Alles mag behalve roken; Gesprek met toneelschrijver Guus Vleugel

Toneelschrijver Guus Vleugel schreef, behalve legendarische liedjes en teksten, musicals, een roman en gedichten, zes toneelstukken die altijd voor controverse zorgden. 'Facelift' is zijn nieuwste stuk, een zedenschets over fiscale vluchtelingen in een Belgisch villadorp.

'Facelift' van Guus Vleugel. Regie: Christiaan Nortier. Met: Ingeborg Elzevier, Hugo Metsers, Henriëtte Tol. Première: 4 januari, Nieuwe de la Mar Theater, Amsterdam. Tournee. Inl. 010 5923155

Halverwege het tweede gesprek zegt hij ineens: “Ja! Mijn leven is eigenlijk net een liedje van mezelf”. Even daarvoor vertelde hij hoe hij na zijn successen bij het Lurelei-cabaret wegzakte in een diepe, jarenlange depressie. En hij constateerde dat alle neerslachtigheid na die moeilijke tijd, in de jaren zeventig, verdwenen was - nooit meer last van gehad. Net dus als de personages in zijn liedjes eindigt hij met 'het tegendeel' van waarmee hij begon. De laatste regel van 'De man die zelfmoord wilde plegen' luidt immers: 'Hij is gewoon als ieder ander doodgegaan'. Verrast stelt hij vast dat hij zijn 'eigen poëzie werkelijkheid laat worden'.

Guus Vleugel - tekst-, roman- en toneelschrijver, dichter, vertaler, columnist en criticus - ziet er anders uit dan de gemiddelde mens die AOW ontvangt. Hij lijkt leeftijdloos. Hij praat ook anders, op een levendige, wendbare toon, met een lichte, hoge soms wat lijzige stem. Hij staat te boek als vilein, maar hij is vriendelijk en beminnelijk. Verontschuldigt zich, als hij afdwaalt of vragen negeert, voor wat hij noemt “mijn verbale onvermogen”: “Formuleren kan ik alleen op papier. Ad rem ben ik pas achteraf, nooit tijdens een gesprek. Na mijn roman Een valse nicht ontstond de indruk dat ik er zelf één was en ik dacht: nou ja, laat maar, dan profileer ik me een beetje. Dat boek gaat over verschillende vormen van liefde en was veel te elitair. Mijn uitgever, Theo Sontrop, dacht met mij een Albert Mol binnen te halen en was razend dat ik dat niet bleek te zijn.”

Hij heeft een nieuw toneelstuk geschreven, Facelift, in opdracht van de 'vrije' producent Jacques Senf. 'Liefde en Belastingen in Brasschaat' luidt de ondertitel, die de belofte inhoudt van een uitzinnige zedenschets over het leven van fiscale vluchtelingen in het Belgische villadorp. Facelift is hysterisch vermaak over te rijke vrouwen en, volgens de schrijver, 'de huidige drang to feel good', dat, op papier althans, niet onderdoet voor de tv-serie Absolutely Fabulous.

Het is het eerste toneelstuk dat Vleugel alleen heeft geschreven, een zestal andere, waaronder controversiële als De Miraculeuze Come-Back van Mea L. Loman, Sterke Drank in Oud-Zuid en Srebrenica! (over het optreden van Nederlandse militairen in de moslim-enclave) schreef hij vanaf 1978 samen met zijn levensgezel Ton Vorstenbosch. Daarvóór schreef Vleugel musicals als Mimicrimi, Oh, Venus en De Stunt en, samen met Annie M. G. Schmidt, Je moet ermee leren leven. In de jaren zestig vormde Vleugel met comedienne Jasperina de Jong en regisseur Eric Herfst het roemruchte Lurelei-cabaret. Voor De Jong schreef hij conferences en onvergetelijke liedjes als Callgirl, De Rosse Buurt, Vivat Vivaldi en Roll another one, die hem nationale beroemdheid opleverden. Ook schreef hij teksten voor Sylvia de Leur, Adèle Bloemendaal, Gerard Cox, Frans Halsema en Leen Jongewaard. Het liedje Arme Ouwe, over koningin Juliana, veroorzaakte een schandaal. In 1973 werd hij onderscheiden met de literaire Van der Hoogt-prijs.

