Dat gekrakeel in je hoofd!; Leon Gommers' rijke tweede roman

De Limburgse schrijver Leon Gommers vervolgde zijn losjes autobiografische debuut De hondewacht (1995) - “een depressie in taal” - met een luchtiger, maar stilistisch even rijk boek. “Ik kan maandenlang zwijgen. Dan ben ik de hele tijd aan het kijken en dan weet ik precies hoe warm of koud iets is, of hoe iets ruikt of voelt.” Hij is ook kok.

Leon Gommers: Het uurwerk van Floor. Uitg. De Bezige Bij, 200 blz., Prijs: ƒ 36,50

De hoofdpersoon uit de dit najaar verschenen tweede roman van Leon Gommers (Heerlen, 1958) Het uurwerk van Floor is een twaalfjarige Limburgse jongen die Borstelkop wordt genoemd en ook wel Rubberbuik en Puddingbeen. Hij is net zo zwijgzaam als Leike in De hondewacht, Gommers' losjes autobiografische debuut uit 1995, maar in zijn hoofd is het een drukte van belang. Hij voert stille dialogen met zijn alter ego en beschermengel Floor en denkt onophoudelijk na over zichzelf, de mensen om hem heen, de wereld en de tijd, die hij met het uurwerk van Floor, een zelfgemaakt 'klokkenbos' samengesteld uit 53 kermiswekkers, naar zijn eigen hand probeert te zetten. Het uurwerk van Floor is even bedachtzaam als De hondewacht, maar luchtiger van vorm, lichter van stijl, eenvoudiger van structuur en hoopvoller van stemming.

De hondewacht was een rusteloze roman waarin Gommers veel van zijn kunnen etaleerde. Een ongewoon boek, waarin de lezer van alles tegelijk voor de kiezen krijgt: een overvloed aan beelden, formuleringen, episodes, vooruit- en terugblikken, overdadig en fragmentarisch, traag en snel, een ingewikkeld dubbelperspectief. Het is geen eenvoudige roman, maar wie weet door te bijten wordt beloond met adembenemende passages over een stervende moeder, een gewelddadige vader en een dramatische overtocht met een tweemaster, bemand door maar één persoon. De hoofdpersoon Leike, Limburgs voor (kleine) Leon, is gemodelleerd naar de schrijver, maar op een fantasierijke manier, zoals alleen al blijkt uit het feit dat hij op 34-jarige leeftijd aan zijn einde komt, terwijl Leon Gommers op zijn 39ste nog springlevend is.

Wat in beide romans opvalt, is het plezier in taal, de belustheid op mooie, bijzondere, of aan het Limburgs dialect ontleende woorden, de voorkeur voor allitererende of anderszins dichterlijke formuleringen. Zie bijvoorbeeld deze regels over een halfdronken man die verwikkeld is in een stil, maar angstaanjagend gevecht met een caféganger om een biljartkeu: 'Hij legt zijn grauwtong even over de lippen bruin van de wijndroesem, en dan slikt hij meteen die hopeloze homp zwijgvlees weer in.'

Uw boeken vertellen niet gewoon een verhaal, maar lijken eerder een soort veroveringen op de chaos, door de nadruk op stijl, structuur, vorm en taal.

“Ik doe mijn verhaal met behulp van een kapotte caleidoscoop die nog net de contouren laat zien van hoe de steentjes lagen. Er is veel wegdwalen, concentratieverlies, wegdromen en verstillen. Mijn grootste zorg is de symmetrie. Ik wil er een organisch geheel van maken waarin de nerven te zien zijn. De bladspiegel, de lengte van de zinnen en de lettergrootte bepaal ik zelf. Ik werk met wat ik een prozaïsch enjambement noem: het ritme in de tekst. Het wit is ook belangrijk, de ruimte tussen de woorden. Vooral in De hondewacht is de vorm oppermachtig. Het boek is traag, inert, met een geschifte syntaxis. Zo wou ik toen schrijven. Ik sta er nog steeds achter, maar ik snap wel waarom het niet zo goed loopt.”

Te moeilijk?

“De mensen zijn na vijftien bladzijden gewoon bekaf. Het is eigenlijk een in taal omgezette depressie en dat wordt ervaren als bedreigend. Het is een letterlijke weergave van mijn eigen geest, van de moeite die ik met de dingen heb. Bij Het uurwerk van Floor heb ik het mijzelf iets gemakkelijker gemaakt door een voorbije, meer afgesloten episode uit hetzelfde jongensleven te nemen.

