Bah! Weerzinwekkend! Foei! Horreur!

William Ian Miller: The Anatomy of Disgust. Harvard University Press, 320 blz. ƒ 61,55

Elke bibliotheek kent een plank waarop boeken die men liever niet opslaat, werken die de periferie van het menselijk bestaan verbeelden, vol uitwassen en uitersten die men gewoonlijk met 'onmenselijk' aanduidt. In mijn boekenkast staat er maar één werk op die plank: de Duitse vertaling van Roland Villeneuves Le Musée des Supplices (1968), een rijk geïllustreerde studie over de sadistische, pathologische, maatschappelijke, politieke en religieuze achtergronden van lijfstraffen en executies. Een openbaring voor de lezer met een sterke maag, een bezoeking voor de evenwichtige peristaltiek tegelijk. Veel van Villeneuves voorbeelden in beeld of geschrifte stoten af, doen afgrijzen, wekken weerzin, maken misselijk. Walgelijk in één woord. Ik denk dat Villeneuve zelf ook moeite had met sommige afbeeldingen, anders kan ik sommige cynische onderschriften niet verklaren. Zo zette hij bij een afbeelding van drie Macedonische revolutionairen in uniform achter een tafeltje, gedekt met drie slachtoffershoofden: 'Ein hübsches Jagdbild'. Er zijn erger plaatjes in Villeneuves Musée, ik krijg het niet over mijn hart ze te beschrijven. Martelingen, executies, ovens. Te walgelijk voor woorden.

Walging. Laten we onschuldig beginnen.

Spruitjes. Slechts de gedachte aan die groente deed me vroeger kokhalzen. Mijn lieve moeder had niet geleerd dat je ze niet moet koken tot ze zich met een lepel eenvoudig laten prakken, in en in bitter. Al dente blijken ze een genot, tegenwoordig eet ik ze vaak.

Duinen. Kan ik zeggen dat ik na twaalf kinderjaren verplichte zomerverveling aan de Noordzeekust van duinlandschap walg? Ik weet het niet, maar mijd de duinen als de pest.

Haar. In één van de erotische schelmenverhalen van Guillaume Apollinaire bedrijft de hoofdpersoon de liefde met een onbestorven weduwe, wier leden rijk zijn behaard. Onbegroeid had hij haar ook schelmachtig bemind, maar al die haartjes prikkelen hem extra. Ik heb eens met een buitenlandse vrouw geslapen met haren op haar borsten. Ik keek er van op, Apollinaires erotica kende ik nog niet. Extra stimulus afwezig, maar ik had er geen moeite mee. Vrienden die ik het later thuis vertelde gruwden bij de gedachte.

'Een begroeide vrouw... Walgelijk!'

Voor wie nu zegt dat ik andere vrienden moet zoeken: haar en walging hebben een gecompliceerde verhouding. Laten we zeggen dat we in een restaurant een bord tomatensoep bestellen. In de eerste lepelvol drijft een lange, zwarte haar. We roepen 'Ober, er zit een haar in de soep!'

'Ogenblikje meneer,' zegt de ober. 'Ik zal U de herkomst tonen.'

Per kerende gang komt hij terug met een ravenzwarte, welriekende schoonheid in keukenkostuum.

'Mag ik U voorstellen. De kok, meneer...'

Doen we dan nog moeilijk over die ene haar? Ik niet.

Dat neemt niet weg dat haar in de mond niet lekker is.

Men walgt er al snel van.

Het begrip 'walging' bestrijkt een breed scala aan gevoelsindrukken. Men kan van een geur walgen, van een aanblik, walging kan via het tastzintuig ontstaan (wie houdt graag een kikker of paling vast?), of neem een hap haar en kauw dat maar eens lekker op. Roept het gehoor ook gevoelens van walging op? Ik kon het me eerst niet voorstellen, maar als ik me tijdens de lezing van Sades De 120 Dagen van Sodom de geluiden bij de beschreven martelingen inbeeld, gruw ik onwillekeurig. En het onbewogen aanhoren van een rochelende oude man of een stervende in zijn laatste reutels is niet ieder mens gegeven.

Walging via de poort der vijf zintuigen binnengemarcheerd. Recent onderzoek heeft wetenschappers op het spoor gebracht van een zesde zintuig, net als de reuk in de neus gesitueerd. Het zou een rol spelen in de intermenselijke, seksuele aantrekkingskracht. Ik twijfel er geen moment aan dat het ook walging kan bewerkstelligen.