Vanaf midden jaren tachtig schreef Vleugel toneelkritieken voor de Haagse Post, later de wekelijkse column 'Mal du siècle' voor HP/De Tijd . “Ik heb veel verschillende genres beoefend, maar de constante is de satire. Gewone schrijvers kunnen een symptoom van hun tijd zijn en schrijven in de in zwang zijnde stijl. De satiricus niet; die beperkt zich weliswaar altijd tot zijn eigen tijd, maar hij houdt er afstand van en geeft er commentaar op. Niet letterlijk, in mijn geval, maar door mijn observaties. Ik ben geen moraalridder, wel een moralist. Wat weer niet wil zeggen, dat ik niet volop meedoe aan trends. Net als iedereen ben ook ik op dit moment born to shop. En ondanks het beeld dat ik in Facelift schets van belastingontduikers, vind ook ik dat ik te veel geld naar de belastingen breng. We hebben met z'n allen veel te lang veel te veel gedokt en daarom kan Wim Kok nu geuren met zijn poldermodel.

Bohémien

“Dat ik iedere keer weer stop met waar ik succes mee heb, komt door verveling en drang tot vernieuwing. Die zijn groter dan mijn hang naar financiële zekerheid. De belasting-inspecteur die het heeft over mijn 'omzet' schokt me. Ik ben een ouwerwetse bohémien; iedere echte schrijver is dat, al gedragen de meesten zich tegenwoordig als koekjesfabrikant.”

Vleugel debuteerde als dichter, met de bundels Zon, Maan en Hun Verwend Publiek en Fluitles, in 1952. Gedurende een paar jaar had hij een column in De Telegraaf. De krant stuurde hem naar het filmfestival in Cannes waar hij Grace Kelly en Doris Day interviewde. “Ik was a-politiek en had het geld nodig. Ik bewoonde een piepklein kamertje in de Frans van Mierisstraat. Natuurlijk keek men op me neer, ik was eigenlijk een fascist, openlijk homoseksueel bovendien. Ik had toen twee grote liefdes: de poëzie en Annie Schmidt. Ik dwéépte met Annie. Haar ironie was nieuw en zó intelligent, alleen Erich Kästner kwam in haar buurt. O jé, dacht ik toen ik haar voor het eerst las: dat is het. Ze was een van de leukste mensen die ik gekend heb. Geestig en totaal niet geborneerd. Ik mis haar nog elke dag.

“Natuurlijk ben ik schatplichtig aan haar. In het begin zei ze dan ook: ' 't Is wel een beetje Schmidt, hé'. Ik had mijn eigen stijl nog niet gevonden. Midden jaren vijftig schreef ik teksten voor Wim Sonneveld en Conny Stuart - dé cabaretière van dat moment. Ze zong mijn regels: 'Diep in mijn hart ben ik geen dame / Diep in mijn hart ben ik een lellebel'. Maar ik begreep nog niet goed waarom het ene nummer wel aansloeg en het andere niet. Met Lurelei veranderde dat. Ik wist ineens hoe het moest, werd radicaler, het succes werd een constante. Ik ging bewust het principe van de omkering toepassen, zoals in het liedje over de zelfmoordenaar. Ik besefte bovendien dat je mensen moest raken en het antwoord op de vraag wat raakt, ligt altijd in de taboe-sfeer. Dat is nog steeds zo. We hadden altijd de grootste pret tijdens de brainstorm-sessies met Sonneveld maar er werd altijd gezegd: jammer, dat we dit niet gebruiken kunnen. Sonneveld was immers een closet-nicht. Bij Lurelei zei ik dat niet meer, ik gebruikte alles: drugs, abortus, regentschap, homoseksualiteit, de dood, zelfmoord. Ik heb de vrijmoedigheid in het cabaret geïntroduceerd. Ik was een doorbraak. Annie vond dat enig, Sonneveld was jaloers.”

Vleugel vindt het “nog altijd zeer te prijzen van mezelf dat ik Annie niet heb laten vallen toen ik succes kreeg”. Interviewers probeerden hem voortdurend rivaliteit aan te praten. “Altijd in de sfeer van jong tegen oud, maar daar zag ik niets in, zomin als in de tegenstelling tussen links en rechts. Ik ben een relativist, schreef het liedje 'Jonge en Oude Zakken', waarmee ik duidelijk maakte dat een bepaalde mentaliteit niet aan leeftijd gebonden is. Simon Vinkenoog ruide jongeren tegen ouderen op in het blaadje Provo. Stompzinnig, ik heb er om die reden nooit voor willen schrijven”.

