AAN

Zij heeft verkering met die kale jongen die woont bij de brug. 'Wil je met me', vroeg ze, hij wou wel.

Ze hebben nog niet gezoend ofzo, ook niet gebeld, zij zegt dat doet niemand zo vlug. Als ik vraag waarom ze op hem is zegt ze niks maar ze begint te lachen elke keer als ik haar aankijk, van voor halfnegen bij het muurtje achter helemaal tot school. En 's middags terug.