Spruitjes, duinen, kokkinnenhaar, begroeide liefde, 120 dagen vol auditieve aanslagen: vijf voorbeelden om aan te tonen dat walging nog niet zo eenvoudig te omschrijven valt. Walging kan van mens tot mens verschillen, walging lijkt evenmin een vast gegeven.

De geur van excrementen staat velen tegen. Maar 'suus cuique crepitus bene olet' ('de eigen drol is welriekend') schreef Erasmus. Hij heeft gelijk: de mens kijkt tevreden achterom na een geslaagde stoelgang en snuift van voldoening. Slechts weinig ouders ook walgen bij de gevulde luierlucht van het eigen kind. Zodra men echter de broek van andermans zuigeling moet verwisselen, staat men te kokhalzen aan de commode.

Men kan over walging heengroeien. Ik kon immers niet meer zeggen dat ik van de Noordzeekust walg, ik eet tegenwoordig wat ik vroeger weerzinwekkend vond. En wat betreft de vele afschuwelijke beschrijvingen in De 120 dagen van Sodom:sinds ik in Roland Barthes' monumentale Sade-essays las dat we het werk van de Markies vooral als taalexperiment moeten beschouwen, zijn alle walgelijke passages meteen een stuk minder walgelijk.

Daarmee komen we op een belangrijk aspect: afstand. Terugredenerend denk ik dat Barthes mij voldoende afstand heeft geboden om Sades werk zelfs te genieten. Het is maar taal, een voorstelling met taferelen waarin ik mijzelf niet vind. Wie walgt, heeft die afstand niet. Walging kleeft aan, besmeurt. Hoezeer het ook om ver verwijderde scènes gaat, in tijden die niet de onze zijn, op plaatsen waar wij nooit zullen komen, we voelen ons vies, aangetast in onze geestelijke integriteit, in onze lichamelijke heelheid. Sade biedt zelf trouwens een middel om de afstand te bewaren: humor. Daarom is, zelfs na herhaalde lezing van Sades 120 Dagen, Pasolini's humorloze filmversie van hetzelfde boek ronduit schokkend. De eerste keer ben ik halverwege de bioscoop uitgelopen. Onlangs echter zond de VPRO dezelfde rolprent uit, ik heb hem zonder fysiek protest uitgekeken. Wat tot twee conclusies leidt: - Men kan over walging heengroeien. - Walging heeft altijd fysieke implicaties. Wat wel nooit zal wennen zijn foto's waarop wordt gemarteld, of afbeeldingen van mensen die hun gruwelijke laatste minuten direct laten raden. Zo vond ik in het onbarmhartig volledige Bilderlexicon (1930), uitgegeven door het Weense Institut für Sexualforschung, een foto van een wijdbeense, dode vrouw te velde met een paraplu diep in haar geslacht gestoken. Huiveringwekkend, walgelijk, haar beeld laat mij niet los.

Taal kan veel verraden. Wie in een betogend stuk, een vertaling of een samenvatting een kromme of onbegrijpelijke zin tegenkomt, kan er bijna zeker van zijn dat de auteur in het duister heeft getast. En hoe ingewikkeld een precieze omschrijving is van het gevoel dat we walging noemen, blijkt uit de hoeveelheid woorden die tegen 'walging' aanschurken of 'walging' overlappen. Dr. L. Brouwers onvolprezen synoniemenwoordenboek Het juiste woord (1928) noemt hatelijk, weerzinwekkend, afschuwwekkend, misselijkmakend, terugstotend, afstotelijk, gruwelijk, griezelig, ijselijk, detestabel, repugnant, horribel en degoutant.

We hebben maar liefst vier woorden uit Frankrijk laten overkomen om ons gevoel van walging uit te drukken. Maar doen ze dat ook, werkelijk? Kunnen we zeggen dat al die woorden op de keper beschouwd voor hetzelfde staan? En zoniet: wat is dan het precieze verschil?

Die vragen staan centraal in William Ian Millers The Anatomy of Disgust: welk woord spreken we uit wanneer wij walgen? Zijn talent voor beschouwingen over de gecompliceerde verhouding tussen gevoel en taal liet Miller eerder zien in zijn indrukwekkende essaybundel over eer, sociaal ongemak en geweld Humiliation (1993).