In 1973 raakte Vleugel “totaal uitgekeken” op cabaret, op “kléinkunst”, zoals hij misprijzend zegt. “Ik houd van de analyse, van de eye-opener, de lange neus die je kan trekken, afijn de grote traditie. Maar ik vind het cabaret van vandaag buitengewoon oubollig, op Theo Maassen na. Die ziet er dan ook geil uit, dat helpt. Maar voor het overige: die scheurkalenderwijsheden, die opinietjes die al in alle columns hebben gestaan en dan vreselijk moeizaam op rijm worden gezet... De verdienste van Freek de Jonge is geweest dat hij de popcultuur het cabaret heeft binnengehaald, maar inhoudelijk is hij niks waard. Hij is ongeraffineerd en clichématig, ging braaf op de jaren zestig schelden toen dat mode werd. Zijn dagelijkse stukjes in Het Parool zijn ook he-le-maal nooit leuk, helemaal nooit.”

Talentloos

Nadat hij in 1978 Ton Vorstenbosch ontmoet had, gingen zij gezamenlijk voor toneel schrijven. Hun debuut, De Miraculeuze Come Back van Mea L. Loman, werd afgewezen door Toneelgroep Centrum en uitgevoerd door Toneelgroep Globe, van artistiek leider Gerardjan Rijnders, die de regie deed. “Modernisten in het toneel, zo ongeveer iedereen, vonden het niks wat wij deden. Rijnders heeft zich daar nooit iets van aangetrokken, dat pleit voor hem.” Het werd een succès de scandale , maar “helemaal niemand, ook Rijnders niet” begreep volgens Vleugel, dat het stuk, waarin een talentloze amateur-zangeres alles en iedereen ondergeschikt maakt aan haar 'kunst', een satire was op het zo in de mode geraakte verschijnsel van zelfontplooiing.

“Rijnders was gecharmeerd van het zoontje dat zelfmoord pleegt en uiteraard van de titelheldin. De critici dachten dat het ging om valsigheidjes over acteurs. Maar dat we de vinger legden op een uitwas van de tijd, ontging ze. Dat is steeds zo geweest. Sterke Drank in Oud-Zuid ging over het opkomende elitisme; de toonaangevende hang naar democratie verloor halverwege de jaren tachtig terrein aan de nieuwe elite. Dát toonden we. Zegt acteur Kees Hulst tegen me: 'Nou, op die VPRO-mentaliteit waarvoor jullie het nu zo opnemen, valt ook een hoop af te dingen, hoor!' Niets van begrepen dus”.

Het is het lot 'van de chroniqueur'. “Anderen hebben de afstand nog niet, die je als satiricus wel hebt. Pas later begrijpen ze ten volle wat je bedoelt, maar de houdbaarheid van satirische teksten is anderzijds gering. Valéry heeft het over 'le désir de durer': die hebben de meeste schrijvers. Ze willen blijven. Satirici hebben dat niet, ze bezitten de heroïek van het vluchtige. Achteraf kun je in hun werk - als het kwaliteit heeft natuurlijk - het vakmanschap bewonderen en de perfectie, maar de actualiteit die het tot leven brengt en excellent maakt, is weg. Satire heeft de schoonheid van een ballet of van een vlinder, het is vluchtig. Mij kan dat geen klap schelen, ik houd van de combinatie van perfectie en actualiteit.

“Ook Facelift is weer een extreem soort amusement, dat de 'mensen in 't land' ondanks alles moeten kunnen volgen en liefst ook waarderen, want dit is ongesubsidieerd toneel. Die verantwoordelijkheid is zwaar en het is moeilijk, ik heb er een half jaar aan gewerkt. Een 'zak' in de spanning is een doodzonde, je moet zonder kleerscheuren van het ene hoogtepunt naar het andere zien te komen. En je loon voor alle moeite is onveranderlijk controverse, waar je naar mijn ervaring slechts ten dele controle over hebt. Bij de try-outs hoorde ik alweer dat de mensen Facelift 'een plat stuk' vonden. We zijn weer thuis, denk ik dan.

“Wat ik ook doe, er komt altijd herrie van. Het hoort bij me en bij mijn vak, maar het beangstigt me bovenmatig. Ik wil provoceren en tegelijkertijd ben ik doodsbenauwd voor de gevolgen. Ik heb zwakke zenuwen, ga letterlijk zitten trillen. Ik heb dan ook groot ontzag voor polemisten, maar ook die knijpen hem vaak. Renate Rubinstein bij voorbeeld, met wie ik bevriend was, had dat ook. Die sloop 's morgens in alle vroegte naar de kiosk om te kijken wat Propria Cures nu weer over haar schreef.”

