jaar oude roman over de teloorgang van een zeventiende-eeuwse plantage. Beide Surinaamse schrijvers noemden ooit Couperus als hun grote voorbeeld, maar alleen Helman (pseudoniem voor Lou Lichtveld, 1903-1996) maakt dat enigzins waar. Vanaf de beroemde eerste zin ('Herinneringen zijn als schuwe vogels die fladderen van dak tot dak...') is De Stille Plantage een intrigerend, spookachtig verhaal, gegoten in barokke, archaïserende en ritmische taal. Helmans voornaamste thema's ('was er ooit één mens sterk genoeg tegen het kwaad ... waarom betalen de armen voor de rijken?') zijn dezelfde als die van Mc Leod, maar hij verpakt ze in een roman die niet alleen de geschiedenis recht doet maar ook de literatuur.

In De Stille Plantage volgt Helman - net als Mc Leod in Vaarwel Merodia (1993) - een adellijke Franse Hugenotenfamilie die na de herroeping van het Edict van Nantes in 1685 via Amsterdam naar de kolonie in de West emigreert. De man des huizes, Raoul de Morhang, is een idealist die aan de Surinamerivier een mini-staatje wil stichten waar rijkdom en rechtvaardigheid heersen. Maar hij rekent buiten de koloniale werkelijkheid, 'de dieren en de slaven en het woud dat altijd weer zijn grond terugvraagt.' De met moeite opgebouwde plantage vervalt binnen een mum van tijd als er ziektes onder de gewassen uitbreken en Raoul geen hulp kan vragen bij naburige plantagehouders, omdat zijn ideeën over de humane behandeling van slaven als een groot gevaar worden gezien. De nekslag voor het heilstaatje is de onbeantwoorde liefde van de ruwe plantageopzichter voor Raouls schoonzuster, een geëmancipeerde vrouw die heimelijk verliefd is op de negerslaaf Isidore.

Ook in De Stille Plantage zijn de personages schematisch, iets waarvoor Helman zich overigens in een toegevoegd naschrift (uit 1980) verontschuldigt; in 1952 zou hij als 'gerijpt auteur' De Stille Plantage herschrijven vanuit het perspectief van Raouls schoonzuster, in een poging om 'de mensen minder in zwart-of-wit tot hun recht te doen komen'. De laaiende stilte werd eveneens klassiek, en het was goed geweest als uitgeverij Conserve de 'parallelle boeken' in één band in haar Surinaamse Klassieken-reeks had uitgebracht. Zoals het ook goed was geweest als een corrector het tiental spel- en drukfouten uit de elegant herzette tekst had verwijderd.

'Het is gevaarlijk zo hevig te dromen' concludeert Raouls enige vriend als hij hem verzwakt en gedesillusioneerd uit het oerwoud ziet terugkeren. De Stille Plantage gaat over de onttakeling van de Surinaamse Droom, de plantersfantasie van het paradijs tussen de woudreuzen. Helman is de lyrische chroniqueur van 'de strijd tussen mens en wildernis (die) geen rustpoos kent', een mythmaker die Suriname van aansprekende geschiedenis voorzag. Alleen al daarom zou ook hij de status van volksschrijver verdienen.