The Anatomy of Disgust is een gelukkig product van het gelukkige, post-Freudiaanse tijdperk waarin wij verkeren. De geraffineerd literair vormgegeven,verkokerde visies op het zielenleven van de Weense dokter hebben ons al te lang doen dwalen door de miasmatiek van het onderbewuste, de walmomgeving van Freuds eigen seksuele remmingen. Decennia lang hebben we niet over geest en lichaam mogen spreken zonder Freuds gepachte waarheden, een leer die nagebleven Freudianen steeds dialectischer, als ware kerkvaders, proberen te bewaren.

Van Freudiaanse vernauwing is bij Miller geen spoor. Hij kijkt niet door de pince-nez van het eigen Ich, zijn blik is oneindig veel breder. In The Anatomy of Disgust zwerft hij in een grensgebied vol drijfzand, moerassen, labyrintische slingerpaadjes en brede dwaalwegen die naar nergens lijken te leiden. Als een ware Virgilius wijst hij op plantengroei, struikgewas en geboomte. Als een ware Linnaeus geeft hij alle sprietjes en bloemetjes een naam en er zit bepaald systeem in.

Als men heel langzaam meewandelt met deze explicateur, voetje voor voetje, wordt men heel wat wijzer. Onwillekeurig sluit men desondanks nu en dan de ogen en doemt onmiddellijk ongeordend hakhout op. Een oerwoud bijna, waarin de verschillende, verbale specimina voor Nederlandse taalgebruikers moeilijk zijn in te voelen.

Wie in Miller begint waant zich op een feestje van een woordenfamilie. Iedereen is er. Gastheer Disgust heeft zijn broer Repulsing uitgenodigd, samen met diens echtgenote Nausea. Neef Contempt is van de partij (altijd ongetrouwd gebleven), hij heeft zich op een stoel naast zwager Distaste neergelaten.

Daar staat nicht Repell met kroost op de stoep, de kleine Abhorr en haar broertje Revolt.

'Gaan jullie maar bij Obnoxious en Loathsome zitten,' zegt Distaste.

Invidious is er ook, druk in gesprek met Repugnant. Iedereen praat trouwens. De hele kamer is vol gesmoezel, kreetjes, nu en dan een gil. We herkennen de gezichten van Hateful, Detestable, Odious heeft niet verstek laten gaan, Scurvy mist geen partij, Horror, Dismay, Abominatio, Despise, Scorn... En zoals het altijd gaat bij familie, echt dol zijn ze niet op elkaar: de bloedbanden knellen, iedereen is bang in gelijkenissen het eigen individu te verliezen.

Zo ongeveer is de uitgangspositie van William Ian Miller. Stuk voor stuk zet hij vervolgens de familieleden naast elkaar, vergelijkt kleding, haarinplant, topografie van moedervlekken en toont ons de verschillen. Ook vertelt hij ons in welke huizen broers, neven en nichten wonen, of ze van tuinieren houden, de kleur van hun behang, of ze op een bankstel van leer of corduroy zitten, of ze graag naar The Bold and the Beautiful kijken of liever naar Netwerk. Wat ze drinken, schoenmaat, automerk.

Nauwkeurig, heel nauwkeurig, deze anatoom. Alles wat hij van anderen leende wordt gewetensvol geannoteerd, aan zijn enorme literatuurlijst achterin valt zorgvuldige voorbereiding en eruditie af te lezen. Belangrijke bron van inspiratie is de belletrie. Miller koos als motto Shakespeares woordenwisseling uit King Lear: Gloucester: O, let me kiss this hand! Lear: Let me wipe it first, it smells of mortality.