Bespóttelijk

Het 'heilige moeten' is groter dan zijn angsten. Groter ook dan vriendschap. Na publicatie van Een valse nicht zegde Rubinstein, die er in figureerde als de aan kanker lijdende 'Grada', hem de wacht aan. “Annie die via mij met Renate bevriend raakte had het me afgeraden, maar ik deed het toch. Nu ja, we hadden toch al steeds ruzie: we vonden allang niet meer dezelfde boeken goed. Rubinstein had een mediocre smaak, ze hield van Maarten 't Hart. Ze deed drie uur over éen pagina van een boek van Robert Musil dat ik haar aanbevolen had, en belde me dan op om te zeggen hoe 'bespóttelijk' ze het vond.

“Annie had zitten konkelen met d'r en heeft nooit iets over Een valse nicht gezegd. Terwijl ze zelf al mijn depressieverhalen met meer dan gewone belangstelling had aangehoord en prompt gebruikt had in de televisieserie Pleisterkade 17. Later, toen ik mijn column in HP/De Tijd had, is het allemaal goed gekomen en begon ze zelf ook over Renate te roddelen. En dat ik haar panische angst voor dementie in het toneelstuk In de Dromocratie gebruikte, vond ze geen probleem.”

Alles is, als het erop aankomt, ondergeschikt aan 'de waarheid', vindt Vleugel. Alles mag, behalve roken - door zichzelf dat voor te houden is hij van zijn verslaving afgekomen. De 'politieke correctheid, de waan van vandaag' is hem een doorn in het oog. “Zo'n Willem Jan Otten met dat Nacht van de Paus - o, is het van de Pauw? - is natuurlijk een toneelschrijver van niks. Het is een geborneerde burgerman, die al zijn best doet gevoelens van medemenselijkheid ten toon te spreiden, maar er geen greintje van bezit. Dat bezorgde standpunt van 'm over euthanasie verraadt dat hij geen enkel inlevingsvermogen heeft en bovendien geen idee waar hij over praat.

“Hij denkt taboes aan te snijden, maar politieke correctheid als de zijne doorprikken is een veel groter taboe. Ik ben een fervent aanhanger van Germaine Greer, maar nu zag ik haar laatst in The Late Review, op de BBC-televisie. Hadden ze het over The Farewell Symphony, het laatste boek van Edmund White, die ik ook zeer bewonder. Daarin zegt White het te betreuren, dat zijn vader zich nooit aan hem vergrepen heeft. Dat mag toch, dat is zelfs interessant. Maar nee, Greer vond het geheel volgens de regels van deze tijd een schánde - en daarmee heeft ze voor mij definitief afgedaan.

“Zulke mensen zien de betrekkelijkheid van de heersende moraal niet. Incest en pedofilie mogen vaak schadelijk zijn, maar zijn dat niet per definitie. Ik ben seksueel promiscu en heb dat nooit verheeld. Daarmee stel ik geen wet, ik constateer alleen dat seks voor mij boeiend blijft, als ik het niet altijd met dezelfde bedrijf. Tegelijkertijd - en dat begrijpen mensen niet - ben ik affectief volstrekt monogaam, leven met Ton geeft me een diepe bevrediging. Hij is heel intelligent en dat zijn er maar weinigen.”

Met Vorstenbosch kan hij lachen, onbedaarlijk lachen: een levensvoorwaarde, die verder vooral vrouwen vervullen in Vleugels leven. Ja, uiteraard komt dat doordat vrouwen zich bij homoseksuelen meer op hun gemak voelen, zoals ook omgekeerd het geval is. De meeste nichten zijn bang voor mannen. “Maar mannen zijn ook log, op toneel kijk ik altijd alleen naar vrouwen. Ze hebben zoveel fun en zijn dramatisch veel boeiender. Misschien komt het doordat zij in zekere zin net zulke paria's zijn als ik, dat ik zo met ze lachen kan. Want alle humor is destructief. Vraag me niet dat uit te leggen, ik kan niet in éen seconde die hele kwestie overzien. Iedereen wéet dat het zo is en daar hoef je geen mensenhater voor te zijn. Dat ben ik dan ook niet.”