'Brel' verdrinkt in slappe soep

Voorstelling: Brel Blues, van André Ernotte en Elliot Tiber, door het Koninklijk Ballet van Vlaanderen. Spelers: Jo Lemaire, Philippe Robrecht en Erik Wouters. Musici: Marc de Boeck, Lené te Voortwis en Norman Bonink. Decor: Jens Hager. Regie: André Ernotte. Gezien: 1/1, Stadsschouwburg, Utrecht. Tournee t/m 30/3. Inl.: (010) 5923155.

Waar het in Brel Blues niet over gaat, is snel verteld: het gaat niet over het leven van Jacques Brel. Waar het wel over gaat, is echter minder makkelijk vast te stellen. Ik heb negentien Brel-nummers gehoord, dat weet ik zeker, en ik heb drie spelers gezien die deden alsof ze drie personages waren die als drijfhout in een half-vergaan hotel aan de Noordzeekust belandden. Ze trokken elkaar aan en stootten elkaar af, en de chansons vertolkten hun gevoelens op die momenten - zoiets moet het zijn.

In een nogal overdadig decor dolen die drie een avond lang rond. Wie ze zijn, is niet duidelijk en eerlijk gezegd niet erg interessant, want ze spreken een gekunstelde, literatuurderige taal ('mijn wonden zullen sprankelen') die doet vermoeden dat ze geen individuen zijn, maar prototypes. Ook het programmaboek spreekt immers in die termen: een kluizenaar, een dromer en een strijder. Waar ze het precies over hebben, blijft in het vage. De emoties laaien hoog op, maar komen meestal uit de lucht vallen en zijn na ieder lied weer voorbij - waarna er opnieuw een onverklaarbare opwinding ontstaat, op weg naar het volgende nummer. Vaak valt ook het woord 'pijn', zó vaak dat het een machteloos trefwoord zonder inhoud wordt.

Mij klonk het allemaal als onbedaarlijke rimram in de oren, die bovendien volstrekt strijdig is met de precisie waarmee Brel zijn teksten schreef. Ondanks de veelzijdige begeleiding verliezen zijn nummers in deze omgeving dan ook veel van hun eigen kleur. Ze gaan op in een slap soepje van symboliek, therapie-taal en new age-zweverij. Daarbij kunnen de nieuwe vertalingen van Allard Blom lang niet altijd de vergelijking doorstaan met de bestaande van Ernst van Altena; ze zijn meestal letterlijker en daardoor vaak minder begrijpelijk. 'Zonen van God, zonen van slijk / zo een verschil en toch gelijk,' klinkt meer naar geknutsel dan het soepele, maar minder letterlijke Kinderen van Van Altena.

De regie van André Ernotte sluit aan bij de bombast in het script, waarvan hij co-auteur is. Wat blijkbaar teer en breekbaar is bedoeld, wordt overschreeuwd. Wat het meest gebaat zou zijn met intimiteit, wordt uitgespeeld met het pathos van de hedendaagse mega-musical. De drie uitvoerders is een geëxalteerde speel- en zangstijl opgedragen, die mij voornamelijk verveelde - en die ook nogal schril afsteekt tegen de herinnering aan Brel als zanger.

Een uitzondering vormt Jo Lemaire, die doorgaans in België optreedt met eigen Franstalig repertoire en zich in haar debuut bij het Koninklijk Ballet van Vlaanderen een intrigerend chansonnière toont met expressie tot in haar vingertoppen. Hoewel ook zij gevangen is in het pretentieuze concept, zou ik haar nog wel eens een avond lang Brel willen horen zingen - gewoon achter een microfoon, zonder meer, op klein formaat, en los van alle lege woorden die er hier omheen verzonnen zijn.