Dat doet smaken naar meer. En alleen al wat Shakespeare betreft geeft Miller meer. Zonder omschreven begrip van walging is diens werk niet te begrijpen, zegt hij, en hij refereert bijvoorbeeld aan het brouwsel van de drie heksen in Macbeth, een soep die geen restauranthouder op tafel zou durven zetten. Zeer sympathiek is ook Millers belezenheid in de IJslandse sagenwereld, een omgeving waarin weinigen zich thuis weten, maar waaraan Miller nuttige opvattingen ontleent in verband met binnenshuis braken en ongemakkelijk gevoeg. Even loshandig beweegt deze walgingsanatoom zich in de mythologie van de Heilig Roomse kerk, als hij beschrijft hoe de veertiende-eeuwse H. Catharina van Siena een beker pus drinkt als ware het melk, of hoe in het verhaal van de elfde-eeuwse H. Anselmus een adellijke lepralijder zijn walging overwint door een gedroomde, Goddelijke instructie te volgen en het water te drinken waarin de Heilige zijn vieze handen had gewassen. Enkele hoofdstukken later weer blijkt Miller uiterst goed ingevoerd in het werk van George Orwell, die vooral via het reukorgaan werd geteisterd door smetvrees.

Opvallend is wel dat tussen andere namen van Swift, Rabelais, Johnson, Sterne, Milton, Montaigne, Hazlitt, T.S. Eliot, Baudelaire en Aquino die van Sade ontbreekt, de eerste auteur waaraan ik 'walging' zou vastknopen. Sades afwezigheid in The Anatomy of Disgust neem ik de auteur even kwalijk als de haar in de soep, bereid door een beeldschone keukenprinses.

In The Anatomy of Disgust van William Ian Miller ben ik niet verder gekomen dan bladzijde vijfenzestig. Velen zullen deze bekentenis houden voor een walgingwekkend staaltje hoogmoed, misschien voor een aperte leugen - geen boekbespreker haalt zoiets in zijn hoofd. Nemen we desondanks aan dat het de waarheid is. Waarom kwam ik niet verder in Millers boek?

Probeer zo'n anatomische uitleg maar eens te lezen in de omzichtige, minutieuze, tastende, Engelse taal van een schrijver als William Ian Miller: na vijfenzestig bladzijden doorbijten zijn je tanden bot en gaat het gebodene tegenstaan.

Mijn generatie is opgegroeid in de tijd dat in Ouders van nu werd geadviseerd een kind, dat zegt een gerecht niet te lusten, net zo lang te laten dooreten tot het het verrukkellijk vindt. Die tijd is voorbij, geloof ik. Wat The Anatomy of Disgust betreft gaat desondanks op dat dooreten zin heeft. Hoe lang ook de tanden, hoezeer ook zin en betekenis van Millers omzwervingen pas na gedurig herkauwen tot de lezer doordringen, we hebben hier te maken met een waarlijke essayistische ('pogende', 'tastende') tekst die de 'walging' voorzichtig op de snijtafel legt, omzichtig het mes zet, uiterst nauwkeurig de onderdelen uit het corpus opdiept en ze tegen het licht houdt. Vermoeiende arbeid, vermoeiend om te zien, maar erg leerzaam.

De titel van Millers boek is ontleend aan een van de meest uitputtende, meest briljante werken die ooit zijn verschenen in de sfeer van het menselijke: Robert Burtons The Anatomy of Melancholy (1624). Op het gevaar af mij te veel tegen Freud af te zetten - als fictieschrijver acht ik hem zeer - noem ik zowel Burtons als Millers anatomie werk dat pre-freudiaanse verworvenheden ademt. Ingewikkelde dingen worden ingewikkeld voorgesteld, en niet gestroomlijnd tot sprookjes waarin alles heel eenvoudig steeds weer op hetzelfde neerkomt. Dergelijke anatomieën zijn voor lezers die met hun lange, botte tanden toch blijven doorbijten. Maar in tegenstelling tot de pedagogie van mijn jeugd, hoeft de ronduit walgelijke precisie van zowel Burton als Miller, niet ineens te worden geconsumeerd. Eén haar in de tomatensoep okee, een hap haar werkt de mens niet weg. Zodat het standaardwerk van Miller - want dat is het - terecht is gekomen op dat ene, bijna lege plankje in mijn bibliotheek, naast Villeneuves Le Musée des Supplices. Mijn exemplaar van Burton heb ik er meteen naast gezet.

Wie denkt in een melancholische bui nooit na over alles waar (in het algemeen, of particulier) de mens van walgt? Soms steekt men de hand in de boezem van het eigen gevoel en tast, soms ook zit er niets anders op dan naar een boek te grijpen. Eén stap in de bibliotheekafdeling die 'Hel' wordt genoemd, verder hoeft men niet om te beseffen dat het niet alles hemel is op aarde. Elke schrede op de weg naar het overkomen van het onoverkomelijke is er immers één.