Mijn boeken hebben veel met mijzelf te maken. Alles is gelogen, maar alles is waar. Ik heb nooit een engelachtig alter ego gehad dat Floor heet. Ook heb ik, tot mijn spijt overigens, nooit bij mijn oom Broer in de zijspan van zijn scooter gezeten. Mijn neefje wel, dat was zijn lievelingsneef. Ik zit er nu over te denken om nog een derde boek te schrijven over diezelfde jongen, waarschijnlijk wel weer met een dubbelperspectief. Een Brabantboek deze keer, De woelgeest boven Wessem, waarvan een paar maanden geleden al een stukje in De Gids heeft gestaan.''

U bent behalve schrijver ook zeeman en kok, zo staat achterop uw boeken.

“Dat zeemanschap is verleden tijd. Ik deed dat als parttimer, de laatste jaren op een zeilschip, een tweemaster, waarmee cruises gemaakt werden. Het ging van Polen tot aan Zuid-Frankrijk en alles wat daar tussen zit en dan gingen we een beetje spelevaren. Aan boord was ik kok. Ik stond aan de galeien, zoals dat heet, beneden in het schip, waar iedereen altijd zeeziek wordt, zelfs de kapitein. Daar moest ik drie keer per dag, braakneigingen onderdrukkend, een complete maaltijd verzorgen. Het was vermoeiend, maar leuk werk. Het leven aan boord is intiem en zeer hevig. Ik schreef in die tijd al verhalen, maar het kostte me teveel moeite om steeds weer om te schakelen, zodat ik op zeker moment besloot te kiezen voor het schrijven. Mijn vriendin is kostwinner. Tussendoor ben ik nog af en toe kok. Ik heb in politiek-cultureel centrum O42 in Nijmegen een aantal literaire diners gegeven.”

Wat zijn dat?

“Voor het Campert-diner heb ik bijvoorbeeld het werk van Campert gelezen, er een extract van gemaakt en het omgezet in een maaltijd. Zo heb ik ook maaltijden gemaakt op het werk van Marjan Berk, Gerrit Kouwenaar, Jeroen Brouwers, Lucebert en W.F. Hermans. Bij Campert, een melancholicus, heb ik lever gebruikt. Kouwenaar was natuurlijk een makkie, want zijn werk is een en al eten. Voor Brouwers heb ik een Brouwerspastei gemaakt, met creoolse ingrediënten.

Voor Hermans had ik een duivels diner bereid, een gevogeltepot, een soort middeleeuws gerecht. Het was een lappendeken van dode vogels: kip, duivenborst, parelhoen, haan en kwartel. Hermans was er zelf bij, drie maanden voor zijn dood. Hij was geweldig. Toen ik mijn voordracht had gehouden, een verhaal over de duivel die op het eiland Granada kleine meisjes observeerde, applaudiseerde hij met zijn vuistjes alsof hij bokkepootjes had.''

Wat wordt er eigenlijk van een schrijver verwacht als hij aanwezig is bij zo'n diner?

“Je vraagt aan iemand als Kouwenaar natuurlijk niet om de horlepiep te dansen, maar wel om voor te lezen uit eigen werk. Het moet goed verzorgd zijn allemaal, het eten en drinken zelf en de financiën, want de schrijvers hoeven het niet voor niets te doen. Het moet allemaal een beetje lustvol zijn, een tussenvorm tussen gewoon dineren en voorlezen. Nuttig is het niet, dat hoeft voor mij ook niet, maar het is wel maatschappelijk. Ik kook de laatste tijd iets minder vaak voor publiek, omdat ik niet als schrijvende kok bekend wil worden, maar als een schrijver die ook wel eens kookt.”

Maar u wilt het wel gezegd hebben dat u kok bent. “Dat wilde de uitgeverij graag, omdat zoiets het meestal goed doet. Bij het derde of vierde boek mag het van mij wel achterwege blijven, al zal ik zeker blijven koken. Ik ben momenteel boeken aan het lezen over cynisme omdat ik merk dat ik in de oorspronkelijke zin van het woord cynisch ben, honds dus. Ik geloof meer in de stofwisseling dan in de eeuwigheid. Daar hoort koken bij. Dat doe je met je handen, dat is hakken en snijden, wortelen uit de grond rukken en dieren uit elkaar plukken. Ik vind het een lustvolle bezigheid. Ik verzet er mijn geest mee. Dat gekrakeel in je hoofd als je aan het schrijven bent! Sinds ik weet dat ik 's morgens moet schrijven en 's middags moet koken, gaat het veel beter met me. Eens in de twee weken, een piepklein bijbaantje, komen er mensen aan de deur die een diner meenemen dat ik hier heb klaargemaakt. Meestal vegetarisch.”

