Curieuze uitzondering

Omdat Nederland naar verhouding veel energie-intensieve industrie bezit (petrochemie en raffinaderijen, hoogovens en aluminiumsmelters) heeft Nederland in Europees overleg een geringere CO2-inspanning bedongen dan gemiddeld aan de Europese staten wordt opgelegd. Hoe redelijk dat mag lijken, het gaat voorbij aan een bijzondere meevaller die Nederland uit louter praktische overwegingen in de schoot geworpen kreeg: de brandstof die zeeschepen in Rotterdam en vliegtuigen op Schiphol aan boord nemen, en later verbranden, wordt niet meegeteld voor de CO2-emissie van Nederland (of enig ander land).

Dit jaar is voor het eerst van dit bizarre gegeven melding gemaakt in de vierde milieuverkenning van het RIVM. Ook geïmporteerde elektriciteit (in 1995 importeerde Nederland 16 procent van zijn elektriciteitsbehoefte) wordt alleen meegeteld in het land waar de stroom wordt opgewekt. Zo bleef in 1995 in totaal ruim 50 megaton CO2 buiten de Nederlandse CO2-balans, meer dan een kwart van de nationale uitstoot.

Dat de twee 'mainports' grotendeels buiten de nationale emissieberekeningen blijven is voor de te leveren CO2-inspanning van geweldige betekenis: de CO-emissie van de luchtvaart zal naar verwachting in 2020 ruwweg 2 tot 3 maal zo hog zijn als in 1995.