Bent u zelf vegetariër?“Nee, helemaal niet. Ik ben dol op vlees. Een plant kun je ook mishandelen. Waarom zou je dan het konijn niet slachten?

Ik heb een schrijfproject in mijn hoofd dat De wreedheden van de kok zal heten. Het wordt een postmoderne reeks waarin ruimte is voor poëzie, essayistiek en verhalen. In het eerste boek voer ik een middeleeuwse kok op die het ideale recept heeft bedacht en die ongeveer 600 jaar oud zal worden. Ik ben het wel eens met Joyce die zei: God schiep het eten en de duivel schiep de koks. Het is een duivels fenomeen. De keuken is het zweethok, er is vuur, er wordt geslacht, er wordt verstorven en geadeld. Het heeft met de lage lusten te maken, zeker binnen het huidige denken.

Van recepten leer je overigens niets over koken, wel van wat een ervaren kok je kan vertellen over hakken en snijden, hoe lang iets moet staan, hoe je onder druk moet werken, de volgorde van de dingen, hoe vers of juist niet vers de dingen moeten zijn. Zelf gooi ik bijvoorbeeld niks meer weg. Zo heb ik marmites leren maken. Pannen die twee dagen opstaan met eierschalen erin, uienschillen, en daar trek je dan bouillon van, met gerookte zwoerdstukken erin. Dan koop je een paar kalfsknoppen zoals dat heet en die leg je een uur in de oven op 250 graden totdat ze zwart zijn en die flikker je dan ook in die pan en dan krijgt je iets waarvan niemand weet wat het is, maar het is wel fantastisch lekker. 't Is allemaal alchemie.''

U bent niet erg jong gedebuteerd. Een late roeping?“De literatuur is mij bepaald niet met de paplepel ingegoten. Het is waar wat er in De hondewacht staat: dat mijn vader, een standvastige militaire politieman, maar één boek las: het Wetboek van Strafrecht. Verder mocht je als katholiek jongetje niet veel lezen. Bomans en Carmiggelt, dat is mijn voedingsbodem. Op mijn lagere school las je van de eerste tot de zesde klas alleen maar van die katholieke klotenverhalen over verstervende heiligen. Na zes jaar dat soort verhalen dringt het maar moeizaam tot je door dat je een andere, vrije wereld in kunt stappen, een met zelfbeschikking, laat staan eentje zonder God. Dat was een grote schrik. Ik was op mijn zestiende nóg zwaar verontwaardigd dat God niet bestond.

Na de middelbare school ging iedereen in mijn omgeving naar de sociale academie en zelf ben ik daar na een paar jaar werken ook terechtgekomen. Ik kreeg mijn diploma als opbouwwerker en daarna meteen een bijstandsuitkering, wat ik heel belangrijk vond. Het waren tenslotte de jaren tachtig. Daarna ging ik kraken, proletarisch winkelen als het nodig was en zwarte muziek draaien.Mijn volgende boek gaat waarschijnlijk ook over die krakersgeneratie, die heel radicaal was, maar weinig tot stand heeft gebracht, omdat ze niet genoeg haar best heeft gedaan.

Op mijn 24ste besloot ik te gaan schrijven en ben ik op aanraden van de dichter Victor Vroomkoning in Nijmegen gaan wonen, waar je een literair café had. Daar ben ik eerst een jaar gaan studeren omdat mijn uitdrukkingsvaardigheid te wensen overliet. Ik heb mijn eigen opleiding zo'n beetje verzorgd. Ik heb een stuk of twintig essaybundels gelezen, van Vestdijk tot Mieke Bal en ben daarnaast veel Nederlandse literatuur gaan lezen.''

Hebt u voorkeuren?

“H.H. ter Balkt en Tonnus Oosterhoff zijn favorieten, maar verder neig ik vooral naar zuidelijke auteurs, zoals Stefan Hertmans, Peter Verhelst, Eriek Verpale en Leo Pleysier. Maar de belangrijkste, zes jaar lang, is Jeroen Brouwers geweest, ook een soort zuiderling tenslotte, een Nederlandse Belg of op z'n minst een Limburgse pater of mislukte jezuïet. Hij heeft mij als stilist een flink aantal sjablonen bezorgd, net als Nabokov trouwens en Marquez.”

Van uw hoofdpersonen wordt steeds gezegd dat ze zo zwijgzaam zijn, maar u bent zelf nogal spraakzaam.

“Ik heb een vrij hoog tempo van denken en praten, maar ik kan ook maandenlang zwijgen. Dan ben ik de hele tijd aan het kijken en dan weet ik precies hoe warm of koud iets is, of hoe iets ruikt of voelt. Hoe ouder ik word, hoe meer dat zo is. Ik voel elke zonnestraal, bij wijze van spreken, elk briesje. Dat heeft met lust te maken. Erg nuttig zal dat wel niet zijn. Als iemand mij vraagt wat mijn nut is, dan zeg ik: ik heb geen nut. Maar het is wel fijn allemaal. Ik vind het uitermate pijnlijk dat het leven een keer ophoudt.”

U bent niet cynisch genoeg om dat niet erg te vinden?

“Met cynisch bedoel ik dat ik vandaag of morgen mijn eigen winterpeentje word. Dan verlies ik mijn groene stronk en dan ga ik de hutspot in. Maar ik ben gewoon een mens met gevoelens die ik niet mag ontkennen en ik vind het dus erg jammer om als winterpeentje te eindigen. Het is niet leuk om dood te gaan.”

Relativeert het einde het leven zo niet erg? De zin ervan, bedoel ik?

“Nee, ik zal het gewoon missen. Ik weet wat depressief zijn is, ik ben het jaren geweest, maar dat heeft niets te maken met de zin van het leven. Dat heeft eerder te maken met hoe er in het algemeen geleefd wordt. Ik vind dat er een waanzinnige molen in stand wordt gehouden waarin men zich met veel flauwekul bezig houdt. Tien, veertien uur per dag werken, in de file staan, zich over de kop werken, veel geld verdienen, geen rekening houden met anderen. Ik kies ervoor om maar vijf uur per dag te werken, maar ik besef dat ik daarmee in een vreemde wereld leef. Zingeving is er genoeg, in kerken en musea, maar zin om te leven, dat zie je bijna nergens. Daar word ik ontzettend triest van. Ik hou van mystieke, spirituele dingen. Dat heeft met levenszin te maken. Je moet je leven zo inrichten dat je daar tijd en ruimte voor hebt.”

Is zin alleen lust of ook betekenis?

“Betekenis geven is niet zo belangrijk. Het gaat om levenslust. Je moet gewoon af en toe een paar dagen op je rug gaan liggen. Ik zoek zelf wel naar betekenissen, maar vraag mij niet om betekenis te geven voor iemand anders. Ik ben geen pastoor, geen media-man, geen zingever. Ik onderga het allemaal en ik zou het leuk vinden als meer mensen zo waren. Dan kun je werkelijk balen van een wratje op je teen. Veel mensen die met pensioen gaan, krijgen enorme klachten, maar waarom? Ze hebben alleen maar die molen in stand gehouden waarin er steeds weer nieuwe mensen worden afgejakkerd. En iedereen wil kinderen. Ik hou van kinderen, maar er zijn er zat, dus laat er maar een paar achterwege blijven. Het leven moet niet vol zitten, niet vol betekenis, niet vol activiteiten, niet vol werk, niet vol. Ik kan erg verdrietig worden als ik bedenk dat ik halverwege ben, of al ben geweest waarschijnlijk. Ik verzet me daar ook erg tegen. Van Montaigne is dacht ik de uitspraak dat leven is leren doodgaan, maar ik hou mij liever aan de gedachte dat we eerst maar eens moeten leren leven. Niet jakkeren.”

Is de dood niet leerzaam?

“De dood van mijn moeder is erg leerzaam voor me geweest. Dat heeft in één klap dat puberale gejengel uit mij weggenomen. Mijn moeder was 54 toen ze stierf. Ze zag er nog jong en vief uit, maar ze was binnen vijf weken gesloopt. Die vijf weken waren een helse kermis, ik kon niet weg en ik heb amper geslapen. Drie jaar na haar overlijden heb ik haar ziekbed beschreven en, getransponeerd naar een andere tijd, ondergebracht in De hondewacht. Als je de geur van rotting, van ontbinding ruikt, dan lossen er een hoop dingen in je kop op, dat loutert enorm. Het klinkt misschien raar, maar ik heb het zo ervaren dat een moeder zo ongeveer alles voor je doet. Die is zelfs doodgegaan om het zuur uit mijn kop te halen. Dank u moeder. Ik ben een ontzettend goedkope jongen, maar in dat Brabantboek ga ik mijn vader begraven. Hij is nog niet dood, maar ik ga hem in een brief alvast waarschuwen.”